Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier

Reageer op deze site!
De Antillen in WO II

                                             

  • De Antillen in WO II
       - Olie en de geallieerde troepen
       - Komst Franse, Engelse en US-Amerikaanse troepen
       - Aanval Duitse U-boten
       - Gevaarlijke Shell-tankers, doodgeschoten Februari-stakers
       - Atlantic Charter
       - Interneringskampen
       - Bezoek Oranjes
       - KNIL-militairen
       - Hulpacties
       - Antilliaanse musici in Nederland
       - Oorlogsmonumenten op de Antillen
  • Antilliaanse oorlogsslachtoffers
       - Segundo Jorge Adelberto (Boy) Ecury
       - George John Lionel Maduro
       - Militairen (Van den Belt, Debrot, Gandelman, Haayen, De Haseth, Henar, Van Meeteren, Veeris)
       - Zeevarenden koopvaardij (Albertus, Bernabela H., Bernabela L., Boekhoudt, Bomba, Boom, Calmes, Capello, Cicilia, Clarinda, Coffi A., Coffi J., Constancia, Cornet, Curiel, Curlingford, Daanchi, Dembrooke, Dijkhoff, Doran, Dunlock, Emerenciana, Evertsz, Fa King, Goedgedrag, Goeloe, Gordon, Granger, Hart, Hecker, Hernandez, Hooker, Isijk, Italia, Janga D., Janga N., Jansen E., Jesus de, Josefa, Kraal, Laveist, Leito, Linzey, Lourens, Lynch, Maduro, Manuela, Marchena, Martes, Martijn D., Martijn H., Martijn O., Martijn P., Martijn T., Martis F., Martis H., Maxwell, Montanus, Muller, Palm A. de, Palm H. de, Pannelek, Pieter, Pietersz, Pourier, Putten van, Raas, Rafael, Rasmijn, Richardson, Rosalina, Rosaria, Scharbaai, Scherptong, Schotborgh, Serberie, Simmons, Thielman, Thodé J., Thodé S., Tjietjie, Tromp, Verhoeks, Wilson C., Wilson J., Wilson Th., Winfield, Winklaar A., Winklaar E., Woods A., Woods H., Yong Ah Chong)
       - Niet-militairen (Beaujon, De Castro Yohai, Cohen Henriquez, Debrot, De Haseth Möller, De Lannoy, Navarro, Sprockel, Winkel)
       - Antilliaanse joden in Westerbork (Alvares Correa, van Lissa-van Lissa, Santcroos, Ster)
  • Bronnen / Verder lezen


    De Antillen in WO II



    Vlag: www.robkoster.nl

    Olie en de geallieerde troepen
    Aruba en Curaçao hebben een speciale rol gespeeld tijdens de oorlog, waarvan maar weinigen op de hoogte zijn. Aruba en Curaçao hadden olieraffinaderijen die Engelse, Franse en Amerikaanse vliegtuigen bevoorraadden.



    Boortorens in de lagune van Maracaibo
    Foto: Ewing Galloway (Bos & Van Palen Platenatlas)


    Voor de olie, die uit het Venezolaanse meer van Maracaibo werd gewonnen (sinds 1914), hadden de oliemaatschappijen havens en opslagplaatsen nodig. Venezuela en de oliemaatschappijen kozen voor het nabijgelegen Aruba en Curaçao. Daar was men verzekerd van goede havens en politieke rust. De Koninklijke Olie (KNPM)/Shell vestigde in 1918 op Curaçao een grote raffinaderij; het kreeg de naam van de plek, het schiereiland Isla aan de haven van Willemstad. Op Aruba zette de maatschappij in 1928 een kleine installatie neer, Eagle, niet ver van Oranjestad. Belangrijker waren de activiteiten van Pan American Petroleum met zijn Lago Oil & Transport Co. Deze deed al vanaf 1924 olieoverslag op het eiland (via een pier bij Oranjestad) en diepte in Sint Nicolaas de natuurlijke haven uit. In 1929 opende daar ook de Lago-raffinaderij die zou uitgroeien tot een van de grootste ter wereld. De onderneming wisselde enkele malen van eigenaar en viel vanaf 1933 onder Esso (Exxon). Al in 1939 voorzagen de raffinaderijen op de twee eilanden in 43% van de oliebehoeften van de Engelsen en de Fransen, en voor 80% in die van de Britse Royal Air Force alleen (kerosine). De Amerikaanse invasie in Noord-Afrika (1942-1943) draaide voor 100% en de strijd in de Pacific (1944-1945) voor 75% op de brandstof uit de Antilllen.

    Bronnen:
    http://www.historiadiaruba.aw/index.php?option=com_content&task=view&id=28&Itemid=42
    http://en.wikipedia.org/wiki/Lago_Oil_&_Transport_Co._Ltd.
    Liesbeth van der Horst, Wereldoorlog in de West (p. 29)


    Komst Franse, Engelse en US-Amerikaanse troepen


    Kaart: www2.mw.nl

    Vanwege de grote militaire en economische belangen was het logisch dat, na de overval op Nederland, Engelse en Franse troepen op de Antillen werden gestationeerd. Op 11 mei 1940 waren al 180 Franse mariniers op Aruba, op 13 mei kwamen 800 Engelse manschappen naar Curaçao en Sint Maarten. Na de capitulatie van Frankrijk, in juli 1940, namen de Britse militairen de Franse plek in. Het Franse deel van Sint Maarten werd overigens nooit pro-Duits. Nederland had slechts een paar honderd mariniers op de eilanden, vermeerderd met rond de 2000 slecht uitgeruste en getrainde 'schutters' in de Vrijwilligerskorpsen van Aruba (VKA) en Curaçao (VKC). In de loop van de oorlog groeide het aantal naar circa 3000 man.


    'Schutters van Habaai', Vrijwilligerskorps Curaçao. (Bron: vkcur.org)

    De versterking was niet onnodig. Duitse onderzeeërs vielen transportschepen met olie en bauxiet aan, en zelfs direct olieraffinaderijen (1941-1942).


    Overleg tussen US- en NL-officier op Curaçao, Hato 1942. (Bron: gahetna.nl)

    De VS-militairen werden pas actief toen de VS zich na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) officieel bij de Geallieerden voegden. Voor het Panama- en Caribisch gebied gebeurde dit onder de vlag van het Rainbow 5-plan. Het oppercommando was Amerikaans, maar zoals in Jamaica en Trinidad de leiding gedeeld werd met de Engelse koloniale en militaire macht, zo gebeurde dat op Aruba en Curaçao en de andere eilanden met de Nederlanders. Op 26 januari 1942 was het verdrag tussen het US Oorlogsministerie en de Nederlandse regering in Londen een feit. Midden januari waren al 6 A-20 bommenwerpers op Aruba en Curaçao gestationeerd. Op 11 februari kwamen rond 2300 man grondtroepen vanuit New Orleans aan: een groot deel voor Curaçao, een iets kleiner voor Aruba. Drie dagen later vertrok het Engelse garnizoen van intussen ca. 1400 militairen uit de Antillen. Pas aan het eind van maart waren de US-Amerikaanse en Nederlandse regering het eens over de bevelsstructuur. Admiraal Jesse B. Oldendorf werd chef van alle strijdkrachten in het gebied, ook de Nederlandse. Kapitein van Asbeck, de Nederlandse bevelhebber van de eilanden, werd zijn stafchef, en de orders van Oldendorf vielen formeel onder de autoriteit van gouverneur Kasteel. Deze eenduidige commandostructuur bereikte het US-leger in Suriname niet, hoewel daar al vanaf eind 1941 Amerikaanse troepen waren. Dit verschil hing samen met de grote dreiging die vanaf begin van 1942 op de Benedenwindse eilanden aanwezig was.

    Aanval Duitse U-boten


    Het eiland Aruba (Bron: www.jewishvirtuallibrary.org)

    Actie 'Neuland'
    In de nacht van 15 op 16 februari 1942 vond de eerste aanval van Duitse onderzeeboten op het westelijk halfrond plaats. Hij was gericht op het olietransport tussen Venezuela en de Antillen en de olieopslag zelf. Er namen zes Duitse en twee Italiaanse onderzeeërs aan deel. Die van de bevelhebber, de U-156, zou de hel verlichte olieraffinaderijen van Esso en Shell op Aruba en Curaçao aanvallen, de anderen de transporttankers. Opmerkelijk was dat de marinecommandant Karl Dönitz de order had gegeven dat Duitse U-boten in het Caribisch gebied niet eerder dan 16 februari mochten aanvallen. Hierdoor bleven op 15 februari vijf Lago-tankers buiten schot.

    Sint Nicolaas-haven
    Maar om 01.31 uur was het raak. De eerste treffer was voor het Britse Lago-tankerschip Pedernales in de Sint Nicolaas-haven op Aruba. Het brandde uit. Acht bemanningsleden kwamen om het leven, vijf van hen Antilliaan. Ook de kleinere 'Oranjestad' werd kort hierna geraakt en zonk (met dank aan Gerrit Walters, december 2006). Vijftien opvarenden verloren hier hun leven, elf van hen Antilliaan - zie voor de namen van de slachtoffers de paragraaf over zeevarenden. Zo begon de actie 'Neuland', een nieuwe fase in de operatie 'Paukenschlag'. De U-156 kwam vervolgens aan het oppervlak en vuurde met het dekkanon 16 anti-vliegtuiggranaten af op de Lago raffinaderij. Er werd maar weinig schade aangericht; de tanks waren van massief staal. Wel kreeg de Bernhardschool in St.Nicolaas veel schade. Vanwege een explosie in het geschut - een zeewaterplug werd niet uit de loop gehaald - verloor een van de Duitse bemanningsleden zijn leven en raakte een tweede zwaar gewond. Maar de boodschap was duidelijk.

    Oranjestad-haven
    De verdediging van het eiland was niet op orde. De eerste berichten maakten alleen melding van vuur op schepen en in de raffinaderij. Pas anderhalf uur later drong door dat er een aanval van een Duitse onderzeeërs gaande was. Ook in de haven van Oranjestad verscheen een Duitse onderzeeër. Het was dezelfde U-156. Twee torpedo's misten de Amerikaanse tanker Arkansas (Texaco) bij de Eagle raffinaderij van Shell, maar een derde richtte beperkte schade aan. De tanker was leeg en ontgast. De U-156 hoorde vliegtuigen opstijgen van het Dakota-vliegveld, dook onder en zette koers naar Martinique. Bij het opruimen van een van de torpedo's de dag erna, werden vier Nederlandse mariniers gedood en twee gewond. Voor hen werd in 2010 een monument opgericht.
    Op die 17de februari kwam een andere U-boot, de U-502, naar Oranjestad-haven. De onderzeeër had de dag ervoor drie tankers tot zinken gebracht, met 29 dodelijke slachtoffers, en kwam misschien om het karwei van de U-156 af te maken. Hij liep door de sterke stroming op een rif, maar wist los te komen. De U-502 bleef daarna vijf uur lang voor de ingang van de haven hangen, zonder iets te doen. Het verhaal gaat dat de kapitein rekening hield met de vele schoolkinderen die op de ramp waren afgekomen.


    Het eiland Curaçao (Bron: www.worldatlas.com)

    Curaçao
    Ook Curaçao werd aangevallen. Men was gewaarschuwd, want de vuurzee op Aruba was vanaf Curaçao, 75 km verder, zichtbaar. In de vroege ochtend van dezelfde 16 februari 1942 nam een Duitse onderzeeboot, de U-67, de opslagtanks en twee tankers van de Shell-raffinaderij bij Bullenbaai onder vuur. De Surinaamse kanonnier Marinus van Niel beantwoordde het vuur onmiddellijk en de U-boot verdween. Zie verder: Een groep mariniers uit Suriname, Antillen en Nederlands-Indië in het hoofdstuk Suriname. De U-67 vuurde tussen 03.52 en 04.30 uur (volgens T.J. Los op cnoops.nl) nog vier torpedo's af op de Nederlandse tanker Rafaela die op 500 meter van de St. Annabaai voor anker lag. Een daarvan trof doel en zorgde voor zware schade, maar het schip zonk pas in de haven en er vielen geen slachtoffers. Dezelfde U-67 kwam overigens op 21 februari terug en bracht bij de Westpunt de Noorse olietanker Kongsgaard tot zinken. 38 van de 46 bemanningsleden kwamen om het leven.

    Transportlijn
    De zes andere onderzeeërs van de actie 'Neuland' zochten op dezelfde 16de februari hun prooi buiten de havens van Aruba en Curaçao. Alleen de U-502 slaagde daarin. In de Golf van Venezuela torpedeerde hij de Britse Lago-tanker ss Tia Juna, met zeventien dodelijke slachtoffers, onder wie zeven Antillianen. Vervolgens viel hij de Venezolaanse tanker Monagas aan, waar vijf doden vielen, onder wie de kapitein. Tenslotte raakte hij de Britse Lago-tanker San Nicolas, met zeven doden tot gevolg, onder wie vier Antillianen. Alle drie de tankers zonken en waren verloren voor de olietransporten. Voor de omgekomen Antilliaanse zeelieden zie de paragraaf over zeevarenden. De 16de februari 1942 was een zwarte dag. 27 Antilliaanse zeelieden verloren op die dag hun leven. Dat is 30% van de 88 Antilliaanse verliezen tussen 1940 en 1945. Dertien van de slachtoffers kwamen van Bonaire, zeven van Saba.

    KNSM-vrachtschepen
    De aanvallen bleven echter doorgaan. Tussen mei en oktober 1942 werden dertien vrachtschepen van de KNSM getorpedeerd, met groter of kleiner verlies aan mensen en materiaal. Het zijn de ss Astrea (6 maart, door de Italiaanse onderzeeër E. Tazzoli), Amazone (6 mei), Fauna (18 mei), Hector (24 mei), Triton (28 mei), Poseidon (28 mei), Crijnssen (11 juni), Flora (18 juni), Telamon (24 juli), Draco (5 augustus), Strabo (10 augustus), Medea (13 augustus) en Achilles (1 oktober). Voor de Antilliaanse slachtoffers zie de paragraaf over zeevarenden.
    Niet alleen de olieleverantie aan de geallieerden, maar ook de voedselvoorziening van Aruba en Curaçao komen in gevaar, evenals de werkgelegenheid.

    Zeilschepen
    In mei brengen de Duitsers ook twee Dominicaanse vrachtschapen tot zinken, de San Rafael (3 mei) en de Presidente Trujillo (21 mei). Ze zijn vitaal voor de voedselvoorziening van de eilanden. De as-mogendheden vallen op de routes tussen Curaçao en de Dominicaanse Republiek vervolgens ook zeilschepen aan: de Sally, de Gaviota en de Dominicaanse Nueva Altagracia. De laatste vervoerde groente, fruit en naar Kock zegt, kippen. De U-161 liet het zeilschip pas zinken nadat bemanning, reddingsboot en lading waren overgenomen (16 juni). Bij de Sally en de Gaviota werd de bemanning met het schip tot zinken gebracht. Voor de slachtoffers zie de paragraaf over zeevarenden.

    Voedselvoorziening
    Alleen al het voeden van de 3000 man Schutterij, een taak van luitenant Henry Prince, werd een probleem. De eerste negen maanden na maart 1942 maakte hij gebruik van de Shell-keukens, daarna waren eigen militaire keukens ingericht. Luitenant Prince deed inkopen bij de enige twee 'supermarkets' van het eiland, die van oud-KNSM kapitein Vreugdenhil en supermarket Henderson, ooit begonnen voor Shell. Daarnaast was er een Amerikaanse militaire winkel, de PX-store. Daarvoor had je relaties nodig. Voor de bevolking was het nog moeilijker om aan eten te komen. In de gewone winkels was weinig keus. Zoals de vader van Rdwan Baroud hem ooit vertelde: "Er was geen maismeel meer en zo konden we geen 'funchi' meer maken." Funchi is een van de volksgerechten van Curaçao.

    Meer rechten voor Antillaanse zeelui
    Gouverneur Wouters ziet een strategie van de Duitsers in de voortgaande aanvallen op elke vorm van transport naar het eiland. Hij schrijft een alarmerend telegram naar de regering in Londen, en vraagt de personeelsleden van de koopvaardij hun werk te blijven doen, ondanks de enorme risico's. Het personeel voelde zich echter al direct na de eerste aanvallen onvoldoende beschermd - vooral de Chinese stokers - en gaat in staking. Vijftien stakers vinden de dood en de gouverneur moet vertrekken (zie hieronder). Het belang van de bemanningen wordt echter gezien.


    Wilhemina verlaat het Nederlands Zeelieden Tehuis in New York, 14-2-1942. (Bron: gahetna.nl)

    Op 14 juli 1942 zegt koningin Wilhelmina in het Nederlandse Zeelieden Tehuis in New York de Antilliaanse bemanningsleden dezelfde rechten toe als de uit Nederland afkomstige zeelieden. Dat lijkt nog even te gaan duren.

    Versterking defensie
    Daarnaast krijgt de Schutterij meer manschappen, die zijn verdeeld over de drie afdelingen Artillerie, Infanterie en Huishoudelijke Dienst, waaronder transport. Aan de zuidkust worden kanonnen neergezet langs de oostelijke Caracasbaai en soortgelijke kustbatterijen komen bij het Steenrijk, de Blauwbaai en de Bullenbaai in het westen. Zo ook in Willemstad bij het Waterfort. De ingang van de Annabaai, even verder de stad in, met directe toegang tot de Isla-raffinaderij, wordt afgesloten met een zwaar stalen net, dat alleen open gaat voor niet-vijandige scheepvaart.

    Aan het eind van 1942 had de Duitse U-boot-vloot in het westelijke en oostelijke Caribische gebied 280 tankers en andere schepen vernietigd, met een tonnage van 1.300.000. De noodzaak van een centrale aansturing van de geallieerde verdediging was overduidelijk. Dat het menens was werd ook aan de bevolking duidelijk gemaakt. Na de eerste aanval moesten alle jongens tussen 18 en 20 jaar in dienst om het eiland te verdedigen.

    Bronnen:
    - Liesbeth van der Horst, Wereldoorlog in de West (p. 23-26)
    - Stetson Conn, Rose C. Engelman, Byron Fairchild, Guarding the United States and its outposts (Washington, 2000) (www.history.army.mil:80/books/wwii/Guard-US/ch16.htm)
    - http://en.wikipedia.org/wiki/Attack_on_Aruba
    - http://www.lago-colony.com/AMERICANS_IN_ARUBA/COAST%20ARTILLERY%20COMMAND.htm (William C. Gaines)
    - www.seawingsnv.com, Antillean Navigator Nummer 56, deel 1 en 2, by Adolf (Dufi) Kock (herfst 2012)
    - www.Cnooks.nl (T.J. Los), De Nederlandse Shell-vloot tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, en een e-mail van 2 juli 2013.


    Gevaarlijke Shell-tankers, doodgeschoten Februari-stakers
    Acht dagen na de Duitse aanval wilde de Curaçaosche Stoomvaart Maatschappij (CSM), dochteronderneming van het latere Shell-Curaçao, weer een konvooi tankers uitsturen om de verbinding tussen de Antilliaanse raffinaderijen en Maracaibo te herstellen. Een Koninklijk Besluit van 1940 verplichtte het personeel om te varen. De bemanningen hadden echter angst voor de duikbootaanvallen. Bovendien was de tankersvloot gammel, zonder reddingsmaterieel, en kende Curaçao geen zaken als scheepvaartinspectie, ongevallenwet of pensioenregeling voor nabestaanden. Een groot deel van het personeel, officieren en stokers, weigerde op 24 februari 1942 werk. De officieren trokken hun werkweigering in, vermoedelijk omdat hun eisen waren ingewilligd. 450 Chinese stokers, velen uit Rotterdam, volhardden in hun staking. Zij deden het zware, hete werk in de machinekamers en zaten bij een torpedo-aanval als ratten in de val. Ze wilden loonsverhoging, uitbetaling van hun wettelijke oorlogsbonus en de belofte dat ze na de oorlog zouden worden gerepatrieerd naar China (Jean Mentens, Volkskrant 21 april 2008). Op 12 en 13 maart weigerden ze opnieuw werk – Chinese woordvoerders waren ontboden op het hoofdbureau van politie aan het Wilhelminaplein - en de stakers werden nu opgesloten op het terrein van Shell, bij de Amerikaanse basis Suffisant. Twee dagen later solidariseerden de officieren zich met de stakers; ook zij werden nu opgesloten. Gouverneur Wouters bemiddelde, met als gevolg dat het tanker-verkeer vanaf 27 maart weer liep. De Chinese stokers bleven echter gevangen. Toen er op 20 april onrust uitbrak over deze behandeling grepen politie en bedrijfspolitie in. Er werd ook geschoten. 44 Chinezen raakten gewond en 12 mannen overleden onmiddellijk, 3 later. Hun lichamen werden anoniem begraven in de ongewijde aarde van begraafplaats Colebra Bèrdè, temidden van ongedoopte kinderen, ongehuwde moeders, misdadigers en anderen die door de katholieke kerk als zondaar werden beschouwd. De Amigoe schreef over het gebeuren en kreeg een verschijningsgebod van twee dagen. Sinds 2000 ijvert de Stichting Eerherstel Oorlogsslachtoffers Curaçao (SEOC) voor een plaquette en een waardige herdenking, ook in Nederland. "Liefst op de Dam, met excuses erachteraan." (Junnes Sint Jago, VK 21 april 2008).


    Mgr Luis Secco en de bestuursleden van de SEOC bij de eerste inwijding van Kolebra Berde tot Erebegraafplaats en Nationaal Monument in april 2003 (foto: www.solidariteitzo.nl/pages/actueel-2007)

    In april 2003 werd Kolebra Berde door Mgr Amado Römer, Bisschop van Curaçao, voor de eerste maal gewijd. De plaats waar de lichamen van de 15 Chinese stakers waren weggestopt werd in aanwezigheid van de SEOC, vakbondsleider Wim van Lamoen, mgr Luis Secco van de Antillen en Aruba en andere prominenten tot Erebegraafplaats en Nationaal Monument verheven.
    Hieronder volgen de namen, geboortejaar en geboorteplaats van de 15 'Rotterdam-Chinezen'. Hun namen werden in 2008 door SEOC aan de achterkant van een gedenksteen geplaatst, die eerder door de Chinese gemeenschap zelf was opgericht.


    Gedenksteen Chinese slachtoffers

    Kolebra Berde gedenksteen voorzijde
    NaamGeboortejaarGeboorteplaats
    1. Nhu Che Lin1913Anhwei
    2. Yu Sio Kan1903Cheiang
    3. Lan Chun1897Kwantung
    4. Tchou Zao1886Foochow
    5. Huang Yu Seng1894Kwantung
    6. Chong Fat1897Kwantung
    7. Lee Chuan1897Kwantung
    8. Kaung King1902Kanton
    9. Wang Ah Kuo1896Fukiun
    10. Au Liang1895Kwantung
    11. Asu Sen Cheng1901Chekiang
    12. Chan Yam Si1908Kanton
    13. Feng Che Ying1905Chekiang
    14. Chong Ming1888Kwantung
    15. Low Nam1908Fukiun


    Onthulling namen Kolebra Berde)

    Bronnen:
    - Ad van den Oord, Allochtonen van nu en de oorlog van toen (p. 43)
    - http://www.solidariteitzo.nl/pages/actueel-2007.html
    - interview met Nizaar Makdoembaks 8 april 2008 (http://antilliaans.caribiana.nl/innederland/car20080408_makdoembaks-oorlog).
    - Foto’s en namen: www.nationaalmonumentcuracao.com/25-apr-08
    - Zie ook: Persbericht Solidariteit Zuidoost (15 oktober 2008), 'Chinese Rotterdammers zijn ook nieuwe Nederlanders' (www.solidariteitzo.nl/pages/actueel-2008.html)


    Atlantic Charter
    De US-Amerikaanse aanwezigheid had een bevrijdende werking, economisch en cultureel. De zwarte bevolking werd over het algemeen ouderwets koloniaal behandeld. Nederland moest nog erg wennen aan het Atlantic Charter (9 augustus 1941), dat onder meer de afschaffing van het kolonialisme na de oorlog inhield.
    Tijdens de oorlog, op 6 december 1942 (in Azië 7 december), hield Koningin Wilhelmina in Londen een redevoering, waarbij zij in vage termen aan Nederlands Oost-Indië, Suriname en Curaçao na de oorlog een vorm van zelfbestuur beloofde.

    Interneringskampen
    Direct na de Duitse inval in Nederland werden op de Antillen 41 van NSB-sympathieën verdachte burgers en ruim 200 Duitsers opgepakt en geïnterneerd op Bonaire. Onder de Duitsers bevonden zich echter ook joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk en andere anti-fascisten. Een van hen was het gezin van de Oostenrijker Otto Engelbert Sechtlerberger. Otto werkte sinds 1929 bij Shell op Curaçao. De verhoudingen in het kamp waren uiterst moeilijk. Ook de voedselvoorziening was niet geregeld en aanvankelijk moest de pastoor met brood langskomen. Mannen en vrouwen waren door prikkeldraad gescheiden, kinderen kregen geen onderwijs.
    In september 1942 dienden de notabelen Maduro en Cohen Henriquez een verzoekschrift in bij koningin Wilhelmina. Zij vroegen om de uitwisseling van hun zonen George en Ernest, die in Nederland in gevaar verkeerden, tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. De regering ging er niet op in. Ook twee uitwisselingsprojecten in 1943 mislukten.
    Na enige tijd werden de joodse mannen overgeplaatst naar een kamp op plantage Guatemala, maar niet bevrijd. In september 1942 mochten de joden terug naar Curaçao en Aruba, met beperkte bewegingsvrijheid en in maart 1944 kon de joodse Antilliaanse gemeenschap de zorg voor de geïnterneerden overnemen. Sommigen van de geïnterneerden werden in 1947 met een enkele reis naar Duitsland uitgewezen. Het kamp in Bonaire werd omgebouwd tot Hotel Zeebad en later tot Flamingo Beach Club Hotel.

    Bezoek Oranjes


    Prins Bernhard (foto: www2.telegraaf.nl/bernhard/bernhard3/)

    Prins Bernhard
    Suriname en de Antillen waren de enige delen van het Koninkrijk die niet waren bezet, door Duitsland of door Japan.
    In oktober 1942 brengt Prins Bernhard, als eerste lid van het Koninklijk Huis in honderd jaar, vanuit Londen een bezoek aan Curaçao, Aruba en Suriname. Amerikaans luchtafweergeschut loste op 22 oktober 1942 een schot naar prins Bernhards vliegtuig. De prins was namelijk ruim te vroeg boven Curaçao en besefte dat het ontvangstcomité er nog niet zou zijn. Hij besloot daarom een rondje boven het eiland te vliegen. Eén van de twee Amerikaanse posten op het raffinaderijterrein vuurde daarop een waarschuwingsschot af. De prins maakte dat hij wegkwam, landde op het vliegveld Hato en wachtte in de bar op de komst van gouverneur Kasteel (dr. J. Hartog, De forten, verdedigingswerken en geschutsstellingen van Curaçao en Bonaire. Zaltbommel 1997). Toen deze was gearriveerd stapte de vertegenwoordiger van het Koninkrijk opnieuw en officieel uit het vliegtuig. Perschef en censor mr. Eduard M. Elias was al vroeg op het vliegveld aanwezig geweest en verbood de pers ter plekke het incident te melden; hij belde later zelfs de hoofdredacties op om zeker te zijn dat iedereen zich aan het verbod hield. De prins bezocht op 24 oktober de olieraffinaderij van Aruba en vloog vervolgens door naar Suriname.


    Schoolkinderen maken een V-teken in een O, op Saba of elders
    (foto: www.verzetsmuseum.org)


    Prinses Juliana
    Van Canada op weg naar Suriname, vloog het KLM-toestel De Meeuw op 2 november 1943 met prinses Juliana aan boord over Sint Eustatius en Saba. Er werden vanuit het vliegtuig rood-wit-blauwe strooibiljetten uitgeworpen met ‘beste wenschen voor de gemeenschappelijken strijd’. Begeleid door twee Amerikaanse bommenwerpers vloog het toestel daarna door naar Suriname. In een filmpje daarvan zijn ook wit-geklede schoolkinderen te zien die in grote letters de O (Oranje) en de V (Victorie) vormen. Gefilmd boven Saba? Of boven Paramaribo, vlak voor de landing?
    In februari en maart 1944 bracht de kroonprinses een bezoek aan Curaçao, Aruba, Bonaire en het (half-Franse) Sint Maarten.

    KNIL-militairen


    KNIL wervingsfolder, ca 1938 (bron: www.engelfriet.net)

    Ongeveer 200 KNIL-militairen van Suriname en de Antillen werden in 1944 vanuit Australië ingezet tegen Japan. Hun getal werd aangevuld door 200 vrijwilligers uit ‘de West’, door gemobiliseerde Nederlanders uit niet-bezet gebied en Papoea's uit Nieuw Guinea. Australië was geen paradijs voor niet-blanken. Het leek toen sterk op het Zuid-Afrika van de apartheid.

    Hulpacties
    Tijdens en aan het eind van de oorlog werden inzamelingsacties voor Nederland gehouden. Een in de Oost- en West-Indische koloniën bekende actie was het zogenaamde Spitfire-fonds, dat bedoeld was voor de aanschaf van jachtvliegtuigen voor de Geallieerden. Het Curaçaose Dames Spitfire Comité bracht in korte tijd 5200 Engels pond bijeen, ofwel ruim 50.000 toenmalige guldens. Zo schrijft de filatelist Paul Daverschot. De 'Tweede Wereldoorlog in de West' noemt ook het Damescomité Prinses Irene. Haar inzamelingsactie nam onder meer de vorm aan van een revue. Zita Moreno, die danste in de revue, vertelt dat er speciale Spitfire-liedjes in werden gezongen, zoals 'Spitfire in de lucht'. Andere 'ingezamelde' Spitfires droegen de namen van Nederlands-Indische plaatsen, of heette 'Suriname'. In die lijn werd de met Arubaans geld gekochte Spitfire 'Aruba' gedoopt.


    Zegel Prins Bernhard Comité (Bron: Filatelie, oktober 2007).

    Op 11 december 1941 werd op de Antillen, in navolging van Nederlands-Indië en Suriname, een serie toeslagzegels uitgegeven. De opbrengsten gingen naar het Prins Bernhard Fonds, dat er Spitfires, tanks en dergelijke mee kocht (bron: Filatelie, oktober 2007). Vanuit de Antillen was er ook een ABC-Babyfonds voor ondervoede Nederlandse kinderen, werden warme kleren naar Londen gestuurd en zamelde men geld in waaruit zes mobiele keukens werden betaald.

    Antilliaanse musici in Nederland
    In de jaren dertig werkten enkele Antilliaanse musici in Nederland, met name in 'Negro Clubs' in de drie grote steden. In het begin van de oorlog hadden de Duitsers nog niet in de gaten dat zich onder de musici ook niet-Arische muzikanten bevonden. Zij hadden gewoon een Nederlands paspoort en zich laten inschrijven bij de 'Kulturkammer'. Later veranderde dat en werd door de Duitsers ook een afkeurend filmpje over jazz gemaakt: 'Barbarisme', waarbij vooral neger-muzikanten het moesten ontgelden. Toch konden de meeste zwarte musici actief blijven, omdat de jazz ook bij de Duitsers zeer populair was.
    De fameuze Afrikaans-Amerikaanse pianist Freddy Johnson (New York City, 1904-1961) trad al in het midden van de jaren dertig op in Nederland. Herman Openneer: ‘men zegt wel dat Johnson de Nederlanders piano leerde spelen’. In het naar hem genoemde ‘Quartet’ speelden naast de Surinaamse Mike Hidalgo, Kid Dynamite en de drummer Arthur Pay ook de Antilliaan Martin Sterman. Drummer Martin Sterman was in Amsterdam geboren als zoon van een blanke moeder en een Antilliaanse vader (Curaçao). Zijn broer Otto was acteur en voordrachtskunstenaar, zijn zus Annie een bekend vocaliste. Zij ondervonden geen problemen. Annie Sterman trad op 20 juli 1944 onder de naam ‘Topsy’, ‘de West-Indische zangeres, tap- en rumba-danseres’ in de Waakzaamheid te Koog aan de Zaan op, samen met bekende Zaanse en Westfriese orkesten en solisten. Het was de dag van de aanslag op Hitler.

    Oorlogsmonumenten op de Antillen


    Monument op Bonaire
    (foto: Bregilio Wanga, www.lago-colony.com)

    Plaquette (foto: M.v.d.Veur)
    (klik op de foto)
    Op Bonaire, aan de Plasa Wilhelmina in Kralendijk, werd in 1957 een monument opgericht voor 129 Antilliaanse gevallenen. Hetzelfde gebeurde op de andere eilanden, voor dezelfde slachtoffers, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Het betreft koopvaardijpersoneel, vervolgden in Nederland, burgerslachtoffers in Nederland, verzet in Nederland en militairen in dienst van het Nederlands Koninkrijk 1940-1945. Hun namen staan op een plaquette vermeld. Op deze website vindt u informatie over degenen van wie de naam in vet staat vermeld.

    M.R. Anthony, J.W. van den Belt, H.G. Bernabela, H.P. Bernabela, L.E. Bernabela, J.P. Boekhoudt, U. Boom, F.L. Capello, M.Th. Charlouis, C.B. Cicilia, N.A. Clarinda, A.C.P. Coffi, J.C. Coffi, T.M. Constancia, J.S. Cornett, J. Daanchi, Ch.M. Debrot, J.O. Dembrooke, P. Dijkhoff, G.L. Doran, J.L. Dortalina, J.W. Dunlock, S.J.R. Ecury, L.N. Emerenciana, G.L. Emnes, H.J.H. Forbes, L.H. Fridael, P.V. Goedgedrag, J.D. Goeloe, M.C.B. Gorsira-Gorsira, A.D. Granger, J.F. Haayen, J.A. Hart, T. Hartlief, M.C.B. de Haseth-Corsira, A.C. ten Have, G. ten Have, K. ten Have, N. ten Have, G. Hecker, C. van der Hoeven, M.A. van der Hoeven, W.O. Hooker, A.G. Hommerson,

    M.B. Isijk, D.G. Janga, N.Th. Janga, E.J. Jansen, H.G. Jansen, K. de Jong, P. Joosse, A.M.W. Knevel, L. Kooyman, B.C. Kraal, J. Landenga, U. Landenga, E.E. Laveist, J.M. Layto, B.F. Leito, J. Lepelaars, L.W. Lepelaars, J. van der Linde, E.N. Linzey, H.L. Lodrigo, M.M. Lourens, D.K. Lynch, D.A.C. de Maagd, F.A. Maas, J.E.W. Maasdamme, G.J.L. (R.M.W.O.) Maduro, G.A. Manuela, R.C. Marchena, C.R. Martes, D. Martijn, H.B. Martijn, O.D. Martijn, Th.F. Martijn, A.B. Martina, P.A. Martina, H.N. Martis, E.A. Matrona, M.R. Matrona, J.A. Maxwell, C.A. van Mechelen, J.J. Mol, G.A.L. Muller, J.A. Statius-Muller, W. Neeleman, A. Nijdam, A.J. de Palm, H. de Palm,

    F.M. Panneflek, A.G. Pieter, J.S.R. Pietersz, D.H.P. Pourier, J.C. van Putten, Ch.B. Rafael, G.R. Richardson, J.B. Rosalina, W.F. Rosaria, S. Rozeboom, A.H. Scheelbeek, L.B. Scherptong, S.M. Serberie, L.E. Smiet, C. Smit, E.A.J. Stelk, A.Th. Stoel, J.G. Thielman, A.F. Thode, S. Thode, P.B. Tjie Tjie, B. Tromp, J. Verhey, A.F. Verhoeks, J. Vogelenzang, J. de Vries, H. Wensing, M.G. Wensing-Hesseling, M.T.H. Wensing, J.V. Wessels, M.D.J. Wijngang, W.A. Winfield, A.C. Winklaar, A.I. Winklaar, C.A. Wilson, J. Wilson, A.D. Woods, en H.S. Woods.

    Op het monument ontbreken de namen van enkele personen die wel op deze site staan. Het betreft de omgekomen militairen M.C. Gandelman en vier andere op Curaçao geboren joodse slachtoffers. In de paragraaf 'Zeevarenden' zijn 87 Antilliaanse slachtoffers van de koopvaardij vermeld met hun aan- en afwezigheid op de plaquette.

    Het monument van Aruba staat op de L.G. Smitboulevard. Dat van Curaçao op de De Ruyterkade, in de vorm van een schip.

    Oorlogsmonument Aruba

    Midden en rechts:

    Oorlogsmonument Curaçao (foto's: J.Kooyman)

    Ook Saba en St. Eustatius hebben een monument met deze plaquette. Op St. Maarten staat een oorlogsmonument bij de C. Wathey Square.

    Oorlogsmonument Saba
    (foto: www.erepeloton.nl)

    Oorlogsmonument St. Eustatius
    (foto: www.erepeloton.nl)

    Bronnen:
    - www.4en5mei.nl (ABC-eilanden)
    - www.erepeloton.nl/grafgegevens/SJAEcury.html (Saba, St. Eustatius)
    - www.slideshare.net/pearlstudio/meerjaren-monumentenbeleidsplan-stmaarten (St. Maarten)



    Antilliaanse oorlogsslachtoffers



    Segundo Jorge Adelberto (Boy) Ecury



    Foto: www.museenkoeln.de

    Hij werd op 23 april 1922 geboren in Oranjestad, Aruba. Hij was zevende van een katholiek gezin van dertien kinderen. Zijn vader was een bemiddeld zakenman. Boy ging aanvankelijk naar de fraterschool op het eiland, maar zijn ouders haalden hem daarvan af omdat ze hem te opstandig vonden. Hij werd samen met zijn broer Nicky naar de St. Augustin Military Academy op Portorico gestuurd. Daar bleken de jongens niet welkom vanwege hun donkere huidskleur. De ouders schreven hen toen in Nederland in, bij de Broeders van St. Louis in Oudenbosch, een befaamd instituut. Daar werden ze overigens op straat wel eens voor ‘neger’ uitgescholden. Boy behaalde er een handelsdiploma.

    De broers maakten de meidagen van 1940 mee en zagen de puinhopen van Rotterdam. Boy kwam in contact met een collega-student van de Antillen, Luís de Lannoy, die in Tilburg woonde en daar deel uitmaakte van het studentenverzet. Ze schreven elkaar in het Papiaments op briefpapier met een portret van Willem van Oranje. Boy was gespierd en een man van actie. Hij hielp Luís bij de uitvoering van illegale plannen en stak Duitse vrachtauto’s in brand. Hij sloot zich aan bij de Oisterwijkse Raad van Verzet. Boy maakte fosforbommen en bestookte daarmee Duitse vrachtauto’s, maakte een spoorlijn onklaar en bood hulp aan geallieerde piloten. Toen Luís de Lannoy na verraad op 10 februari 1944 werd gearresteerd deed Boy een poging hem uit de Utrechtse strafgevangenis te bevrijden, hetgeen mislukte.

    Hans P. Gerritsen (Oisterwijk) vertelt dat hij eind mei, begin juni 1944 door de heren Linthorst, Brunnekreef en Van der Klei in de Raad van Verzet werd opgenomen. Daarvoor had hij in kamp Amersfoort gezeten en hij voelde zijn leven al als ‘afgeschreven’. Eenzelfde gevoel herkende hij bij Boy Ecury. Hij had niets meer te verliezen. Samen zaten zij enige dagen op de zolder van een boerenschuur nabij en in een hut achter boerderij 'De Rozep Hoeve'. Door zijn donkere uiterlijk viel Boy Ecury in Oisterwijk erg op. En het was voor verzetsmensen al gevaarlijk. Vanaf begin oktober 1944 trokken geallieerde troepen naar het gebied rond Tilburg. Na overleg met commandant 'Bim' van der Klei vertrok Ecury naar een duikadres in Tilburg. Hij maakte een zeer strijdlustige indruk. Op 26 oktober werd Oisterwijk door Schotse eenheden bevrijd. [Met dank aan de heer Gerritsen, februari 2008, december 2013].

    Boy Ecury bleef ondanks de kans op bevrijding niet in Brabant. Hij kwam in contact met de Knokploegen (KP) in Den Haag. Zij bereidden illegale acties voor in Rotterdam, daaronder een moordaanslag op een lid van de Nederlandse nazi-beweging (NSB). Op zondag 5 november 1944, nadat hij de hoogmis had bezocht, werd Boy Ecury in Rotterdam gearresteerd, vlak voor het gebouw van de Sicherheitsdienst (SD), verraden. Hij werd overgbracht naar de Scheveningse gevangenis en op 6 november geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte in Den Haag, de plek waar veel verzetsmensen werden doodgeschoten. In 1947 werd hij herbegraven op Aruba. In 1949 werd er een standbeeld voor hem opgericht. In 1984 werd Boy Ecury postuum het Nederlandse verzetsherdenkingskruis toegekend.



    Bron: Allochtonen van nu en de oorlog van toen p. 63-64
    Foto: www.onderscheidingen.nl


    Wat bezielde Boy Ecury om als jonge zwarte jongen in Nederland in het verzet te gaan?
    Zijn neef Ted Schouten: “We hebben de neiging naar de oorlog te kijken met de ogen van nu. Toen Boy in 1937 naar Nederland ging om te studeren, was dit land niet bepaald kleurrijk. Hij was een uitzondering, een bezienswaardigheid. De dekolonisatiegolf had nog niet plaatsgevonden. Op de Antillen waren nog geen status-aparte-behoeften. En Nederland had nog geen last van allochtone criminaliteit. Boy, die uit een rijke familie kwam, voelde zich in de eerste plaats Nederlander. Hij had een opstandig karakter. Geconfronteerd met schaarste, ellende, overheersing, discriminatie en geweld stelde hij zich agressief en zelfs provocerend op jegens de bezetter. Toen zijn beste vriend, Luis de Lannoy uit Curaçao, wegens verzetsactiviteiten werd opgepakt, sloot Boy zich aan bij een verzetsgroep in Oisterwijk. Hij hielp onderduikers in Tilburg, stak Duitse vrachtauto's in brand en liet treinen ontsporen. Hij werd verraden. De tijdgeest was anders, dat begrijp ik nu beter. Er komt ruimte voor een verhaal als dat van mijn oom.

    Hij was reeds vanaf het begin van de oorlog actief in het verzet. In 1942 moest hij Tilburg ontvluchten omdat het te gevaarlijk voor hem werd. Hij zwierf vervolgens in Oisterwijk, Delft en Rotterdam. Op 5 november 1944 werd hij te Rotterdam gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen en op 6 november 1944 werd hij op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.”

    Ted Schouten, half-Nederlands, half Arubaan (zijn moeder was een jonger zusje van Boy Ecury) maakte begin jaren tachtig een tv-documentaire (voor TeleAruba) over het leven van zijn oom, de Arubaanse verzetsheld in Nederland. En hij schreef een boek dat in 1985 in een beperkte oplage van 1500 exemplaren verscheen (zie onder).


    Op de L.G. Smith Boulevard staat een borstbeeld van Boy Ecury

    Aandacht op Aruba
    Wat bezielde een zwarte jongeman om in Nederland in de Tweede Wereldoorlog in het verzet te gaan? Vooral deze vraag inspireerde Schouten om een diepgravend onderzoek te doen. Hij vond een schat aan historisch materiaal in de kamferkist van zijn oma. Opa bleek een uitgebreid onderzoek gedaan te hebben naar de dood van zijn zoon. Had zelfs de namen en foto's van de Duitse soldaten achterhaald.
    Sinds november 1949 staat er een standbeeld van Boy Ecury aan de Lloyd G. Smith Boulevard in Oranjestad. Rond 4 mei werd de documentaire nog wel eens gedraaid op Aruba, maar verder werd er weinig aandacht besteed aan de lokale oorlogsheld. De Tweede Wereldoorlog leek ver weg. Ted Schouten, inmiddels verhuisd naar Nederland, werd vorig jaar (2000) gebeld door de Arubaanse regering. Zijn boek zal worden herdrukt.

    Museum, boek en film
    Boy Ecury neemt tegenwoordig een centrale plaats in in het nieuwe oorlogsmuseum waar op 20 april door Kroonprins Willem Alexander een gedenkplaat is onthuld. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei sprak van een 'ware revival van de Tweede Wereldoorlog op Aruba'.

    De permanente tentoonstelling in het nieuwe oorlogsmuseum in Oranjestad laat het een en ander over die geschiedenis zien. De expositie is ondergebracht in een voormalige bunker. Het leven van Boy Ecury krijgt ook breeduit aandacht.
    Schouten: "De voornaamste motivatie voor het museum is waarschijnlijk niet de opgeleefde belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog, maar veeleer het belang van de toeristenindustrie. Toerisme is de belangrijkste bron van inkomsten van Aruba.
    De regering wil haar gasten meer bieden dan alleen zon en palmenstranden. Dat maakt mij niets uit, als er maar aandacht is voor Boy's verhaal."

    Met medewerking van Ted Schouten is er een film gemaakt over het leven van Boy Ecury. De film heet ‘Boy Ecury’, werd opgenomen o.a. in de Beemster (N.H.) en is in 2003 uitgebracht. Regie: Frans Weisz. Scenario: Arthur Japin. Cast: Felix de Rooy, Steve Hooi, Johnny de Mol, Gaby Milder, Sylvia Poorta. De film werd in 2003 onderscheiden met een Gouden Kalf en won in 2004 een Amerikaanse Columbine Award als ‘best feature film’. (voor een samenvatting en foto's van de film zie verder)

    Bronnen



    Ted Schouten, ‘Boy Ecury, een Antilliaanse jongen in het verzet’ (ISBN 90-5730-242-X), Walburg Pers.
    Nationaal Comité 4 en 5 mei, Onno Kronenberg, 'Vrijheid geef je door'. 020-6209688, onno.kronenberg@natcom45.nl
    www.4en5mei.nl


    George John Lionel Maduro



    Foto: www.residentie.net

    Officier George John Lionel Maduro werd geboren in hoofdstad van de Nederlandse Kolonie Curaçao, Willemstad (15 juli 1916), als achterkleinzoon van de stichter van de invloedrijke joodse firma S.E.L. Maduro & Sons. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden, toen de Duitsers Nederland binnenvielen op 10 mei 1940. Zijn laatst bekende adres was Frederik Hendriklaan 111, Den Haag. Zijn beroep was op dat moment repetitor (www.joodsmonument.nl).
    Als reserveofficier (2e luitenant) der Huzaren werd hij ingezet in de regio Den Haag, onder meer bij de Oude Tolbrug aan de Vliet. Hij onderscheidde zich bij de aanval op Duitse parachutisten in de villa Leeuwenberg te Rijswijk.



    De omschrijving van de reden waarom hij postuum de Militaire Willemsorde ontving luidt:
    ‘Heeft zich in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden, door op 10 Mei 1940 als Commandant van een peloton jonge soldaten met veel beleid en op eigen initiatief de overmeestering te ontwerpen en voor te bereiden van de achter de Vliet bij RIJSWIJK door den vijand bezette villa "Leeuwenburg" (Dorrepaal). Met zeer veel moed aan het hoofd van twee groepen de onder vijandelijk mitrailleurvuur liggende brug over de Vliet overschreden, den aanval op het versterkte steunpunt (Villa "Leeuwenburg") persoonlijk geleid en bij den stormaanval als eerste binnengedrongen, het verzet aldaar gebroken en de bezetting krijgsgevangen gemaakt.’

    In maart 1942 verplichtte de Duitse bezetter alle reserve-officieren om zich te melden. Maduro deed dit niet en dook onder bij familie van een studievriend. Hij sloot zich aan bij het verzet en hielp geallieerde piloten via een zuidelijke route naar Spanje en Portugal te vluchten. Om zich in Londen te kunnen aanmelden voor de Nederlandse strijdkrachten ging hij zelf eind juni 1943 ook op weg naar Spanje. Door verraad viel hij aan de Belgisch-Franse grens (Charlesville) in de handen van de Duitsers en werd, als militair, geïnterneerd in Saarbrücken.
    In september 1942 diende de vader van George, Jossy M.L. Maduro, een verzoekschrift in bij koningin Wilhelmina. Hij vroeg om de uitwisseling van zijn zoon tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. Hetzelfde deed de vader van Ernst Cohen Henriquez. De regering ging er niet op in. Ruim een jaar later, in november 1944, werd George vanwege de geallieerde opmars naar het concentratiekamp Dachau gestuurd. Daar overleed hij op 9 februari 1945 aan vlektyfus.

    De Nederlandse militairen die vielen bij de slag om Den Haag kregen een standbeeld bij Sorgvliet. George Maduro kreeg een bijzonder monument. Ter nagedachtenis aan hem hebben zijn ouders, Jossy en Rebecca, met steun van het bedrijfsleven en een architect in 1952 Madurodam opgericht, waar de mooiste gebouwen van Nederland op schaal 1:25 zijn nagebouwd. Ook staat het geboortehuis van George in Madurodam. Het is in 1895 gebouwd in de Palladianistische stijl, een bouwstijl gekenmerkt door harmonie en eenvoud.



    Bij de ingang van Madurodam staat ook een apart gedenkteken ter nagedachtenis aan George Maduro, de enige Antilliaan aan wie Nederlands hoogste onderscheiding is toegekend, de Militaire Willemsorde.
    In 1991 hebben de Oud-Dachauers in Madurodam, tijdens de jaarlijkse reünie een bronzen gedenkplaat onthuld. De tekst op deze plaquette luidt:
    Ter nagedachtenis aan onze kampgenoot
    George J.L.Maduro R.M.W.O
    geboren 15 juli 1916 te Curaçao,
    omgekomen op 9 februari 1945
    in het concentratiekamp Dachau.

    Vriendenkring Oud-Dachauers.
    27 april 1991


    Foto: www.dachau.nl

    Op Curaçao, op een muur van de firma S.E.L. Maduro & Sons, is een bronzen plaquette aangebracht. Hierop staat de omschrijving van de reden waarom George postuum de Militaire Willemsorde heeft gekregen (zie boven). Ook is een zin uit de brief van Koningin Wilhelmina aan zijn ouders weergegeven: ‘met trots zal ik zijn daden blijven gedenken’.

    Bronnen:
    www.onderscheidingen.nl
    homepage.residentie.net
    weblog.donamaro.nl
    www.dachau.nl
    Allochtonen van nu en de oorlog van toen p. 62
    Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles. Cincinnati 1970 (p. 501, 1103)


    Andere namen

    Militairen


    Graf J.W. van den Belt (foto: www.ogs.nl)

    Jan Willem van den Belt, geboren te Willemstad, Curaçao, op 14 augustus 1913. Gesneuveld te Tarakan op 12 januari 1942. In die periode was dit eiland ten noordoosten van Borneo (Kalimantan) het toneel van gevechten tussen eenheden van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en de Japanse aanvallers. De olievelden van Tarakan leverden 6 miljoen vaten per jaar. Het was de eerste Japanse aanval op Nederlands Indië. Wikipedia vertelt het volgende. Op en rond het eiland waren 700 oliebronnen. Er was een raffinaderij en een vliegveld. De Japanse aanval was specifiek op de olievoorraden van Tarakan en het 700 kilometer zuidelijk gelegen Balikpapan gericht. De Nederlands-Indische troepen van Tarakan, rond 1300 manschappen, omvatte twee genie-pelotons. Jan Willem van den Belt was hier eerste luitenant en direct betrokken bij de vernietiging van de olie-installaties.

    Capitulatie
    Na felle tegenstand tegen een overmacht van rond 6.600 Japanse militairen, gaf het garnizoen zich op 12 januari over. In de dagen hiervoor was de onderzeeër K-X ontsnapt (zie www.dutchsubmarines.com; zie ook Jan Frederik Haayen*); de mijnenlegger Prins van Oranje werd getorpedeerd. W.J. Jongkind, boormeester in opleiding in Nederlands-Indië (1939-1942), en na de oorlog echtgenoot van een verpleegster die in Tarakan had gewerkt, vertelt over de verdediging van Tarakan het volgende:


    Brandende oliebronnen bij Tarakan (foto: www.voeks.nl)

    'Een voor het doel opgeleide vernielingsploeg trok de petroleumvelden in en vernietigde alle installaties. Een van de Nederlanders zei later: "Het gerucht van den strijd ging verloren in het geraas van den brand. De lucht was een en al rookwolk waar de vlammen doorheen schoten. Daar ging 't werk van 30 jaar. En commandant De Waal, die zijn best deed bij zijn menschen den moed erin te houden, riep uit: "Wie zou ooit hebben gedacht dat een arm officier op een enkelen avond 30 millioen gulden zou verdoen."" De Nederlanders bleven de Jappen op een afstand houden totdat het tweede deel van het verwoestingsplan kon worden voltooid. Dat was de verwoesting van de groote petroleumtanks die zoowat 100.000 ton petroleum bevatten. Ook hier werd de brand in gestoken. Het felle geraas der vlammen verdronk alle andere geluiden, verklaarde een getuige. "'t Was 'n ontzettend gezicht; de brandende olie stroomde zachtjes door de kanalen die we hadden gemaakt naar de kust. Alles in de omgeving verdween, de asfaltwegen, de huizen, de havenwerken - en de brandende olie stroomde 'n groot eind de zee in", zei hij. Twee etmalen na het tijdstip van de Japansche landing was het verwoestingswerk af en gaven commandant De Waal en zijn gehavende gelederen zich over. Er waren 40 vrouwen bij, de echtgenooten van Nederlandsche en Indonesische soldaten en verpleegsters. Zij hadden geweigerd Tarakan te verlaten toen het gevechtsgebied dreigde te worden omdat zij gewonden wilden verplegen. Na de overgave gave deze vrouwen uitdrukking aan haar grote blijdschap over het feit dat zij de mannen konden blijven opbeuren en verplegen in hun gevangenschap". (voeks.nl, Herinnering 30-6-2007). Shell-medewerker Jongkind, wist aan gevangenschap te ontkomen en kwam op 14 februari 1942 met een Amerikaanse vliegboot aan in Darwin, Australië.

    Rode Kruishelpers
    Anita ('Nita') van der Belt-Hoolboom (Soerabaja, 4 april 1918) was een van die vrouwen. Ze woonde al geruime tijd in Tarakan Ladang, en wilde de patiënten van het gemilitariseerde ziekenhuis als Rode Kruishelper blijven verzorgen. Het ging om het bedrijfsziekenhuis van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM). Samen met verpleegster Siti Rohana en andere vrouwen bij het Rode Kruis, zoals Mw. A. Colijn-van de Poll, Mw. M.E. Greter-Wolterbeek en zuster M.A. Bast-Strijbosch, gingen zij tijdens de beschietingen en bombardementen niet naar de schuilkelder maar bleven bij de patiënten.

    Ooggetuigen
    Militair staflid J.W. Beltman schreef voor zijn overste kapitein Reinderman een verslag van de gebeurtenissen in Tarakan. Daar noteert hij het volgende over het ziekenhuis: 'Tussen onze opstellingen en de vijand lag het hospitaal, vol gewonden, waarbij de zusters. Ook daar hadden zich droevige taferelen afgespeeld. Luitenant VAN DE BELD was gesneuveld en binnengedragen waar zijn echtgenote als zuster werkte (mobe.nl/tarakan).'
    Rode Kruishelper 1ste klasse (verpleegster) mevrouw Gesina (Gé) Bakker-Broerse van het Militaire Hospitaal in Tjimahi was daar bij. Zij was met 17 andere Rode Kruishelpers eind december 1941 van Bandoeng naar Tarakan overgevlogen en hield tijdens de hele periode van de Japanse bezetting een dagboek bij. Haar dochter Ineke maakte voor de site mobe.nl/Tarakan een uittreksel. In het stuk over de verovering van Tarakan schrijft Gesina:
    'Momenteel werk ik samen met Mw. (Nita) v.d. Belt, Lt. v.d. Belt zijn vrouw van de Genie, die gesneuveld is die onvergetelijke Zondagnacht 11 Jan. Ik zag hem 's Maandag morgens na de capitulatie (?) hier binnengedragen maar hij was al dood. Dwars door het hoofd geschoten. Nita zak hem ook binnenkomen maar bleef verstijfd staan toen ze zag dat hij het was en toen ze zag dat hij doorging naar het l(lijken?)huisje zeeg ze in elkaar. Ik kon haar niet opvangen want de baar ging tussen ons door. Zulke dingen zijn niet te beschrijven wat men dan gevoelt. Zoo kwamen ook Kapitein [M.J.] Bakker Tieffers en nog vele anderen binnen, soms onherkenbaar - en dan te weten dat dit maar ± 1/10 was van wat er nog in het veld lag. De dragers vertikten het om hen op te halen. Wij mochten er niet uit.' (mobe.nl/Tarakan)

    Represailles
    Als straf voor het feit dat luitenant-kolonel Simon de Waal had besloten de olie-installaties te vernietigen, en met name omdat twee legeronderdelen niet van de capitulatie op de hoogte konden zijn doorvochten, en twee Japanse mijnenvegers tot zinken brachten met 200 doden tot gevolg, werden op 19 januari de 215 manschappen van deze eenheden door het Japanse leger bruut vermoord. Twee al eerder krijgsgevangen gemaakte Nederlanders, kapitein Reinderhoff en Shell-medewerker Anton Colijn, hadden zich een dag eerder naar de raffinaderijen van Balikpapan laten sturen om verslag van de nederlaag te doen. Het was een list. Feitelijk betekende dit dat de installaties ook daar konden worden vernietigd.


    Borneo 1945 (foto: www.ibiblio.org)
    Brunei (pijl boven, Tarakan (midden), Balikpapan (onder)


    Vrouwen in kampen
    Na de slag om Tarakan werden de meeste vrouwen afgevoerd naar een kamp in de buurt van het ziekenhuis. Ook de groep van Gesina kwam daar op 8 maart terecht. Maar eerst werden die dag, ondanks collectieve weigering, de vijf jongste vrouwen samen met twee vrouwen die al in het kamp zaten, naar de Club van Japanse officieren gebracht. Gé, en misschien ook Nita van den Belt, bleef in het ziekenhuis werken. In de loop van juli-augustus werden de vrouwen rond Gesina naar de politiekampong Linkas vervoerd. Op 11 februari 1943 werd de groep krijgsgevangen verklaard en onder Japanse bewaking (‘kempetai’) gesteld. Eind 1943 gingen de Nederlandse vrouwen vandaar met een overvol schip naar Bandjermasin, ook op Borneo. Daar huisden ze samen met andere vrouwen die ter beschikking stonden van het Burger Bestuur, onder toezicht van de kempetai. Begin 1945 werden de vrouwen op lorries geladen en naar het kamp Kandangan getransporteerd. Daar waren de omstandigheden erg slecht. Ze hoorden er pas op 30 augustus dat Japan de oorlog had verloren. Gesina Bakker kwam die herfst via Balikpapan in een Australisch ziekenhuis terecht (Melbourne). Een jaar later was ze in Batavia/Djakarta. Waarschijnlijk heeft Anita van den Belt-Hoolboom een vergelijkbare oorlogsweg afgelegd. Tussen 28 december 1945 en augustus 1946 verbleef zij in een ziekenhuis in Melbourne (Australië).

    Onderscheidingen
    Vermoedelijk was Van den Belt als luitenant van de genietroepen in belangrijke mate verantwoordelijk voor de vernietiging van de installaties, en werd hij daarom door het hoofd geschoten. Van den Belt ontving postuum de onderscheiding Bronzen Leeuw. Dit een na hoogste militaire ereteken wordt verleend voor het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden. Jan Willen van den Belt ligt begraven op het grote ereveld in Leuwigajah bij Bandoeng (Java).
    Ook zijn vrouw, Nita, werd na de oorlog, samen met bovengenoemde vrouwen en de Chinese chauffeur Tan Seng Soe, vanwege heldhaftig gedrag voorgedragen voor het Nederlandse Kruis van Verdienste (Archirven Gouvernement NI). Het is echter onduidelijk of in deze chaotische tijden de onderscheiding ook aan haar is uitgereikt. Alleen voor Aaltje Colijn-van de Poll, wier man Anton een zoon was van de voormalige Nederlandse premier Colijn, staat dat vast.

    Bronnen:
    - www.onderscheidingen.nl
    - www.voeks.nl (oud-employés Koninklijke Olie en Shell)
    - www.geocities.ws/dutcheastindies/balikpapan_massacre.html
    - e-mails Peter Graham Row, juli 2014
    - www.flickr.com/photos/erfgoedinbeeld/4976714482 (Archirven Gouvernement van Nederlands-Indië)
    - nl.wikipedia.org/wiki/Anton_Colijn
    - www.pulkvision.nl/sites/default/files/tarakan/index.html
    - www.mobe.nl/tarakan/pdf/doc_beltman.pdf
    - www.mobe.nl/tarakan/slachtoffers/bakkerbroerse/
    - recordsearch.naa.gov.au/scripts



    Graf C.M. Debrot (foto: www.ogs.nl)

    Charles Marius Debrot, geboren te Curaçao op 17 maart 1920, sneuvelde op 10 mei 1940 bij de gevechten om het vliegveld Ockenburg te Loosduinen/Den Haag (zie voor deze gevechten ook Maduro). Hij was reserve sergeant van het Regiment Jagers (1-I), en werd na de oorlog herbegraven op het militaire ereveld de Grebbeberg bij Rhenen.

    Extra bron: vliegveld-ockenburg.net

    Mordechai ('Marco') Chaim Gandelman


    Marco Gandelman
    (Foto: familie Gandelman)

    Marco Gandelman
    (Foto: Herbert Markus)

    Marco Gandelman werd in 1919 geboren in Roemenië, in de stad (Noua) Sulita. Zijn ouders waren Haim en Ana Gandelman. Zijn jongere broer heette Moses (Morris), zijn zus Basia.

    Bukovina
    De plaats heet tegenwoordig Novoselitsa (ook geschreven als Novoslysya of Novoselytsia) en ligt in Oekraïne, in de provincie Chernivtsi op de grens met Roemenië. Tussen 1775 en 1918 behoorde de stad met de regio Bukovina tot het Habsburgse Rijk. Rond 1900 was 70% van de bevolking, vier duizend mensen, joods. Na de nederlaag van het Habsburgse Rijk in 1918 werd de regio aangesloten bij Roemenië. Joden werden niet meer als burgers gezien. Men beschouwde hen als Russen en bolsjewisten. Er was veel antisemitisme en het werd moeilijk om een redelijk inkomen te verdienen. In de jaren twintig verlieten inwoners die de middelen hadden Noua Sulita. Een aantal families zoch zijn heil in Zuid-Amerika. Daartoe behoorden de Gandelmans. Zij kwamen net als de Zonenschains, de Libmans en enige tientallen anderen op Curaçao terecht. Het eiland werd door veel tankers aangedaan.

    Curaçao
    Met uit Polen geëmigreerde families stichtten de Bukoviners een Askenazische gemeenschap op het eiland. Men noemde hen 'Polakos'. Deze kwam naast, en soms geholpen door de al eeuwen bestaande Sefardische gemeenschap, vrij snel tot bloei. Men opende in Willemstad eigen winkels, een eigen vereniging en, in de Bargestraat, een eigen sjoel. Ana Gandelman begon een kosjer eethuisje aan de familiewoning op de Columbusstraat, waar haar man met zijn jiddische boeken een bibliotheekje had.


    Joodsche HBS 1937 (deel foto). Nummer 4 is Marco Gandelman. (De nummers zijn digitaal aangebracht.) (Bron: Herbert Markus)

    Marco
    Haim en Ana Gandelman stuurden Marco en Morris naar de Hendrikschool, de school voor uitgebreid lager onderwijs (ULO) van het eiland. Morris schaakte er tijdens de godsdienstles met Sloima Zonenschain, een vriend nog uit Noua Sulita. De oudste zoon lieten ze naar Nederland gaan, naar de Joodsche HBS in Amsterdam. Marco komt voor op de schoolfoto van 1937, toen hij 17-18 jaar was en in de vierde of vijfde klas zat (nr. 4). Volgens de lijst met schoolgeldbetalingen woonde 'Mordhai' Gandelman bij mevr. S. Cohen-Brandon, Kastanjeplein 3. Zij was weduwe en had drie zoons en twee dochters. Ook Marco's klasgenoot Johann Benjamin Hiegentlich (schoolfoto nr. 6) huurde een kamer bij haar. Het adres van Marco's vader was Columbusstraat 20 in Willemstad.

    Yeshiva
    Volgens de familie bezocht Marco in 1939 een joods-religieuze opleiding, een ‘yeshiva’, in Amsterdam. Hij werd daarbij gesponsord door de sefardische synagoge in Willemstad. Vader Haim was in dat jaar overleden, als tweede uit de jonge Asjkenazische gemeenschap en begraven op de Sefardische dodenakker Beth Haim. De Yeshive was mogelijk het Portugees-Israelitische Seminarium Ets Haim, dat traditioneel ook yeshive heette.

    Krijgsgevangene
    Het Rode Kruis meldde in november 1945 dat Mordechai gevangen heeft gezeten in Duitsland, Stammlager VIII (nr. 46030), hetgeen betekent dat hij als militair in het Nederlandse leger heeft gediend. Dit Stammlager draagt de naam Cieszyn (Teschen) en ligt 30 km ten zuid-westen van Auschwitz, op de grens van Polen en Tsjechië. Volgens familieleden in Curaçao en Peru is Mordechai in dit krijgsgevangenenkamp omgekomen. Een Antilliaanse medegevangene, Isac Yohai, vertelde na de oorlog dat Mordechai daar aan typhus is bezweken. Van zijn huisgenoten op het Kastanjeplein overleefde alleen een zoon van de hospita, Samuel Cohen.

    Vervolg
    Moses Gandelman werd lid van de Curaçaose schaakvereniging. Hij trouwde met Fanya Becher. Basia huwde Sender Bitterman. Moses trad in 1984 toe tot het bestuur van de Sefardische synagoge of 'snoa', de Mikve Israel Emmanuel.

    Bronnen:
    - Isaac S. and Suzanne, A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles. Cincinnati 1970, p. 501
    - Mededelingen van Fanya Gandelman-Becher en Basia Bitterman-Gandelman (2005) en van Herbert Markus (november 2010) en van Samuel Cohen (januari 2011)
    - Jeannette van Ditzhuijzen, Een Sjtetl in de Tropen, De Asjkenazische gemeenschap op Curaçao. KIT Amsterdam (2010).


    Jan Frederik Haayen, geboren te Willemstad, Curaçao, op 3 april 1919, sneuvelde als Luitenant ter zee 2e klasse met de bijna voltallige bemanning van de onderzeeër O16 op 15 december 1941 in de Zuid-Chinese Zee. Het is niet bekend wanneer Haayen bemanningslid werd.

         
    Onderzeeër O16, de brug (foto: www.dutchsubmarines.com)

    Hare Majesteits O(nderzeeboot) 16 was een schip van Nederlandse makelij. Hij werd tussen eind 1933 en begin 1936 op de Scheldewerf in Vlissingen gebouwd en was de eerste die van staal werd gemaakt (zie wikipedia.org). In 1939 werd de O16 verbonden aan de Nederlands-Indische vloot. Hij vertrok op 24 april uit Den Helder en kwam op 5 juni aan. Vaste havens waren Tandong Priok en Soerabaja. In september 1940 begeleidde de onderzeeër, in een klein konvooi, de tanker Olivia naar Lourenço Marques (Mozambique) omdat er berichten waren over een Duitse jager in dat gebied. Eind 1941 werd de O16 samen met de K XVII en XVIII – de K stond voor Koloniën - ingedeeld bij de eerste divisie van het onderzeebootflottieltje, dat in totaal uit 15 werkzame schepen bestond. Het flottielje zou ondanks veel verliezen succesvol zijn (zie www.dutchsubmarines.com). Commandant van de eenheid en van de eerste divisie werd Luitenant ter zee 1e klasse A.J. Bussemaker. De O16 was zijn vlaggeschip. Thuishaven van de O16 zou Sambas op Borneo zijn, bij de grens met het Britse deel en tegenover Singapore.
    Op 1 december 1941 werden de eerste en tweede divisie van het flottielje onder Brits commando gesteld. De Japanse dreiging in de richting van de Nederlands-Indische oliebronnen (zie Van den Belt* op Tarakan) zou met Brits(-Indische) en Australische hulp worden afgeweerd. Singapore werd de thuisbasis. De O16 en de K XVII moesten patrouilles uitvoeren langs de oostkust van Malakka (momenteel Maleisië) in de Zuid-Chinese Zee. De eerste patrouille was op 6 december. Een dag later startte Japan de verrassingsaanval op Thailand, Malakka, Sjanghai, Hongkong en Singapore en vernietigde het tegelijkertijd de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour. De Nederlandse regering in ballingschap volgde de USA en verklaarde de oorlog aan Japan. Er was nu sprake van een directe oorlogspatrouille. De O16 en de andere Nederlandse onderzeeërs in Singapore kregen de opdracht de verwachte Japanse invasie in Malakka en Thailand te verstoren. Die was feitelijk op 8 december begonnen met bombardementen en troepenlandingen bij de Maleisische kuststad Khota Baru en de nabijgelegen Thaise havens Pattani en Songkla. De Britse kruisers Prince of Wales en Repulse werden op 10 december door Japanse bommenwerpers vernietigd. Ondanks het overweldigende succes van de Japanse Blitzkrieg wist de O16 op 10 december het troepentransportschip Ayatosan Maru (9788 ton) en/of de Sakura Maru (7170 ton) te beschadigen. De soldaten waren al op 8 december in Khota Baru geland. Twee dagen later viel de O16 een aantal Japanse schepen aan in de ondiepe baai van Pattani aan de oostkust van Thailand; ook zij waren al klaar met de troepenlanding. De Tosan Maru (8666 ton), Asosan Maru (8812 ton) en Kinka Maru (9306 ton) zonken gedeeltelijk. Ze zouden later worden gerepareerd. Cornelis de Wolf vertelde later:
    ‘Op 10 december namen we een Japans koopvaardijschip waar dat licht voerde op de achtersteven. Die stommiteit maakte het ons eenvoudig het schip naar de baai van Patani te volgen. Commandant Bussemaker besloot de baai in te gaan... Daar lagen vier Japanse schepen, in een halve kring. We schoten eerst op de boeg daarna op de achtersteven. We gebruikten zes torpedo’s die alle doel raakten. In de roos! De schepen zonken echter maar gedeeltelijk omdat de baai niet diep genoeg was, 8-10 meter... We wisten ongezien de baai te verlaten en zetten koers naar Singapore.’ (dutchsubmarines.com)
    Op 13 december keerde de O16 met nog één torpedo over terug. Twee dagen later liep de onderzeeër rond 2.30 uur bij het eiland Tioman op een Japanse mijn. De Japanners hadden op 7 december bij de ingang van de golf van Siam (nu Golf van Thailand) een linie aan zeemijnen uitgezet. Rond 21 december zou ook de K XVIII er met fatale gevolgen op lopen. De O16 viel bijna in twee stukken uiteen en zonk. 41 van de 42 opvarenden kwamen om. De meesten, onder wie Jan Frederik Haayen, overleden of verdronken onmiddellijk. Van vijf manschappen is iets meer bekend. Bootsknecht Cor de Wolf vertelt:


    Locatie wrak O16, 200 km boven Singapore (foto: www.dutchsubmarines.com)

    ‘Op zondag 14 december rond middernacht nam ik als roerganger de wacht op de brug over. We waren met z’n zessen. Allemaal hadden we onze ogen gericht op lichtstralen en flitsen verder weg. Daar vond blijkbaar een vuurgevecht plaats. Om 2 uur ’s morgens was net boven de horizon een zoeklicht te zien. De commandant veranderde van koers ... en ging recht op het licht af, ergens bij de eilanden aan de kust van Malaya. Het gebeurde rond 2.30 uur. Een donderslag slingerde me tegen de wand. Binnen een minuut verdween onze trouwe O16 onder de golven. Ik zag de commandant en een hoofdofficier proberen om het luik van de geschutkoepel dicht te krijgen, terwijl ik zelf wanhopig mijn best deed mijn jas los te trekken uit de rommel van de mijn waarin hij vast zat. De jas scheurde en ik kwam in het water terecht, alleen.’ Cor vindt vier nog levende maten met wie hij in de richting van het eiland Tioman zwemt: Luitenant ter zee 2e klasse Jeekel, machinist korporaal Bos en de matrozen Van Tol en Kruijdenhof. De een na de ander moet het opgeven en verdrinkt, tenslotte na 18 uur ook Bos. De Wolf houdt het vol en belandt na nog eens 20 uur zwemmen op een onbewoond eiland voor de kust. Een jongen met een bootje die toevallig langskomt redt hem. De dorpelingen helpen hem verder. Een aantal gaan met hem samen op de vlucht voor de Japanners en na een lange tocht door de jungle vindt hen een Australische verkenner, die Cor de Wolf naar Singapore brengt. De Japanse aanval dendert voort en Singapore valt op 15 februari 1942. Het onderzeebootflottielje blijft vanuit Java en later Australië actief.


    Plaquette op de marinebasis in Den Helder (foto: www.ogs.nl)

    Extra bronnen:
    www.unithistories.com/units_index/default.asp?file=../units_dutch/navy_gunboats.asp)
    www.dutchsubmarines.com/men/men_dodenherdenking_2003.htm
    www.wikipedia.org

    Carel Zacharias de Haseth (Curaçao, 1908-1979) haalde zijn stuurmansdiploma op de zeevaartschool en werkte op Curaçao als loods. Bij de mobilisatie in 1939 ging hij het Nederlandse leger in. Hij maakte de capitulatie mee en sloot zich daarna aan bij het verzet. De Haseth werd gearresteerd en naar een Pools kamp gedeporteerd. Het Russische leger bevrijdde hem.

    George R. Henar (Aruba/Suriname, 1902-1978). Majoor-machinist van de Koninklijke Marine aan boord van Hr. Ms. 'Flores'. Tijdens de meidagen van 1940 lag de Flores op de rede van Vlissingen. Zij ondersteunde op 14 mei de stelling in Zuid Beveland met artillerievuur. Op 17 mei 1940 wist de Flores (samen met de Van Meerlant) te ontsnappen naar Dover in Engeland. Tijdens de eerste jaren van de oorlog deed de Flores vooral konvooidiensten. De kanonneerboot escorteerde in totaal 3.070 schepen, waarvan 2.690 schepen langs de oostkust van Engeland. Op 4 juni 1943 vertrok de Flores naar de Middellandse Zee voor de Operatie Husky, de landingen op Sicilië. Hier voegde ze zich bij de Hr. Ms. Soemba. Beide schepen onderscheidden zich door koelbloedige beschietingen op allerlei doelen. De geallieerden noemden de twee kanonneerboten de 'Terrible Twins'. Na escortediensten verleende de marineschepen in januari 1944 ondersteuning aan de landingen bij Anzio en Formia. In maart keerden de schepen terugn naar Engeland om zich op te maken voor de invasie van Normandië. Intussen kreeg de bemanning op 9 maart 1944 in Londen uit handen van koningin Wilhelmina het Bronzen Kruis. Voor de Normadische invasie startte de Flores in de Gold-sector. Men schakelde een Duitse batterij bij Arromanches uit.


    Hare Majesteits Flores voor de Normandische kust (foto: www.strijdbewijs.nl)

    Van 12 tot 30 juni verleende de Flores steun in de Sword-sector. Op 7 augustus kwam het schip terug in Engeland, waar het tot 29 maart 1946 in Shadwell Basin werd opgelegd. Op 1 april 1946 kwam de Hr. Ms. Flores terug in Nederland. George Henar bleef bij de marine en diende als luitenant ter zee. Hij ontving ook het Oorlogsherinneringskruis.

    Extra bronnen: www.onderscheidingen.nl, www.wikipedia.org, www.strijdbewijs.nl

    Wilhelmus Siegfried van Meeteren uit Curaçao (1918), net als George Maduro militair in mei 1940, werd krijgsgevangen gemaakt. Na zijn vrijlating studeerde hij in Rotterdam aan de Economische Hogeschool. Om het gezin van zijn zuster, bij wie hij in huis woonde, niet in gevaar te brengen meldde hij zich voor de ‘Arbeitseinsatz’ en kwam via kamp Ommen terecht in Berlijn (vergelijk Hugo van Win, paragraaf homoseksuelen in oorlog en verzet). In de fabriek werkte hij samen met Polen, Russen, Italianen en Fransen. Hij deed onder meer dienst als tolk. Hij kreeg er een ander zicht op de kleur- en rassenwaan die ook op de Antillen heerste.

    Henny Veeris (Curaçao - Nederland mei 1940). Henny diende tijdens de inval van nazi-Duitsland in het Nederlandse leger. Hij sneuvelde.

    Cornelis Macarius [Cornelio Macario] de Windt (Willemstad, 1926). Zie: Een groep mariniers uit Suriname, Antillen en Nederlands-Indië, in het hoofdstuk Suriname.

    Zeevarenden koopvaardij, omgekomen tijdens WOII


    Monument koopvaardij 'De Boeg' (Bron: Pim Ligtvoet)

    Inleiding
    In totaal 62 zeelieden van de voormalige Nederlandse Antillen worden momenteel, augustus 2013, vermeld op de site van de Oorlogsgravenstichting. De namen komen op vier personen na overeen met de namen op de plaquette van de oorlogsmonumenten die op 4 mei 1957 op de zes eilanden werden onthuld.

    Plaquette oorlogsmonumenten
    De plaquette vermeldt 129 slachtoffers, van wie 64 zeelieden met Antilliaanse achtergrond. Hun namen staan hieronder in vet. Zes van hen staan momenteel niet vermeld bij de Oorlogsgravenstichting. Zeelieden met de Nederlandse nationaliteit of uit Suriname staan ook op de plaquette. De eersten worden hier niet verder besproken, de laatsten zijn op deze website opgenomen in de paragraaf over Surinaamse zeevarenden (Emnes, Maasdamme, Smiet en Stelk).

    M.R. Anthony, J.W. van den Belt, A.H.G. Bernabela*, H.P. Bernabela, L.E. Bernabela, J.P. Boekhoudt, U. Boom, F.L. Capello, M.Th. Charlouis, C.B. Cicilia, N.A. Clarinda, A.C.P. Coffi, J.C. Coffi, T.M. Constancia, J.S. Cornett*, J. Daanchi, Ch.M. Debrot, J.O. Dembrooke, P. Dijkhoff, G.L. Doran, J.L. Dortalina, J.W. Dunlock, S.J.R. Ecury, L.N. Emerenciana, G.L. Emnes, H.J.H. Forbes, L.H. Fridael, P.V. Goedgedrag, J.D. Goeloe, M.C.B. Gorsira-Gorsira, A.D. Granger, J.F. Haayen, J.A. Hart, T. Hartlief, M.C.B. de Haseth-Gorsira, A.C. ten Have, G. ten Have, K. ten Have, N. ten Have, G. Hecker, C. van der Hoeven, M.A. van der Hoeven, W.O. Hooker, A.G. Hommerson,
    M.B. Isijk, D.G. Janga, N.Th. Janga, E.J. Jansen, H.G. Jansen, K. de Jong, P. Joosse, A.M.W. Knevel, L. Kooyman, B.C. Kraal, J. Landenga, U. Landenga, E.E. Laveist, J.M. Layto, B.F. Leito, J. Lepelaars, L.W. Lepelaars, J. van der Linde, E.N. Linzey, H.L. Lodrigo, M.M. Lourens, D.K. Lynch, D.A.C. de Maagd, F.A. Maas, J.E.W. Maasdamme, G.J.L. (R.M.W.O.) Maduro, G.A. Manuela, R.C. Marchena, C.R. Martes, D. Martijn, H.B. Martijn, O.D. Martijn, Th.F. Martijn, A.B. Martina, P.A. Martina, H.N. Martis, E.A. Matrona, M.R. Matrona, J.A. Maxwell, C.A. van Mechelen, J.J. Mol, G.A.L. Muller, J.A. Statius-Muller*, W. Neeleman, A. Nijdam, A.J. de Palm, H. de Palm,
    F.M. Panneflek*, A.G. Pieter, J.S.R. Pietersz, D.H.P. Pourier, J.C. van Putten, Ch.B. Rafael, G.R. Richardson, J.B. Rosalina*, W.F. Rosaria, S. Rozeboom, A.H. Scheelbeek, L.B. Scherptong, S.M. Serberie, L.E. Smiet, C. Smit, E.A.J. Stelk, A.Th. Stoel, J.G. Thielman*, A.F. Thode, S. Thode, P.B. Tjie Tjie*, B. Tromp, J. Verhey, A.F. Verhoeks, J. Vogelenzang, J. de Vries, H. Wensing, M.G. Wensing-Hesseling, M.T.H. Wensing, J.V. Wessels, M.D.J. Wijngang, W.A. Winfield, A.C. Winklaar, C.A. Wilson, J. Wilson, A.D. Woods, en H.S. Woods.
    * andere schrijfwijze en/of tweemaal vermeld

    Antillesatwar.com
    De heer Jos Rozenburg, kapitein-luitenant van de Koninklijke Marine, deed recentelijk nieuw onderzoek in de Nationale Archieven van Aruba, Curaçao, Den Haag en Washington naar die slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog die een directe relatie hadden met de Antillen. De voorlopige resultaten - een boek is in voorbereiding - zijn gepubliceerd op de website www.antillesatwar.com. Hier zijn ook de zeevarenden met Nederlandse, Amerikaanse, Venezolaanse en andere nationaliteiten opgenomen. De site van Bevrijding Intercultureel richt zich op de slachtoffers met een Antilliaanse achtergrond en van hen worden door antillesatwar.com nog eens 20 namen genoemd die niet op de oorlogsmonumenten van de Antillen te vinden zijn. Dat brengt het totaal op 88. Met de vier personen van ogs.nl zijn er 24 slachtoffers die niet worden genoemd op de plaquette van 1957.

    Slachtoffers van en in de oorlog
    Antillesatwar.com onderscheidt tussen 'oorlogsslachtoffers' (gestorven wegens oorlogshandelingen) en 'andere slachtoffers' (gestorven of vermist tijdens de oorlogsperiode). De oorlogsmonumenten op de Antillen, de Oorlogsgravenstichting en het KNSM-monument houden meestal de laatste, bredere definitie aan. Dat doet deze website ook. Zowel de 7 nieuw gevonden 'oorlogsslachtoffers': R. Gordon, L.P. Hernandez, J.M. Josefa, M.M. Lourens, E.I. Maduro, C.A. Simmons, E.O. Winklaar als ook de 17 nieuw gevonden 'andere slachtoffers': D. Albertus, P.A. Bomba, J.S. Calmes, J.J. Curiel, Th.J.B. Curlingford, J.A. Evertsz, L.G. Italia, B.J. de Jesus, P.M. Martes, P.W.H. Martijn, F.M. Martis, F.G. Montanus, J.M.S. Raas, J. Rasmijn, F.A. Scharbaai, R.A. Schotborgh en Th. Wilson, worden op deze site vermeld en beschreven.

    Amerikanen en Chinezen
    Onder het totaal van 88 Antilliaanse zeevarenden, die in de oorlog van 1939-1945 door oorlogshandelingen omkwamen of tijdens hun dienst overleden, zijn drie Antilliaanse mannen in US-Amerikaanse dienst. Een van hen, P.V. Goedgedrag, staat op de plaquette van 1957. De andere twee zijn L.P. Hernandez en J.J. Curiel. Daarnaast worden hier twee Chinese slachtoffers genoemd, vanwege hun belangrijke positie in de Antilliaanse koopvaardij en de opstand van februari 1942 (zie Antillen in WO II). Het zijn Fa King en Yong Ah Chong. Van vrouwelijke slachtoffers is momenteel niets bekend.

    KNSM-monument
    30 Antilliaanse zeevarenden werkten op een schip van de Koninklijke Nederlandse Stoomvaart Maatschappij (KNSM): de Amazone, de Clio, de Crijnssen, de Hector, de Medea, de Notos, de Poseidon, de Pygmalion, de Socrates, de Triton en de Tiberius. 23 Zeelieden, allen van Aruba, Bonaire of Curaçao, komen voor op het KNSM-monument in Amsterdam. Hun namen zijn hieronder cursief weergegeven. Daarbij heet Ch.B. Rafael hier Ch.B. Martina, en R.A. Schotborgh heet R.A. Merced. Zeven andere KNSM-ers zijn niet opgenomen op het KNSM-monument. Het zijn U. Boom, B.J. de Jesus, J.M. Josefa, F.G. Montanus, S. Thodé en E.O. Winklaar. Hun namen zijn cursief en onderstreept weergegeven.

    Zeevarenden per eiland
    Per eiland ontstaat het volgende beeld van de oorlogsslachtoffers onder de Antilliaanse zeevarenden: 4 omgekomen zeelieden uit Aruba (1 KNSM), 33 uit Bonaire (7), 31 uit Curaçao (16), 14 uit Saba, 3 van St. Eustatius en 3 uit St. Maarten. De informatie stamt uit augustus 2013.

    Aruba Dijkhoff, Rasmijn, Tromp, Verhoeks
    Bonaire Bernabela H.P., Boekhoudt, Bomba, Cicilia, Clarinda, Coffi A., Coffi J., Emerenciana, Evertsz, Goedgedrag, Goeloe, Hart, Janga D.G., Josefa, Marchena R.C., Martes P.M., Martijn D., Martijn H., Martijn O., Martijn T., Martis F.M., Martis H.N., Palm A. de, Palm H. de, Pieter, Rosaria, Scherptong, Serberie, Thielman, Thodé A.F., Thodé S., Tjietjie, Winklaar A.
    Curaçao Albertus, Boom (geb. Venezuela), Calmes, Capello, Constancia, Curiel, Daanchi, Doran, Hecker, Hernandez, Isijk, Italia, Jansen, Jesus, de, Kraal, Leito, Lourens, Maduro, Manuela, Martijn P., Montanus, Muller, Pannelek, Pietersz, Pourier, Raas, Rafael, Rosalina, Scharbaai, Schotborgh, Winklaar E.
    Saba Cornet, Dunlock, Gordon, Granger, Linzey, Lynch, Maxwell, Wilson C., Wilson J., Wilson Th., Winfield, Woods A., Woods H.
    St. Eustatius Dembrooke, Hooker, Putten van
    St. Maarten Curlingford, Laveist, Richardson.

    Bronnen:
    - website Oorlogsgravenstichting, www.ogs.nl
    - website 4-5 mei, www.4en5mei.nl
    - website www.antillesatwar.com/warvictims.php (Jos Rozenburg en Nationaal Archief Willemstad)
    - Amigoe, weekendbijlage 18-2-2012 ('Herdenking 70 jaar Curaçao in oorlog', Jos Rozenburg)
    - website www.erelijst.nl (Tweede Kamer, NIOD)
    - website www.wrecksite.eu
    - website www.uboat.net. De basis van deze site lijken de logboeken van de nazi-Duitse onderzeeërs te zijn. Deze worden helaas niet als agressors aangeduid.


    Namen
    1. D. Albertus
      Doemingoe Albertus (Curaçao, 23-11-1903) was scheepskok bij de KNSM. Hij overleed op 20 december 1941 op de East River in New York (USA). D. Albertus werd begraven op het St. Johns Cemetery, Queens, New York.
      Doemingoe’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen, maar wordt vermeld op de Erelijst van de Gevallenen 1940-1945 van de Tweede Kamer (NIOD) en op de site van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

      * H.G. Bernabela (Thielman)
      Herman (roepnaam: José) Geronimo Bernabela is dezelfde persoon als Herman (José) Geronimo Thielman (zie daar). Onderzoek door Jos Rozenburg van Antillesatwar.com bracht dit aan het licht. Mogelijk is hij een verwant van H.P en L.E. Bernabela (zie onder en bij J. Boekhoudt).
      De naam H.G. Bernabela komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Onder de naam J.G. Thielman komt hij nog een keer voor. Op de transcriptie van de plaquette door de site 4en5mei.nl heet hij vanwege een leesfout A.H.G. Bernabela.

    2. * H.P. Bernabela

      ss Amazone (Bron: www.arendnet.nl)

      Humiliano Paulino Bernabela (Bonaire, 22-6-1922) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Amazone en het jongste bemanningslid. Humiliano is mogelijk een verwant van H.G. en L.E. Bernabela (zie hierboven bij J. Boekhoudt). Hij overleed na torpedering op 6 mei 1942 evenals nog negen Antillianen. Allen hebben een zeemansgraf.

      Aanval
      De Amazone (1922, 1300 ton) onder kapitein J.P. Giltay was eind april 1942 met een lading van voornamelijk koffie en olie van Curaçao onderweg gegaan naar New York. Er waren 25 personeelsleden aan boord, onder wie één bewapende marinier. De reis ging via Haïti (29 april) naar Key West. Op 6 mei 1942, 9.35 uur, langs de kust van Florida ter hoogte van St. Lucie, werd het schip aan bakboordzijde getroffen door een torpedo. De aanval kwam van de Duitse onderzeeër U-333. De Amazone zonk binnen twee minuten.

      Slachtoffers
      11 mensen werden opgepikt door de Amerikaanse onderzeebootjager PC-484 en naar Miami gebracht. De 14 anderen, onder wie Humiliano Bernabela, verdronken. Negen van hen waren Antilliaan, drie Surinamer (zie de betreffende paragraaf). Nog twee andere slachtoffers kwamen uit Bonaire: A.C.P. Coffi (stoker) en A.I. Winklaar (stoker). Zeven overledenen waren afkomstig uit Curaçao: U. Boom (timmerman), F.L Capello (matroos), G.L. Doran (bediende), M.M. Lourens (olieman), G.A. Manuela (bediende) en D.H. Pourier (bootsman). Daarnaast kwamen de Zwitserse kapitein J.P. Giltay en de Nederlandse marinier Jan Kip (Dordrecht) om het leven.

      Op 31 juli 1944 werd de U-333 door twee Britse schepen bij de Scilly eilanden tot zinken gebracht. Geen van de bemanningsleden (45) overleefde.

      Humiliano’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    3. J.P. Boekhoudt
      José Pilatus Boekhoudt (Bonaire,12-10-1900) was kapitein van het zeilschip Irene. Op 25 februari 1944 had hij bij de Caracasbaai, Curaçao, een aanvaring met de tanker Rosaura (CSM). Hierbij kwamen zowel hij als twee passagiers om het leven. Allen hebben een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.E. Bernabela.

      José’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    4. P.A. Bomba

      ss Casandra (Bron: www.uboat.net - Foto: Wivonet)

      Pedro Alusander Bomba (Bonaire, 9-9-1910) was matroos op de CSM-tanker ss Casandra (1924, 2700 ton). De tanker voer vooral tussen Curaçao en het meer van Maracaibo in Venezuela. Pedro werd op 18 maart 1942 op zee bij Maracaibo (Venezuela) vermist en heeft een zeemansgraf.

      De tanker zou later, op 21 juni 1944, ten oosten van Willemstad zwaar worden beschadigd door een torpedo van de Duitse onderzeeër U-539. De Casandra zonk niet en wist met zijn boordkanon de aanvaller ook te raken, die daarop het gevecht stopte (Dit laatste wordt niet vermeld door de website uboat.net).

      Pedro’s naam ontbreekt op de monumenten, maar wordt genoemd op de site van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

      Extra bron: www.hetscheepvaartmuseum.nl

    5. U. Boom
      Ulyses Boom (Trujillo in de Dominicaanse Republiek, 12-2-1907) was scheepstimmerman op het KNSM-vrachtschip s.s. Amazone. Zijn moeder was Dominicaanse, zijn vader Curaçaoënaar. Hij overleed na torpedering op 6 mei 1942, evenals nog negen Antillianen. Allen hebben een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Ulyses' naam komt niet voor op het KNSM-monument, maar wel op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Op de site van uboat.net wordt 'Ulises' Boom bij vergissing Venezolaan genoemd.

    6. J.S. Calmes
      Jozef Supriano Calmes (Curaçao, 19-9-1898) was havenmedewerker van de CSM-tanker Ramona (1935). Hij overleed op 16 januari 1943 op Curaçao. Hij werd op een niet bekende plek op het eiland begraven.

      Jozefs naam ontbreekt op de monumenten, maar wordt genoemd op de site van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    7. F.L. Capello
      Francito Leoncito Capello (Curacao, 3-10-1900) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Amazone, als jongste bemanningslid. Hij overleed na torpedering op 6 mei 1942, evenals nog negen Antillianen. Allen hebben een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Francito’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    8. C.B. Cicilia

      De Britse tanker ss Punta Gorda (Bron: wrecksite.eu)

      Claudio Benedicto Cicilia (Bonaire, 30-10-1928) was leerling-bediende op de Britse tanker Punta Gorda en de jongste van de zeven Antilliaanse slachtoffers. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944. Allen hebben een zeemansgraf.

      Aanvaring
      De Punta Gorda (1928, Lago Shipping-Esso, 2400 ton) was met ruwe olie onderweg van het Maracaibomeer in Venezuela naar Aruba. Op 18 september 1944, vijf mijl van kaap San Roman (Ven.), vond een botsing plaats met de vier maal grotere Belgische tanker Ampetco II, op weg vanuit Willemstad. De Ampetco II voer vanwege de oorlog zonder licht. De Punta Gorda vatte vlam, explodeerde, brak in twee stukken en zonk.

      Slachtoffers
      Cicilia was een van de twintig bemanningsleden die om het leven kwam. Onder hen waren nog twee mannen uit Bonaire: D. Martijn (kwartiermeester) en H. de Palm (stoker), evenals drie uit Saba: J.A. Maxwell (matroos), A.D. Woods (kwartiermeester) en H.S. Woods (kwartiermeester); een van de overledenen kwam van Sint Maarten: G.R. Richardson (stoker)– zie verder hieronder. Vijf bemanningsleden overleefden. Kort erna explodeerde ook de Ampetco. Hier stierven 33 van de 48 bemanningsleden.

      Claudio’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    9. N.A. Clarinda

      ss Poseidon (Bron: www.uboat.net - Foto: Maritiem Museum)

      Nicolaas Arteno Clarinda (Bonaire, 9-2-1917) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon (1921, 1900 ton). Evenals de 30 andere bemanningsleden, van wie zeven Antilliaan, verdronk hij na een Duitse torpedotreffer in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 28 mei 1942. Allen hebben een zeemansgraf. Over het schip en de aanval is veel bekend.

      Bemanning
      De Poseidon voer eind mei 1942 onder de van oorsprong Terschellingse kapitein Willem Klijn (1893) met een lading bauxiet van Trinidad naar New York. De Poseidon had geen escorte. In de ochtend van 28 mei waren ze ruim 250 km. noordelijk van Barbados. Bootsman Arend Bakker (Terschelling, 1881) werkte sinds 1929 op de Poseidon. Hij was al met pensioen, en zou vanuit New York naar Paramaribo gaan om het daar het eind van de oorlog af te wachten. Er waren naast deze twee nog vijftien Nederlandse ‘burgers’ aan boord, de meesten in de hogere rangen: stuurman, machinist, marconist of hofmeester. Er was bovendien een kanonnier van de Marine bij, de jonge Cornelis Langerhorst uit Baarn. Het schip telde daarnaast 12 Nederlandse en 2 Engelse ‘onderdanen’. De Nederlandse waren afkomstig uit Bonaire (4), Curaçao (3), Suriname (5). In totaal 32 personen.

      Aanval
      Op 28 mei 1942 rond 5 uur ’s morgens werd het schip aangevallen door de Duitse onderzeeër U-155, maar de torpedo’s misten. Om half zes ondernam de Leutnant-Kapitän een tweede aanval. De kanonnier kon niets uitrichten. De Poseidon werd bij de mast geraakt. Kort hierop explodeerde de ketel en begon het schip bij de achtersteven te zinken.

      Slachtoffers
      Alle bemanningsleden kwamen om het leven. Onder hen was Nicolaas Arteno Clarinda. Andere Bonairiaanse slachtoffers zijn D.G. Janga (matroos), J.M. Josefa (bediende) en A.F. Thodé (matroos); uit Curaçao kwamen om het leven J. Daanchi (matroos), E.J. Jansen (kok), Charles B. Rafael (koksmaat) en B.J. Rosalina (bediende); voor allen zie onder.

      Voor de Surinaamse overledenen zie het hoofdstuk Suriname.

      De U-155 gaf zich op 5 mei 1945 over in Denemarken (bij Frederica).

      Nicolaas’ naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      Extra bronnen:
      - De torpedering van het SS Poseidon in mei 1942. Ingezonden door Ane Starrenburg, bewerkt door Anton Luijendijk (in: De Kroonvaarders KNSM, 29e jaargang, 2013 nr. 2 p. 32-37)
      - Wal, Johan van der. 'We vieren het pas als iedereen terug is': Terschelling in de Tweede Wereldoorlog (2007) Bijlage 1. http://dissertations.ub.rug.nl
      - www.kroonvaarders.nl/oorlog/poseidon.html (bemanningslijst KNSM).


    10. A.C.P. Coffi
      Antonio Clemente Papa Coffi (Bonaire, 23-11-1910) was stoker, ‘olieman’, op het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij overleed na torpedering op 6 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Mogelijk is hij familie van J.C. Coffi (zie hieronder). Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Antonio’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    11. J.C. Coffi

      ss Crijnssen (Bron: Flickr - Stichting Surinaams Museum - Foto: Augusta Curiel)

      Juan Cacio Coffi (Bonaire, 20-10-1916) was matroos op het KNSM passagiersschip ss Crijnssen dat 93 personen aan boord had. Hij kwam na torpedering op 11 juni 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Mogelijk is hij familie van A.C.P. Coffi (zie hierboven). De Crijnssen (1919, 4300 ton), die onder de naam Prins Maurits werd gebouwd, was op weg van Demerara (Brits Guyana) via Curaçao naar New Orleans. Op 7 juni 1942 vertrok het uit Willemstad, onder kapitein W. van der Giessen. Er waren nog twee ex-kapiteins aan boord, een Noor en een Amerikaan. Dat had een reden.

      Overlevenden ss Lise
      Van der Giessen had naast de eigen 71 opvarenden 10 overlevenden opgenomen van de Noorse motortanker Lise. Deze vervoerde ballast van Southampton naar Curaçao maar werd op 12 mei, 250 km boven het einddoel, getorpedeerd door de Duitse onderzeeër U-69. Daarna vuurde de onderzeeboot granaten af, waardoor twaalf zeelui van de Lise werden gedood. De overige 21 Noren ontkwamen met een reddingsboot, een kleine sloep en een vlot. De drenkelingen van de reddingsboot kwamen terecht in Colombia, de 10 anderen, mede dankzij Nederlandse hulp, op verschillende manieren in Curaçao. Onder hen was de kapitein. Hij besloot zich met zijn mede-geredden voor repatriëring via de VS in te schepen op de ss Crijnssen.

      Overlevenden ss Sylvan Arrow
      Daarnaast waren de kapitein en elf bemanningsleden van de Amerikaans-Panamese olietanker Sylvan Arrow aan boord. Op weg van Curaçao naar Kaapstad was de olietanker op 20 mei, 100 km onder Grenada, in brand geschoten door de U-155. Een van de 44 opvarenden verdronk, de anderen overleefden en kwamen met Amerikaanse hulp in Trinidad terecht. Vandaar ging een aantal van hen terug om de tanker te redden, maar tevergeefs. Zij werden vervolgens terug naar Curaçao gebracht.

      Aanval en slachtoffer
      Op 11 juni voer de Crijnssen, met aan boord de tien overlevenden van de Lise en twaalf van de Sylvan Arrow, zonder escorte in de straat van Yucatan, tussen Cuba en Guatemala. Daar werd het schip om 2.10 uur ’s morgens getroffen door twee torpedo’s. Ze werden afgevuurd door de Duitse onderzeeër U-504. Een van de twee was een voltreffer. Matroos Juan Cacio Coffi kwam daarbij, als enige, om het leven.

      Overlevenden
      Van de overige 92 opvarenden bereikten er 43 in reddingsboten de kust van Yucatan, Mexico. Vandaar werden ze overgevlogen naar Texas. Onder hen waren de kapitein en zes man van de Sylvan Arrow, en een bemanningslid van de Lise. De 49 anderen, onder hen de veertien resterende overlevenden van de Lise en de Sylvan Arrow, werden opgepikt door het Amerikaanse koopvaardijschip Lebore dat met steenkool van Virginia op weg was Chili. De Lebore werd op 17 juni 400 km uit de kust van Nicaragua langdurig aangevallen door de U-172, waarna het schip zonk. Alle opvarenden, op de assistent-machinist van de Lebore na, konden mede door Amerikaanse hulp gered worden en werden afgezet in Cristobal, Panama.

      De U-504 zonk op 30 juli 1943 ten noordwesten van Cape Ortegal, Spanje, na aanvallen door vier Britse oorlogsschepen. Alle 53 bemanningsleden stierven.

      Juans naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      N.B.: www.ogs.nl geeft als overlijdensdatum 10 juni 1942.

    12. T.M. Constancia

      ss Medea (Bron: www.wrecksite.eu)

      Tito Martir Constancia (Curaçao, 4-1-1895) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Medea (1916, 1300 ton). Hij overleed na torpedering op 13 augustus 1942, evenals twee eilandgenoten. Allen hebben een zeemansgraf. Een vierde Curaçaoënaar kwam zwaargewond aan land en werd op Cuba begraven.

      Het schip, 28 bemanningsleden en geladen met onder meer 220 kisten dynamiet, was op 24 juli 1942 vertrokken uit New York en via Key West op weg naar Venezuela en Curaçao. Het voer in konvooi, WAT-13.

      Aanval
      In de vroege ochtend van 13 augustus (5.07h) viel een Duitse duikboot het konvooi aan. Men was ter hoogte van Guantanamo (Cuba). Eerst vuurde de U-658 twee salvo’s van twee torpedo’s op het konvooi af, daarna één torpedo vanuit de achtersteven. Drie uur later, 8.05h, viel de duikboot opnieuw aan. De Duitse kapitein dacht twee schepen te hebben geraakt, maar alleen de Medea was getroffen, al direct om 5 uur. De torpedo kwam binnen aan bakboord en veroorzaakte een grote brand. De machines vielen uit en het stoomschip zonk binnen 5 minuten.

      Slachtoffers
      Het US-Amerikaanse escorteschip pikte 24 mannen op en bracht hen naar Guantanamo. Een van hen overleed daar aan zijn verwondingen, de Curaçaoënaar B. C. Kraal (stoker). Naast Tito Martir stierven op zee ook B.F. Leito (matroos) en J.S.R. Pietersz (stoker) uit Curaçao (zie onder), en een stoker uit Paramaribo (zie Suriname) vanwege de explosie, de brand of het zinken van de Medea.

      De U-658 zonk op 30 oktober 1942 ten oosten van Newfoundland, na aanvallen van een Canadees vliegtuig. Alle 48 bemanningsleden stierven.

      Tito’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    13. J.S. Cornet

      De Britse tanker ss Pedernales (Bron: www.uboat.net - Foto: Fulvio Petronio)

      James Stewart Cornet (Saba, 29-8-1904) was matroos op de Britse olietanker Pedernales (1938, 4300 ton, Lago Shipping, Esso – in 1958 van Ommeren, hernoemd tot Katendrecht). Hij kwam op 16 februari 1942 na torpedering om het leven en heeft een zeemansgraf. Hetzelfde geldt voor nog vier Antillianen en drie andere bemanningsleden.

      Aanval
      De Duitse operatie Neuland zette in 1942 zes Duitse en twee Italiaanse onderzeeërs in om de geallieerde aanvoer van Venezolaanse olie te ondermijnen. De eerste aanval gold de Lago-raffinaderij van Esso en de Arend-raffinaderij van Shell, aan de Nicolaashaven op Aruba. Vanaf 13 februari had de langeafstands-onderzeeër U-156, voorzien van zes torpedo’s en twee dekmitrailleurs, de omgeving van de installaties verkend. Op 16 februari om 01.31 en 01.33 uur (uboat.net houdt het op 7 uur later) schoot hij torpedo’s af op achtereenvolgens de Pedernales en de collega-tanker Oranjestad. Geladen met ruwe olie lagen ze in de haven van de Lago-raffinaderij. Tien minuten later schoot de U-156 met zijn dekkanon granaten af op de olie-installaties zelf. Die richtten weinig schade aan, terwijl vanwege een explosie in het geschut twee Duitsers zwaar werden verwond, met een dode als gevolg.

      Slachtoffers
      De Pedernales had meer verliezen. De tanker was door een van de Duitse torpedo’s midscheeps getroffen en brandde de hele dag, zonder te zinken. Het schip kon later weer hersteld worden. Maar door de explosie en de brand raakte kapitein H. McCall gewond en verloren acht van de 26 bemanningsleden het leven. Onder hen was James Stewart Cornet van Saba. Nog vier andere Antillianen hoorden bij de dodelijke slachtoffers: W.F. Rosario van Bonaire (matroos), M.B. Isjik uit Curaçao (bootsman), en J.O. Dembrooke (matroos) en W.O. Hooker (stoker) van St. Eustatius– zie hieronder. Op de eveneens midscheeps geraakte Oranjestad verloren zestien van de 25 bemanningsleden het leven.

      De U-156 werd op 8 maart 1943, in de oceaan tussen Barbados en Suriname, door een Amerikaanse Catalina tot zinken gebracht. Alle 53 bemanningsleden stierven.
      James’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. De schrijfwijze is hier Cornett.

      Extra bronnen:
      - http://en.wikipedia.org/wiki/Attack_on_Aruba
      - http://www.lago-colony.com/AMERICANS_IN_ARUBA/COAST%20ARTILLERY%20COMMAND.htm (William C. Gaines)
      - www.seawingsnv.com - Antillean Navigator Nummer 56, deel 1 en 2, by Adolf (Dufi) Kock (herfst 2012)


    14. J.J. Curiel

      Het US-vrachtschip ss Texan (Bron: www.uboat.net - Foto: US Naval Historical Center)

      Johannes Jozef Curiel (Curaçao, 6-3-1895) werkte als steward (‘messman’) op het US Amerikaanse vrachtschip ss Texan (1902, 7000 ton, American-Hawaiian St. Soc. NY). In de Eerste Wereldoorlog was het schip gevorderd voor troepentransport. Daarna keerde het terug naar de koopvaardij. Johannes verloor zijn leven na torpedering op 11 maart 1942. Evenals de andere acht bemanningsleden die omkwamen, drie officieren en nog vijf manschappen, heeft Johannes Jozef Curiel een zeemansgraf.

      Aanval
      De Texan was met reguliere vracht en 47 opvarenden van New York onderweg naar Rio de Janeiro, via Port of Spain (Trinidad). In de nacht van 12 maart 1942 was het schip ter hoogte van Nuevitas (Cuba), 200 km. ten zuiden van de Bahama’s. De Duitse onderzeeër U-126 viel het schip om 2.34 uur aan en trof het met een torpedo. Daarna vuurde de aanvaller met zijn boordgeschut om de radiohut van de Texan uit te schakelen. Dat mislukte, maar binnen een kwartier begon het schip te zinken.

      Slachtoffers
      Tien officieren en 37 bemanningsleden wisten de Texan nog met reddingsboten te verlaten. Hierna kapseisde het schip waarbij drie officieren en zes manschappen verdronken, onder hen Johannes. De volgende ochtend vond de Cubaanse vissersboot Yoyo de drenkelingen. Deze zeelieden overleefden.

      De U-126 werd op 3 juli 1943 ca. 600 km. noordwestelijk van Extremadura (Spanje) door een Britse oorlogsvlieger tot zinken gebracht. Alle 55 opvarenden stierven.

      Johannes’ naam ontbreekt op de monumenten, maar wordt genoemd in de lijst van Antillesatwar.com (‘Other victims’). Johannes had was in US-dienst. Hij kreeg postuum een onderscheiding voor zeelieden van de koopvaardij, de US Mariner’s Medal.

      Extra bron: http://en.wikipedia.org/wiki/USS_Texan_(ID-1354)

    15. Th.J.B. Curlingford
      Thomas James Benjamin Curlingford (St. Maarten, 23-9-1887) was ‘pumpman’ op de Lago-tanker San Carlos. Hij overleed op 11 mei 1942 in Aruba, waar hij in St. Nicolaas op een niet bekend kerkhof werd begraven.

      Thomas’ naam wordt genoemd op de site van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    16. J. Daanchi
      Juan Daanchi (Curaçao) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij verdronk na torpedering op 28 mei 1942. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Juans naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    17. J.O. Dembrooke
      John Otavo Dembrooke (Sint Eustatius, 20-1-1913) was matroos op de Britse olietanker Pedernales. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J.S. Cornet.

      Johns naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    18. P. Dijkhoff
      Pedrito Dijkhoff (Aruba, 5-12-1902) was matroos op de Nicaraguaanse schoener Gaviota, een zeilschip. Hij is na beschieting overleden rond 2 juni 1942, en heeft een zeemansgraf. Dit geldt ook voor de twee andere Arubanen, B. Tromp (kok) en A.F. Verhoeks (gezagvoerder) en Dominicanen aan boord.

      Bestemming en bemanning
      De voedselvoorziening van de eilanden werd in mei 1942 precair. In die maand werden liefst zes KNSM-vrachtschepen door Duitse onderzeeërs getorpedeerd: de Amazone (6 mei), de Fauna (18 mei), de Hector (24 mei), de Triton (28 mei) en de Poseidon (ook 28 mei). De Dominicaanse Republiek was de grootste voedselleverancier voor Aruba en Curaçao, maar ook haar vrachtschepen werden aangevallen. Op 3 mei werd de San Rafael en op 21 mei de Presidente Trujillo tot zinken gebracht. Zeilschepen leken een alternatief te zijn. Op 2 juni vertrok de Gaviota uit de haven van Oranjestad richting Dominicaanse Republiek; een dag later zou een tweede zeilschip volgen, de Sally. Naast de drie genoemde Arubanen waren de twee Dominicanen Jose Mercedes Del Rosario en Raul Ernesto Tejeda aan boord. Maar de Gaviota werd al gauw na zijn vertrek vermist.

      Aanval
      Een schrijven op 15 juni van de Arubaanse luitenant-gouverneuraan de havenmeester van Curaçao constateert dat de schoener bij Puerto Rico tot zinken was gebracht door een onderzeeër. Vermoedelijk werd eerst de lading fruit, groenten en andere levensmiddelen overgeladen. De Duitse U-502 is een mogelijke dader. Mocht dat kloppen dan was het dezelfde die de ss Tia Juana aanviel op 16 februari, de dag met de meeste Antilliaanse verliezen (zie J.W. Dunlock).

      Deze onderzeeër zonk op 6 juli 1942 in de Golf van Biskaje door aanvallen van een Brits oorlogsvliegtuig. Alle 52 bemanningsleden stierven.

      Pedrito’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      Extra bron: Adolf (Dufi) Kock (herfst 2012) Aruba remembers World War II. In: www.seawingsnv.com/images/antilleannavigator56-deel1.pdf. Vervolg in deel2.pdf

    19. G.L. Doran
      Gumercindo Leoncio Doran (Curacao, 13-1-1923) was bediende op op het KNSM-vrachtschip ss Amazone, als een na jongste bemanningslid. Hij overleed na torpedering op 6 mei 1942. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Gumercindo’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    20. J.W. Dunlock
      John William Dunlock (Saba, 3-2-1905) was kwartiermeester op de Britse olietanker Tia Juana (1928, 2400 ton, Lago Shipping-Esso). Hij kwam op 16 februari 1942 na torpedering om het leven en heeft een zeemansgraf. Dat geldt voor nog zestien van de 26 bemanningsleden. Zeven van hen waren Antilliaan. Het was een zwarte dag.

      Aanval
      Bij de actie Neuland, die vroeg op 16 februari begon, waren vijf Duitse en twee Italiaanse onderzeeërs betrokken. Twee van hen richtten zich op de oliehavens en raffinaderijen van Aruba en Curaçao. In Aruba vielen 24 slachtoffers, zestien van hen Antilliaan. De overige duikboten zochten hun doelen op de transportlijn tussen het olierijke Venezolaanse meer van Maracaibo en de twee eilanden. Hier was alleen de U-502 succesvol. De onderzeeër vuurde om 9.44 uur torpedo’s af op de zonder escorte varende Tia Juana. Gevuld met ruwe olie was deze nog in de golf van Venezuela (40 km ten noordwesten van Punto Fijo) en op tweederde van de tocht naar de Sint Nicolaashaven in Aruba. Het schip vloog in brand en zonk.

      Slachtoffers
      Hierbij kwamen 17 opvarenden om het leven. De kapitein en acht andere bemanningsleden konden zich redden, of werden gered, en bereikten Maracaibo. Behalve Dunlock verongelukten uit Saba J. Wilson (stoker) en W.A. Winfield (stoker). De vier andere Antilliaanse slachtoffers kwamen van Bonaire: O.D. Dominico (kwartiermeester), Th.F. Martijn (matroos), H.N. Martijn (kwartiermeester) en M. Serberie (matroos). Voor de Surinaamse zeeman die om het leven kwam, zie Suriname.

      Nieuwe aanvallen
      Dezelfde onderzeeër schoot om 10.28 uur aan de Colombiaanse kant van het meer een voltreffer af op de Venezolaanse tanker Monagas. Het schip zonk en vijf van de 31 bemanningsleden verdronken. De U-502 voer vervolgens terug naar de route van Lago-tankers en bracht daar de San Nicolas tot zinken, met zeven doden tot gevolg. In juni beschoot de U-502 vermoedelijk de zeilboot Gaviota (zie P. Dijkhoff).

      Deze onderzeeër zonk op 6 juli 1942 in de Golf van Biskaje door aanvallen van een Brits oorlogsvliegtuig. Alle 52 bemanningsleden stierven.

      Johns naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    21. L.N. Emerenciana

      De Britse tanker ss Oranjestad (Bron: wrecksite.eu)

      Luis Nicolas Emerenciana (Bonaire, 10-9-1911) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Oranjestad (1927, 2400 ton, Lago Shipping, Esso). Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Dat geldt voor nog veertien van de 25 bemanningsleden. Elf van hen waren Antilliaan.

      Aanvallen
      De Duitse operatie Neuland zette in 1942 zes Duitse en twee Italiaanse onderzeeërs in om de geallieerde aanvoer van Venezolaanse olie te ondermijnen. De eerste aanval was 16 februari 1942 op de fel verlichte Sint Nicolaashaven van Aruba, toen de grootste oliehaven ter wereld. Om 1.31 en 1.33 uur schoot de U-156 twee torpedo’s af die de Pedernales en vervolgens de Oranjestad troffen (Uboat.net houdt het opmerkelijk op 8.00 uur). Geladen met ruwe olie lagen ze bij de Lago-raffinaderij. De Oranjestad lichtte het anker en probeerde weg te komen, maar werd midscheeps geraakt, schoot in brand en zonk binnen een uur in water van 70 meter diepte.

      Slachtoffers
      Daarbij verloren vijftien bemanningsleden het leven. Elf van hen waren Antilliaan. Onder hen was Luis Nicolas Emerenciana van Bonaire. Nog vijf andere Bonairianen kwamen om het leven. Het zijn J.D. Goeloe (matroos), R.C. Marchena (bootsman), H.B. Martijn (kwartiermeester), A.J. de Palm (idem) en A.G. Pieter (stoker). Daarnaast van Saba A.D. Granger (leerling stuurman), E.N. Linzey (bediende), D.C. Lynch (matroos) en C.A. Wilson (stoker) en van Curaçao F. Pannelek (stoker) – zie verder hieronder. De kapitein van de Oranjestad en negen andere bemanningsleden konden worden gered door het havenpersoneel.

      De U-156 werd op 8 maart 1943, in de oceaan tussen Barbados en Suriname, door een Amerikaanse Catalina tot zinken gebracht. Alle 53 bemanningsleden stierven.

      Luis’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    22. J.A. Evertsz
      Juan Alexander Evertsz (Bonaire, 8-2-1886) was matroos bij een niet bekende scheepvaartmaatschappij. Hij overleed op 23 september 1944 en werd op een niet bekende plaats begraven.

      Juan's naam ontbreekt op de monumenten maar wordt genoemd op de site van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

      Fa King

      ss Rosalia (Bron: cnoops.nl)

      Fa King (China, ca. 1905) was tweede kok op de Nederlandse CSM-tanker Rosalia (1938, 3200 ton). Hij overleed na torpedering op 27 juli 1943, samen met 22 andere bemanningsleden. Onder hen was nog een Chinees, Yong Ah Chong, en twee Antillianen, J.Hart en P. Tjietjie (zie onder).

      Aanval
      De met ruwe olie geladen Rosalia was zonder escorte op 26 juli vertrokken uit de haven van Maracaibo (Venezuela). In de late avond was de tanker op 16 km van zijn doel, Willemstad. Rond 22.00 uur werd zij getroffen door twee torpedo’s van de Duitse onderzeeboot U-615. De eerste kwam achter de brug terecht en veroorzaakte daar een steekvlam en brand. Op de brug stond de kapitein, de 3e stuurman, een uitkijk en een roerganger. De tweede torpedo veroorzaakte brandende golven tankerolie die de rest van het schip in vuur zette. De Rosalia brak in twee stukken en zonk uiteindelijk om 0.20 uur.

      Slachtoffers
      Van de 36 opvarenden kwam tweederde om bij de explosies, de brand of in zee. De dertien overlevenden konden worden opgepikt door de Nederlandse onderzeebootjager HNMS H-8 en de reddingsboot MBR-50. Het lichaam van Fa King en andere overledenen werd de volgende dag aan land gebracht. Fa King werd begraven op het kerkhof van Kolebra Bèrdè in Willemstad, evenals zijn landgenoot.

      De U-615 werd op 6 augustus 1942 bij Grenada door vier Amerikaanse bommenwerpers vernietigd. Van de bemanning kwamen vier of vijf opvarenden om het leven, onder wie de commandant. 43 man werd gered en krijgsgevangen gemaakt.

      Fa King's naam wordt genoemd op de webiste van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

      Extra bron: www.cnoops.nl (T.J. Los), De Nederlandse Shellvloot tijdens de oorlogsjaren 1940-1945. Geschreven op basis van: Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog door K.W.L.Bezemer (1987, twee delen) en De Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog door L.L. von Münching (1978, twee delen).

    23. P.V. Goedgedrag

      Het US-passagiersschip ss Coamo (Bron: www.navymemorial.org)

      Pedro Victor Goedgedrag (Bonaire, 31-1-1900) was matroos op het US passagiersschip Coamo (1925, 7000 ton), dat gecharterd was voor troepentransport. Hij overleed na torpedering op 2 december 1942, evenals de 185 andere opvarenden. Allen hebben een zeemansgraf.

      Aanval
      De Coamo was op 26 november 1942 vertrokken uit Gibraltar en voer op 1 december in konvooi van Engeland naar New York. Er waren 133 bemanningsleden aan boord, van wie elf officier, 37 bewapende US mariniers en, als passagier, 16 Britse militairen. Op circa 250 km ten westen van Ierland kreeg kapitein Nels Helgesen de opdracht van de Britse admiraliteit om zelfstandig verder te varen. Op 2 december om 20.18 uur vuurde de Duitse onderzeeër U-604 vanaf 750 meter afstand een torpedo af, die onder brug insloeg. Binnen vijf minuten begon het schip te zinken.

      Slachtoffers
      Enkele mannen wisten op een vlot weg te komen, maar verdronken vermoedelijk later vanwege de storm die de volgende dag opstak en enkele dagen aanhield. Deze scheepsramp was de grootste voor de US Amerikaanse koopvaardij gedurende de Tweede Wereldoorlog.

      De U-604 werd op 11 augustus 1943 op de zuidelijke Atlantische Oceaan, tussen Liberia en Brazilië, zwaar beschadigd door twee US-Amerikaanse oorlogsvliegtuigen. De 45 bemanningsleden werden gered door de U-185. Deze werd bijna twee weken later (24 augustus) door jagers van het US vliegdekschip Core tot zinken gebracht. 29 van de 51 opvarenden stierven. Onder hen veertien van de U-604.

      Pedro’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Hij was in US-dienst en kreeg postuum een onderscheiding voor zeelieden van de koopvaardij, de US Mariner’s Medal. Op een site van de US Navy (www.navymemorial.org) is zijn naam afwezig.

    24. J.D. Goeloe
      Juan Domingo Goeloe (Bonaire, 11-2-1888) was matroos op de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Vijftien van de 25 bemanningsleden stierven, onder hen elf Antillianen. Juan Domingo was de oudste van hen. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Juan's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    25. R. Gordon
      Reginald Gordon (Saba 28-11-1919) was tweede kok op de grote Britse tanker La Carriere (1938, 5700 ton). Hij overleed na torpedering op 25 februari 1942 en heeft een zeemansgraf. Dit geldt voor nog veertien bemanningsleden. Twee van hen zijn Antilliaan.

      Aanval
      De tanker was zonder escorte met ballast geladen van New York op weg naar Trinidad. Er waren 41 opvarenden. Men voer onder Haïti en Puerto Rico door. Vroeg op 25 februari 1942, om 2.19 uur, 110 km ten zuiden van Guanica, Puerto Rico, werd La Carriere getroffen door twee torpedo’s van de Duitse onderzeeër U-156. De tanker stopte maar vervolgde zijn route na tien minuten. Twee nieuw afgeschoten torpedo’s wist de stuurman te ontwijken, terwijl de kanonniers de aan de oppervlakte gekomen onderzeeër onder vuur namen. Desondanks wist de U-156 het tankschip om 6.21 uur met zijn laatste torpedo te raken. Kort hierna zonk La Carriere.

      Slachtoffers
      De vier kanonniers en elf andere bemanningsleden verdwenen in de golven. De kapitein en vier opvarenden werden opgepikt door een kotter van de Amerikaanse kustwacht, 21 andere bemanningsleden wisten diezelfde dag op de kust van Guanica te landen. Naast Reginald Gordon kwam van de Antillen ook matroos Esau Emmanuel Laveist (St. Maarten) om het leven (zie onder). Zij hoorden bij de jongste slachtoffers.

      De U-156 had negen dagen eerder de aanval op twee tankers en de Lago-raffinaderij in Aruba uitgevoerd. De onderzeeër werd op 8 maart 1943, in de oceaan tussen Barbados en Suriname, door een Amerikaanse Catalina tot zinken gebracht. Alle 53 bemanningsleden stierven.

      Reginald's naam ontbreekt op de monumenten maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

    26. A.D. Granger
      Anthony Dudley Granger (Saba, 21-3-1905) was leerling-stoker op de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Anthony’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    27. J.A. Hart
      Juan Alejandro Hart (Bonaire, 12-6-1923 was matroos op de Nederlandse CSM-tanker Rosalia (1938, 3200 ton). Hij overleed na torpedering op 27 juli 1943, samen met 22 andere bemanningsleden. Juan was een van de mensen wiens lichaam de volgende dag aan land kon worden gebracht. Hij werd begraven op het Rooms-Katholieke kerkhof aan de Roodeweg in Willemstad. Voor verdere bijzonderheden zie Fa King.

      Juan's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    28. G. Hecker
      Gerardo Hecker (Curaçao, 00-00-1875) was kok op het Hondurese zeilschip Sally (150 ton). Hij overleed na beschieting op 5 juni 1942 en heeft een zeemansgraf. Dat geldt ook voor zijn leeftijdgenoot, gezagvoerder J.A. Muller, eveneens uit Curaçao (zie onder), en voor R. Laguna uit Venezuela en R.A. Guillot uit Colombia.

      De voedselvoorziening van de eilanden was in mei 1942 precair geworden. In die maand waren liefst zes KNSM-vrachtschepen door Duitse onderzeeërs getorpedeerd. De Dominicaanse Republiek was de grootste voedselleverancier voor Aruba en Curaçao, en op 3 en 21 mei werden ook haar vrachtschepen aangevallen. Zeilschepen leken een alternatief te zijn. Op 3 juni vertrok de Sally uit de haven van Oranjestad richting Dominicaanse Republiek; een dag eerder was de Gaviota weggezeild.

      Twee dagen later, op 5 juni ‘s avonds om 20.10 uur, vuurde de Duitse onderzeeër U-159 vijf schoten af met zijn dekkanon. De Sally voer 120 km zuidelijk van de Dominicaanse Republiek ter hoogte van Bani. Drie schoten waren raak en rond 21.15 uur zonk het zeilschip. De bemanning werd niet gered, zoals op 16 juni bij het zeilschip de Nueva Grecia wel zou gebeuren. De U-159 had op dezelfde dag en plaats ’s morgens om 5.29 uur de Braziliaanse schoener Paracury met haar boordkanon tot zinken gebracht. Voor meer bijzonderheden zie P. Dijkhoff van het zeilschip Gaviota.

      De onderzeeër werd zelf op 28 juli 1943 door een Amerikaans marinevliegtuig ten zuiden van Haïti tot zinken gebracht; alle 53 bemanningsleden stierven.

      Gerardo’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      Extra bronnen:
      - Adolf (Dufi) Kock (herfst 2012) Aruba remembers World War II. In: www.seawingsnv.com/images/antilleannavigator56-deel1.pdf. Vervolg in deel2.pdf
      - http://ww2db.com/battle_spec.php?battle_id=276


    29. L.P. Hernandez
      Leon Papa Hernandez (Curaçao, 28-7-1894) was matroos op het US vrachtschip Mariana (Atl.Gulf West Ind. St. Lines). Hij overleed na torpedering op 5 maart 1942 en heeft een zeemansgraf. De Duitse onderzeeër U-126 bracht het schip tot zinken ten noorden van de Turks en Caicos eilanden (boven Haïti).

      Leon's naam ontbreekt op de monumenten maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com. Leon Hernandez was in US-dienst en ontving postuum de U.S. Mariners Medal.

    30. W.O. Hooker
      William Oraldo Hooker (Sint Eustatius, 19-1-1911) was stoker van de Britse olietanker Pedernales. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J.S. Cornet.

      William's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    31. M.B. Isijk
      Martinus Bibiano Isijk (Curaçao, 2-12-1894) was bootsman van de Britse olietanker Pedernales. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J.S. Cornet.

      Martinus’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    32. L.G. Italia

      ss Tiberius (1939) (Bron: www.kombuispraat.com)

      Lorenzo Gregorio Italia (Curaçao, 17-11-1900) was steward op het KNSM vrachtschip ss Tiberius. Hij werd rond 8 januari 1943 op een niet bekende plek vermist, en heeft een zeemansgraf.

      Lorenzo’s naam komt voor op het KNSM-monument. Hij ontbreekt op de oorlogsmonumenten maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

    33. D.G. Janga
      Delfincio Gregorio Janga (Bonaire, 24-12-1898) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda. Delfincio was mogelijk verwant met N.Th. Janga (zie J. Boekhoudt).

      Delfincio’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    34. E.J. Jansen
      Enrique José Jansen (Curaçao, 19-3-1906) was kok op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Enrique’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    35. B.J. de Jesus

      ss Pygmalion (Bron: www.kombuispraat.nl)

      Benito Josef de Jesus (Curaçao, 16-4-1900) was matroos op het KNSM vrachtschip ss Pygmalion (1938, 3600 ton). Hij werd vermist op 27 februari 1944 op een niet bekende plek in de Caribische Zee, en heeft een zeemansgraf.

      Benito’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen de de KNSM, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    36. J.M. Josefa
      Johan (roepnaam: Juan) Marco Josefa (Bonaire, 7-10-1896) was steward (bediende) op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Er is verwarring over zijn aanwezigheid op het schip, omdat een artikel over de ss Poseidon in de Kroonvaarders (1981/2013) met de opmerking afsluit dat bediende J.M. Josefa net voor vertrek uit Trinidad vanwege wangedrag in Paramaribo (9-3-1942) door de kapitein ontslagen was. De bron voor die mededeling is een brief van het Netherland Shipping Committee (3.5.1943). Jos Rozenburg van Antillesatwar.com vond echter de originele bemanningslijst bij vertrek Willemstad (4 mei 1942), met Josefa als bediende en een aantekening over een persoon die in Trinidad was achtergebleven: kannonier H.A. Klein. Hij vermoedt dat er op korte tijd geen vervanger voor Josefa kon worden gevonden (mail 21-8-13).

      Johan's naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen de de KNSM, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

    37. B.C. Kraal

      Grafsteen Benjamin Carlos Kraal (Foreign Nationality) Guantanamo (Bron: www.ogs.nl)

      Benjamin Carlos Kraal (Curaçao, 14-7-1895) was olieman op het KNSM-vrachtschip ss Medea (1916, 1300 ton). Hij overleed een dag na de torpedering van het schip aan zijn verwondingen, 14 augustus 1942 en werd op het U.S. Naval Cemetery te Guantanamo Bay (Cuba) begraven. Drie eilandgenoten stierven direct na de torpedering. Zij hebben een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie T.M. Constancia.

      Bejamin's naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    38. E.E. Laveist
      Esau Emanuel Laveist (St. Maarten, 5-6-1919) was matroos op de grote Britse tanker La Carriere (1938, 5700 ton). Hij overleed na torpedering op 25 februari 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie R. Gordon.

      Esau’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    39. B.F. Leito
      Benito Filemon Leito (Curaçao, 21-3-1914) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Medea. Hij overleed op 13 augustus 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie T.M. Constancia.

      Benito’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    40. E.N. Linzey
      Eric Norbert Linzey (Saba, 7-4-1923) was bediende op de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Nog zes Antillianen lieten het leven. Eric was de jongste van hen. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Eric's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    41. M.M. Lourens
      Marco Martinus Lourens (Curacao, 25-4-1905) was olieman van het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij stierf na torpedering op 6 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Marco’s naam komt voor op het KNSM-monument. Hij ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

    42. D.K. Lynch
      Darcey Kenneth Lynch (Saba, 25-12-1909) was matroos op de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Darcey’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    43. E.I. Maduro
      Eduardo Ignacio Maduro (Curaçao, 1-2-1898) was stoker op het vrachtschip ss Beursplein (1920, 4400 ton, Stoomvaart Maatschappij Millingen). Hij overleed na bombardering op 26-2-1941.

      Aanval
      Het vrachtschip Beursplein voer op 26 februari 1941 samen met de ss Amstelland (8100 ton, Kon. Holl. Lloyd) op de Atlantische Oceaan. Beide waren vertrokken uit Gourock (Glasgow), de Beursplein met bestemming New York, de Amstelland had als doel Buenos Aires. Rond 200 km ten westen van Ierland werden ze aangevallen door een FW 200 ‘Kondor’-bommenwerper. Kondors speurden de oceaan af naar geallieerde schepen en wisselden informatie uit met onderzeeërs, in dit geval de U-47. Behalve de twee Nederlandse koopvaarders troffen zij in dezelfde omgeving die dag ook andere schepen. De Kondor bombardeerde de Griekse ss Kyriakoula (bemanning gered) en de Noorse ss Solferino (3 bemanningsleden omgekomen), die ook samen voeren. Vervolgens viel de bommenwerper drie deelnemers van het konvooi OB 209 aan: de Britse ss Llanwern (27 bemanningsleden omgekomen), Mahanada (3 omgekomen), Swinburne (bemanning gered) en Melmore Head (bemanning gered). De U-47 viel met torpedo’s hetzelfde konvooi aan: de Noorse Borgland (bemanning gered), de Belgische Kasongo (6 omgekomen) en de Zweedse Rydboholm (bemanning gered). De ss Diala was alleen beschadigd.

      Slachtoffers
      De Beursplein zonk. De tweede stuurman, L.C.L. Theunisse, hoewel gewond geraakt, wist evenals olieman S. Haanstra nog bemanningsleden te redden. 22 opvarenden echter verdronken. Onder hen was Eduardo Ignacio Maduro. Het ss Amstelland werd zwaar beschadigd, de kapitein verloor zijn leven, maar het schip zonk niet en het schip kon twee dagen later naar het vaste land worden gesleept.

      De U-47 werd een week later, op 7 of 8 maart, getroffen door de Engelse destroyer Wolverine. Anderen menen dat toen een van de eigen torpedo’s de onderzeeër fataal werd. Alle bemanningsleden stierven.

      Eduardo’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

      Extra bronnen:
      - http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_shipwrecks_in_February_1941
      - www.aukevisser.nl/etm/id110.htm
      - www.onderscheidingen.nl/decorandi/wo2/dec_h01.html


    44. G.A. Manuela
      Gabriel Alfredo Manuela (Curacao, 19-2-1902) was bediende op het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij stierf na torpedering op 6 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Gabriel's naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    45. R.C. Marchena
      Rafael Crispiniano Marchena (Bonaire, 25-10-1897) was bootsman van de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Rafael's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    46. P.M. Martes
      Pedro Martin(us) Martes (Bonaire, 12 of 17 april 1914) was kwartiermeester op een koopvaardijschip. Hij overleed op 6 juli 1943 bij La Salina (Venezuela, bij Giuria, tegenover Trinidad). De plaats waar hij werd begraven is niet bekend.

      Pedro’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    47. D. Martijn
      Dominico Martijn (Bonaire, 19-10-1917) was kwartiermeester van de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Dominico, Hosé en Olivero Martijn zijn broers. Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      Dominico’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    48. H.B. Martijn
      Hosé Bernardo Martijn (Bonaire, 2-7-1908) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Dominico, Hosé en Olivero Martijn zijn broers. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Hosé’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    49. O.D. Martijn
      Olivero Dominico Martijn (Bonaire, 4-8-1910) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Tia Juana. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Dominico, Hosé en Olivero Martijn zijn broers. Voor meer bijzonderheden zie J. W. Dunlock.

      Olivero’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    50. P.W.H. Martijn

      ss Willemstad in 1960 (Socrates van 1938-1950) (Bron: www.ndsm-museum.nl)

      Petrus Willem Hendrik Martijn (Curaçao, 27-4-1887) was steward op het KNSM passagier- en vrachtschip ss Socrates (1938, 5000 ton; in 1950 omgebouwd tot ss Willemstad). Hij overleed op 30 augustus 1943 in Buenos Aires (Argentinië) en werd begraven op de Britse begraafplaats aldaar.

      Petrus’ naam komt voor op het KNSM-monument. Hij ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    51. Th. F. Martijn
      Thomas Flavianus Martijn (Bonaire 21-12-1902) was matroos op de Britse olietanker Tia Juana. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Thomas is mogelijk familie van de drie andere Martijns uit Bonaire op deze pagina.

      Thomas’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    52. F.M. Martis

      ss Mariana (CSM) (Bron: www.helderline.nl)

      Faustino Miguel Martis (Bonaire, 15-2-1903) was kwartiermeester van de CSM tanker ss Mariana (1925, 3300 ton) – niet te verwarren met de US-tanker van dezelfde naam (zie L.P. Hernandez). Hij werd vermist op 15 augustus 1944 in de Caribische Zee en heeft een zeemansgraf. Faustino is mogelijk een verwant van H.N. Martis.

      Faustino’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).

    53. H.N. Martis
      Hendrik Natividad Martis (Bonaire, 8-9-1911) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Tia Juana. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J. W. Dunlock. Hendrik is mogelijk een verwant van F.M. Martis.

      Hendrik's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    54. J.A. Maxwell
      James Andrew Maxwell (Saba, 6-1-1913) was matroos op de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      James’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    55. F.G. Montanus

      ss Notos (Bron: www.maritiemdigitaal.nl)

      Federico Gregorio Montanus (Curaçao, 9-9-1882) was matroos op het KNSM vrachtschip ss Notos (1939, 1600 ton). Hij overleed op 9 maart 1942 op Curaçao, waar hij op een onbekende locatie begraven is.

      Federico’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen en de KNSM, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

    56. J.A. Muller
      Julius August Muller (Curaçao, 16-2-1875) was gezagvoerder van het Hondurese zeilschip Sally. Hij overleed na beschieting op 5 juni 1942 en heeft een zeemansgraf. Dat geldt ook voor zijn leeftijdgenoot, kok G. Hecker, eveneens uit Curaçao, en twee andere bemanningsleden. Voor meer bijzonderheden zie daar.

      Julius’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Zijn familienaam luidt daar Statius-Muller, vermoedelijk vanwege verwarring met het voorafgaande slachtoffer, G.A.L. Muller-Statius, waar deze toevoeging is weggelaten.

    57. A.J. de Palm
      Andres José de Palm (Bonaire, 22-3-1899) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor verdere bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Andres’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    58. H.(N.) de Palm
      Hubert de Palm (Bonaire, 2-11-1919) was stoker op de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      Hubert's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    59. F. Pannelek
      Federico Pannelek (Curaçao, 21-8-1901) was stoker van de Britse olietanker ss Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Federico’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Zijn familienaam wordt daar geschreven als Panneflek. Die naam stond op de geboorteakte en is later veranderd in Pannelek (e-mail Jos Rozenburg 19-8-13).

    60. A.G. Pieter
      Alberto Gregorio Pieter (Bonaire, 9-5-1912) was stoker van de Britse olietanker ss Oranjestad. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Alberto’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    61. J.S.R. Pietersz
      Julio Serapio Remigio Pietersz (Curacao, 14-11-1902) was stoker op het KNSM-vrachtschip ss Medea. Hij overleed na torpedering op 13 augustus 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie T.M. Constancia.

      Julio’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    62. D.H. Pourier
      David Hilario Pourier (Curacao, 14-1-1891) was bootsman van het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij stierf na torpedering op 6 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      David's naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Daar is zijn naam geschreven als D.H.P. Pourier.

    63. J.C. van Putten
      James Clarence van Putten (St. Eustatius 29-12-1913) was stoker op de Britse olietanker San Nicolas (1926, 2400 ton, Lago Shipping-Esso). Hij verloor zijn leven op 16 februari 1942 en heeft een zeemansgraf. Dit geldt voor nog zes van de 26 bemanningsleden. Drie van hen waren Antilliaan.

      Aanvallen
      Bij de actie Neuland, die vroeg op 16 februari begon, waren vijf Duitse en twee Italiaanse onderzeeërs betrokken. De actie richtte zich onder meer op de transportlijn tussen het olierijke Venezolaanse meer van Maracaibo en de twee eilanden. De U-504 viel met succes eerst de Britse Lago-tanker Tia Juana (9.44 uur) en vervolgens de Venezolaanse tanker Manogas (10.28 uur) aan. Deze voer ten noorden van Punta Espada aan de Colombiaanse kant. De onderzeeër ging terug naar de route van de Lago-tankers en kreeg daar de zonder escorte varende San Nicolas in het vizier. De U-502 vuurde om 11.34 uur een eerste torpedo af. Gevuld met ruwe olie was de San Nicolas nog in de golf van Venezuela (40 km ten noordwesten van Punto Fijo) en op tweederde van de tocht naar de Sint Nicolaashaven in Aruba. De torpedo miste. Een tweede, om 11.50 uur, was raak. De tanker vloog in brand en zonk. Het was in hetzelfde gebied waar de Tia Juana kort daarvoor was gezonken.

      Slachtoffers
      Acht zeelieden overleefden de ramp niet. Vier Engelsen en vier Antillianen. De andere negentien bemanningsleden konden zich redden, of werden gered, en kwamen terecht in Maracaibo. Naast van Putten overleden de volgende Antilliaanse zeelieden: C.B. Rafael (koksmaat) ook uit Curaçao, en uit Bonaire L.B. Scherptong (matroos) en J.G. Thielman (stoker).

      De U-504 zonk op 30 juli 1943 ten noordwesten van Cape Ortegal, Spanje, na aanvallen door vier Britse oorlogsschepen. Alle 53 bemanningsleden stierven.

      James’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    64. J.M.S. Raas

      ss Barendrecht (Bron: www.zeevlootvos.bebelaar.nl)

      José Maria Supriano Raas (Curaçao, 26-9-1912) was olieman op de olietanker ss Barendrecht 4 (Ph. van Ommeren,1935). Vanaf juli 1940 was het schip gecharterd voor de Britse regering en ondergebracht bij de Anglo-Saxon Petroleum Co.

      Aanval
      Tijdens een Duitse luchtaanval op het Engelse Tilbury raakte het schip zwaar beschadigd en kwamen de gezagvoerder en de 2e stuurman om het leven. Na reparatie voer de Barendrecht verder als bevoorradingstanker.

      José overleed op 18 maart 1943 in Sidney (Australië) en werd daar begraven op Necropolis Rookwood Cemetery.

      José’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

      Extra bron: www.zeevlootvos.bebelaar.nl

    65. C.B. Rafael (Martina)
      Charles Benigno Rafael (Curaçao, 13-2-1906) was koksmaat op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Er is enige verwarring over de naam Rafael, omdat zijn moeder deze achternaam later wijzigde in Martina en Charles daarom ook onder die naam voorkomt. Ook is er verwarring rond het schip. De Oorlogsgravenstichting (aug. 2013) geeft aan dat hij op de Engelse tanker San Nicolas voer. Onderzoeker Jos Rozenburg heeft echter de originele geboorteakte en crewlist gevonden en vastgesteld dat het om dezelfde man gaat, die deel uitmaakte van de bemanning van het ss Poseidon (e-mail 19-8-13).

      Charles’ naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Op het KNSM-monument heet hij naar de naam die zijn moeder later aannam, C.B. Martina. Op de oorlogsmonumenten van de Antillen heet hij Ch. B. Rafael.

    66. J. Rasmijn

      ss Triton (Bron: www.maritiemdigitaal.nl)

      Jacob (Jacobo) Rasmijn (Aruba, 23-10-1922) was koksmaat op het KNSM-vrachtschip de ss Triton. Hij stierf volgens de Oorlogsgravenstichting op 7 maart 1942 op de Surinamerivier. De omstandigheden waaronder hij stierf zijn niet bekend. Jacob werd begraven op de begraafplaats La Rencontre in Smalkalden, Para, Suriname (bij het bauxietdorp Paranam, 10 km zuidelijk van Domburg).

      De ss Triton werd bijna drie maanden later, op 28 mei 1942, in de Atlantische Oceaan getorpedeerd, met zes dodelijke slachtoffers ten gevolge. Voor meer bijzonderheden zie Suriname, zeevarenden, Max Elmont.

      Jacob's naam komt voor op het KNSM-monument. Hij ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’). Hier heet hij Jacobo Rasmijn, met overlijdensdatum 9 maart 1942.

    67. G.R. Richardson
      George Ruben Richardson (St. Maarten, 16-3-1910) was stoker op de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      George’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    68. B.J. Rosalina
      Bienvenido José Rosalina (Curacao, 22-3-1916) was bediende op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Bienvenido’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Daar heeft hij de initialen J.B.

    69. W.F. Rosaria
      Willem Francisco Rosaria (Bonaire, 10-3-1895) was matroos op de Britse olietanker Pedernales. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J.S. Cornet.

      Willem's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    70. F.A. Scharbaai

      ss Zijpenberg (Bron: www.kustvaartforum.nl)

      Florencio Antonio Scharbaai (Curaçao, 26-10-1917) was steward op het vrachtschip van de Stoomboot Maatschappij Hillegersberg, de ss Zijpenberg (1935 als Charterhurst, toen ook herdoopt, 5054 ton) De Zijpenberg kwam tijdens een vaart in konvooi van New York naar Engeland tijdens dichte mist in aanvaring met het Canadese korvet de HMCS Windflower. Daarbij zonk het korvet. Florencio Scharbaai overleed in Philadelphia (USA) op 4 augustus 1942, en werd daar begraven op het Holy Cross Cemetery, Yeadon.

      Florencio’s naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

      Extra bron: www.kustvaartforum.com

    71. L.B. Scherptong
      Luis Bertrando Scherptong (Bonaire, 6-9-1919) was matroos op de Britse olietanker San Nicolas. Hij verloor zijn leven na torpedering op 16 februari 1942 en heeft een zeemansgraf. Luis was de jongste van de vier Antilliaanse slachtoffers. Voor meer bijzonderheden zie J.C. van Putten.

      Luis’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    72. R.A. Schotborgh (Merced)
      Rafael Arcangel Schotborgh (Curacao, 24-10-1894) was koksmaat op het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij stierf op 14 juli 1940 in de Caribische Zee aan een hartaanval en heeft een zeemansgraf. Voor bijzonderheden over de latere lotgevallen van het schip zie H.P. Bernabela.

      Rafael Schotborgh staat onder zijn geboortenaam Merced op het KNSM-monument (e-mail Jos Rozenburg, 19-8-13). Hij ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen, onder beide namen, maar staat als R.A. Schotborgh in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

    73. M. Serberie
      Marco Serberie (Bonaire, 14-7-1940) was matroos op de Britse olietanker Tia Juana. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J. W. Dunlock.

      Marco’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      N.B.: www.ogs.nl heeft als overlijdensdatum 14-7-1940 (juli 2013)

    74. C.A. Simmons

      Tanker ss Ferncastle (A/S Glitre, Oslo) (Bron: www.warsailors.com)

      TCarl Aloysius Simmons (Saba, 1-2-1910) was steward op de Noorse tanker Ferncastle (1936, 9900 ton, A/S Glitre, Oslo). Hij kwam op 12 juli 1943, op circa 3000 km noordwestelijk van Perth (Australië), na beschieting door een torpedoboot tijdens een overlevingstocht om het leven. Carl Simmons heeft een zeemansgraf. Dat geldt voor nog 23 opvarenden.

      Steward
      Carl was op 14 mei 1941 op Aruba aangemonsterd. Hij was vermoedelijk steward, bediende. In een Noors boek over de laatste tocht van de Ferncastle (1953) is zijn rang, met een wat neerbuigende term, ‘saloon boy’, ‘salon bediende’. Deze werkte voor de kapitein, de officieren en soms de passagiers. Er waren aan boord ook een oudere Noorse ‘steward’ (vermoedelijk de hofmeester) en een Chinese ‘mess boy’, voor de bemanning. De Ferncastle voer toen tussen Glasgow (Clyde) en Latijns Amerika. In 1942 en 1943 vervoerde de tanker vooral vracht in de Indische Oceaan, tussen de Perzische Golf, Zuid-Afrika en Australië.

      Aanval
      Op 11 juni 1943 vertrok de Ferncastle met 37 opvarenden, geen passagiers, van Esperance Bay (West-Australië) naar Abadan (Iran). Zes dagen later werd het schip gespot door de Duitse hulpkruiser Michel. Een hulpkruiser, Engels ‘armed merchant cruiser’, is een koopvaardijschip dat wordt uitgerust als een oorlogsbodem en makkelijk vijandelijke koopvaarders kan aanvallen. Na zonsondergang lanceerde Michel een motortorpedoboot (‘Esau’) die om 19.25 uur twee torpedo’s afschoot en troffen aan bakboordzijde. Het schip begon naar die kant over te hellen maar bleef drijven. Kapitein Toralf Andersen dacht dat het om een onderzeeër ging, liet het boordkanon klaarmaken en voer weg. Kort daarna doemde een groot schip op, de hulpkruiser Michel. De kapitein gaf toen orders om de motoren te stoppen en, voor de hele bemanning, om in de reddingsboten te gaan. Daarop startte de Michel een zware beschieting, waarbij de pompkamer werd geraakt en vuur uitbrak. Verschillende bemanningsleden werden gedood en minstens 13 anderen, die in een reddingsboot zaten, werden krijgsgevangen gemaakt. Twee andere reddingsboten, een met zeil, een met motor, waarin uiteindelijk 19 opvarenden verzameld waren, wisten buiten bereik van beide schepen te komen. Op 17 juni om 23.00 uur zonk de Ferncastle en verdween de hulpkruiser. Het had zijn 17e slachtoffer gemaakt.

      Overlevingstocht
      De kapitein die in de motorboot zat meende dat gezien de wind en de stroming de Chagos eilanden (Diego Garcia), op 2500 km afstand, het makkelijkst te bereiken zouden zijn. Later dacht men, toen de wind ging liggen, dat Reunion, Mauritius of Madagascar het doel moest zijn. Intussen waren alle drenkelingen, onder wie enkele gewonden, overgestapt op de zeilboot, omdat die sneller was en ook roeiriemen had. De sloep schepte water, er was onvoldoende eten en drinken, de zieken kregen infecties, en de eerste dode viel op 9 juli. Het was de mecanicien, die een granaatsplinter in zijn long had. Hij kreeg een zeemansgraf. De dag erna stierf een matroos met wonden aan zijn handen, en daarna weer een matroos die vermoedelijk zeewater had gedronken. Op die dag, 12 juli kapseisde de boot in een hevige storm, een man sloeg overboord maar kon weer aan boord worden getrokken. Het kompas ging verloren. Op 13 juli stierf Carl Simmons. Hij had het voedsel dat men hem aanbood niet willen eten, aldus het Noorse verslag. Nog twee anderen stierven voor men eindelijk, op 17 juli land bereikte: Madagascar. De opvang was heel goed, en de dertien overlevenden konden herstellen. Ze kwamen in oktober met een troepentransport in Durban (Zuid-Afrika) aan. Op de Engelse kanonnier na waren allen Noor.

      Hulpkruiser Michel
      Op 17 oktober 1943 werd de gemilitariseerde koopvaarder Michel door de US-Amerikaanse onderzeeer Tarpon (SS-175) in de grond geboord. 15 officieren en 248 manschappen verdronken, 110 anderen wisten aan land te komen.

      Slachtoffers
      19 krijgsgevangenen van de twee Noorse tankers die door de Michel waren aangevallen, de Ferncastle (11 juni) en de Høegh Silverdawn (15 juni), verdronken bij de torpedoaanval van de Tarpon. Minimaal 13 slachtoffers waren zeelieden van de Ferncastle. Bij de Duitse aanval op 11 juni waren al een aantal bemanningsleden gestorven, en in de reddingssloep bezweken 6 man, onder wie als enige niet-Noor Carl Simmons. In totaal 18 slachtoffers waren Noor, de anderen waren Australiër (2), Chinees (2), Engelsman (1) en Antilliaan (1).

      Carl's naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

      Extra bron: www. warsailors.com/singleships/ferncastle.html

    75. H.G. Thielman (Bernabela)
      Herman (roepnaam: José) Geronimo Thielman (Bonaire, 14-4-1903) was stoker op de Britse olietanker San Nicolas. Hij verloor zijn leven na torpedering op 16 februari 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J.C. van Putten hierboven.
      Onderzoek door Jos Rozenburg van Antillesatwar.com bracht aan het licht dat Herman Geronimo Thielman dezelfde persoon als Herman (José) Geronimo Bernabela (zie boven). Bernabela is de naam van zijn moeder, die later met de heer Thielman trouwde. Hij komt nu twee maal op plaquette voor, onder de namen Bernabela en Thielman. Mogelijk is hij een verwant van H.P. en L.E. Bernabela (zie boven). De wisseling van de voornamen Herman en José is die tussen doopnaam en roepnaam. Hier wordt de doopnaam aangehouden.

      Herman's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Zijn initialen zijn hier J.G.

    76. A.F. Thodé
      Antonio Francisco Thodé (Bonaire, 13-6-1909) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Poseidon. Hij is mogelijk een verwant van Stephanus Thodé (zie onder). Antonio overleed na torpedering op 28 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie N.A. Clarinda.

      Antonio’s naam komt zowel voor op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    77. S. Thodé

      ss Clio (Bron: www.kroonvaarders.nl)

      Stephanus Thodé (Bonaire, 2-9-1899) was matroos op het kleine KNSM-vrachtschip ss Clio. (1936, 374 ton). De Clio werd in maart 1936 opgeleverd aan de West Indische Stoomvaart Maatschappij N.V., Curaçao (WISM), maar bleef in beheer bij de KNSM. Eind 1953 werd het schip verkocht naar Trinidad. Er zijn geen oorlogsincidenten bekend van het ss Clio. Stephanus overleed op 13 juli 1944 in Colon (Panama). Hij is mogelijk een verwant van Antonio Thodé (zie boven).

      Stephanus’ naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. Hij ontbreekt op het KNSM-monument.
      Extra bron: www.kroonvaarders.nl

    78. P.B. Tjietjie
      Pieter Baldemar Tjietjie (Bonaire, 18-8-1917) was stoker op de Nederlandse olietanker Rosalia (1938, 3200 ton, Shell). Hij overleed na torpedering op 27 juli 1943 en heeft een zeemansgraf, samen met 22 andere bemanningsleden. Voor meer bijzonderheden zie Fa King.

      Pieter's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen. De naam wordt daar als Tjie Tjie geschreven.

    79. B. Tromp
      Bartolo Tromp (Aruba, 4-12-1898) was kok op de Nicaraguaanse schoener Gaviota, een zeilschip. Hij is na beschieting overleden rond 2 juni 1942, en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie P. Dijkhoff.

      Bartolo’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    80. A.F. Verhoeks

      A.F. Verhoeks (Bron: www.antillesatwar.com)

      Arturo Fernando Verhoeks was gezagvoerder van de Nicaraguaanse schoener Gaviota, een zeilschip. Hij is na beschieting overleden rond 2 juni 1942, en heeft een zeemansgraf. Dit geldt ook voor de twee andere Arubanen, de matroos en de kok, en twee Dominicanen aan boord. Voor meer bijzonderheden zie P. Dijkhoff.

      Arturo’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    81. C.A. Wilson
      Clifford Achilles Wilson (Saba, 5-8-1910) was stoker van de Britse olietanker ss Oranjestad. Mogelijk is hij een oudere verwant van de Sabanen Theophilus en John Wilson (zie onder). Clifford kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven. Hij heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie L.N. Emerenciana.

      Clifford's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    82. J. Wilson
      John Wilson (Saba, 14-7-1913) was stoker op de Britse olietanker Tia Juana. Mogelijk is hij een jongere verwant van de Sabanen Clifford (zie boven) en Theophilus Wilson (onder). John kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J. W. Dunlock.

      John's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    83. Th. Wilson

      ss Hermes (Bron: www.netwerkoorlogsbronnen.nl)

      Theophilus Wilson (Saba, 3-11-1910) was matroos op de tanker Hermes, Petroleum Maatschappij La Corona (1914, 3800 ton). Theophilus overleed in Haifa (Israel), op 31 december 1941, en werd daar begraven op het Sharon Civil Cemetery. Het schip deed in 1942 dienst als US kustwacht. Theophilus is mogelijk een verwant van John en Clifford Wilson (zie boven).

      Theophilus’ naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com (‘Other victims’).

      Extra bronnen:
      - www.cnooks.nl/shell.htm
      - www.netwerkoorlogsbronnen.nl


    84. W.A. Winfield
      Walter Allen Winfield (Saba 10-8-1942) was stoker op de Britse olietanker Tia Juana. Hij kwam na torpedering op 16 februari 1942 om het leven, en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie J. W. Dunlock.

      Walter's naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    85. A.I. Winklaar
      Antonio Ignacio Winklaar (Bonaire,1-2-1915) was matroos op het KNSM-vrachtschip ss Amazone. Hij stierf na torpedering op 6 mei 1942 en heeft een zeemansgraf. Voor meer bijzonderheden zie H.P. Bernabela.

      Antonio’s naam komt zowel op het KNSM-monument als op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen voor.

    86. E.O. Winklaar

      ms Hector (Bron: www.uboat.net)

      Elias Obispo Winklaar (Curaçao, 15-1-1912) was kok op het KNSM motorschip Hector (1939, 1800 ton). Hij overleed na torpedering op 24 mei 1942. Hij heeft een zeemansgraf, evenals een ander bemanningslid.

      Op 24 mei 1942 werd het ms Hector onder Cuba worden aangevallen door de Duitse onderzeeër U-103. Van de 31 opvarenden stierven de kok en de marconist.
      Elias’ naam ontbreekt op de oorlogsmonumenten van de Antillen en de KNSM, maar staat in de lijst met oorlogsslachtoffers van Antillesatwar.com.

    87. A.D. Woods
      Antonio Duran Woods (Saba, 13-12-1916) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Mogelijk is hij familie van H.S. Woods (zie hieronder). Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      Antonio’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

    88. H.S. Woods
      Henry Swinton Woods (Saba, 17-1-1912) was een van de kwartiermeesters van de Britse olietanker Punta Gorda. Hij overleed na een aanvaring op 18 september 1944 en heeft een zeemansgraf. Mogelijk is hij familie van A.D. Woods (zie hierboven). Voor meer bijzonderheden zie C.B. Cicilia.

      Henry’s naam komt voor op het oorlogsmonument in de hoofdplaats van elk der zes eilanden van de Antillen.

      Yong Ah Chong
      Yong Ah Chong (China ca. 1890) was matroos op de Nederlandse CSM-tanker Rosalia (1938, 3200 ton). Hij overleed na torpedering op 27 juli 1943. Zijn lichaam werd een dag later aan land gebracht en begraven op het kerkhof van Kolebra Bèrdè in Willemstad. Voor meer bijzonderheden zie Fa King.

      Yong Ah Chong's naam wordt genoemd op de website van Antillesatwar.com (‘Other Victims’).
    Niet-militairen

    Oscar Beaujon (Curaçao 1923) studeerde tijdens de oorlog in Utrecht en weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen. De universiteiten hadden in december 1942 niet zonder meer ingestemd met het vrijgeven van de gegevens aan de bezetter om de studenten voor 'arbeidsinzet' naar Duitsland te kunnen sturen. Daarom legden de nazi's alle studenten een zogenaamde loyaliteitsverklaring voor. Wie niet tekende voor 'loyaliteit' aan de bezetter moest zich melden voor de 'Arbeitseinsatz'. 85% van de studenten tekende niet. Beaujon dook onder en overleefde.

    Isaac ('Sjakie') de Castro Yohai (Curaçao) studeerde rechten in Nederland. Hij was telg van een bekend joods geslacht en vluchtte met Ernest Cohen Henriquez* in 1942 via Frankrijk naar Spanje. Na de oorlog keerde hij terug naar de Antillen. Hij werd er procureur-generaal. (www.sefarad.org/publication/lm/042/2.html)

    Ernest ('Onchi') Cohen Henriquez (Curaçao 1917-2004). Ernest maakte in de jaren 1940-1942 in Nederland zijn rechtenstudie af. Net als Isaac de Castro stamde hij uit een bekende joodse familie. Samen met hem vluchtte hij naar Frankrijk. Daar werd hij twee keer gearresteerd. Zijn vader stelde samen met de vader van Ernest' collega George Maduro* aan koningin Wilhelmina voor, beide gevangen genomen zonen uit te wisselen tegen op Bonaire geïnterneerde Duitsers. De Londense regering vond dit te riskant. Ernest kwam vrij door bemiddeling van een Spaanse vriend van de familie - Maduro niet. Vanuit Cadiz kon hij Curaçao bereiken. Hij was er lange tijd notaris. In 1969 vestigde mr. Cohen Henriquez zich in Nederland. In 1974 werd hij hoogleraar in het notarieel recht aan de Rijksuniversiteit Groningen (www.madurolibrary.org/html/library/books/). Prof. mr. Cohen Henriquez was een van de belangrijkste adviseurs van OcaN (Overlegorgaan Caribische Nederlanders) (www.ocan.nl/management/).

                         
    Cola Debrot, Utrecht 1936 (foto: www.dbnl.org)    Cola Debrot op latere leeftijd (foto: www.debezigebij.nl)

    Nicolaas ('Cola') Debrot (Kralendijk op Bonaire, 4 mei 1902 - Amsterdam, 3 december 1981). Schrijver, arts, diplomaat en gouverneur. Nicolaas verhuisde als kind met zijn ouders naar Curaçao en Caracas. Zijn vader had een plantage op Bonaire, zijn moeder was afkomstig uit Venzuela. Het gymnasium deed Cola in Nijmegen, in 1921 ging hij rechten studeren in Utrecht. Daar was Cola bevriend met de dichters Martinus Nijhoff en Jan Engelman en de schilder Pyke Koch. Tussen 1928 en 1931 woonde en werkte Debrot in Parijs, - hij was er ghostwriter. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, de Amerikaanse zangeres Estelle Reed. Terug in Nederland studeerde Cola medicijnen. In 1935 debuteerde hij als schrijver met de novelle 'Mijn zuster de negerin'. Dit werd later als het begin van de Nederlands-Antilliaanse literatuur beschouwd. Debrot werd arts en had onder de oorlog in Amsterdam een dokterspraktijk. Van huis uit stencilde en verspreidde hij illegale pamfletten. Ook pleegde hij andere verzetsdaden. Begin 1945 kreeg hij regelmatig bezoek van de schrijver W.F. Hermans. Hij nam hem mee naar patiënten onder de naam 'dokter Klondike', wat Hermans in een latere novelle verwerkte. Na de oorlog vestigde Cola Debrot zich als arts op Curaçao. Hij werd ook actief in de politiek, en kwam in 1952 als gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen naar Den Haag. Tussen 1962 en 1970 was hij gouverneur van de Antillen. Na deze periode vestigde hij zich in Nederland. De laatste jaren van zijn leven bracht hij, gedeeltelijk lijdend onder zware depressies, door in het Rosa Spierhuis in Laren.

    Extra bron: www.wikipedia.org

    Antonie Joseph Philip de Haseth Möller (Curaçao 1916-1979). Antonie ging als veel jongens van de Antilliaanse bovenlaag voor zijn studie naar Nederland. Hij studeerde rechten in Leiden en werkte tot 1941 ook in het bedrijfsleven. Hij deed in de oorlog mee aan het studentenverzet. Hij probeerde naar Engeland te komen en werd bij een van die pogingen, in augustus 1943, in Zuid-Frankrijk opgepakt en naar het Duitse concentratiekamp Buchenwald gestuurd. De Haseth Möller overleefde het kamp. Hij werkte na de oorlog als secretaris van de krijgsraad in Engeland. In 1948 werd hij griffier van het gerecht in Curaçao, twee jaar later substituut-officier van Justitie. Tussen oktober 1955 en oktober 1957 was de Haseth Möller rechter-plaatsvervanger in Rotterdam. Deels gelijktijdig was hij lid van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen (1957-1961). In juni 1962 werd hij rechter-plaatsvervanger bij de Amsterdamse rechtbank en een klein jaar later rechter van de rechtbank in Haarlem.

    Extra bron: http://66.197.141.254/burhoven/recht-h.htm

    Luís de Lannoy werd al genoemd, vriend en mentor van Boy Ecury. Luís was zoon van een apotheker op Curaçao en volgde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zijn opleiding in Tilburg. Hij sloot zich aan bij het studentenverzet en werkte een tijd op een distributiekantoor, om zodoende levensmiddelenbonnen te kunnen bemachtigen voor onderduikers. Daarnaast verspreidde hij illegale bladen en maakte plannen om Duitse vrachtauto’s met fabrieksladingen onschadelijk te maken. Ecury voerde de plannen met brandbommen uit. Door verraad werd Lannoy op 12 februari 1944 gearresteerd en naar de Utrechtse strafgevangenis overgebracht. Tijdens een verhoor sloegen de Duitse ondervragers hem door een ruit, waardoor glassplinters in zijn hoofd terecht kwamen. Een bevrijdingspoging door Boy Ecury mislukte. Op 5 september 1944, ‘Dolle Dinsdag’, lukte het hem zelf te ontsnappen door zichzelf als advocaat voor te doen. Een vermoedelijke verwant, Luis A.J. de Lannoy (1952), was tot juni 2007 president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

    Delfincio Navarro studeerde tijdens de oorlog rechten in Nederland en kwam via bevriende Antilliaanse studiegenoten in het verzet terecht (zie Boy Ecury en Tirso Sprockel). Hun onderlinge communicatie verliep vaak in het Papiaments. Na de oorlog ging Navarro terug naar de Antillen en werkte er als jurist (zie ook www.wikipedia.org).

    Tirso Sprockel (Curaçao, 28 januari 1916 - Pedro Tirso Maria) was een andere Antilliaanse student in Nederland. Hij maakte zijn huis tot een onderduikadres voor joden en geallieerde piloten. Het vormde een schakel in de vluchtroute via Spanje naar Engeland. George Maduro* was op dit gebied ook actief, en zou in juni 1943 zelf proberen (tevergeefs) zo naar Engeland te vluchten. Sprockel werd een aantal malen door de Sicherheitsdienst gearresteerd, maar vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

    Toekomst Antillen
    Tirso Sprockel en een aantal medestudenten, onder wie Delfincio Navarro* en Boy Ecury*, discussieerden ook over de toekomst van de Antillen. Daarbij waren zij kritisch ten aanzien van de positie van invloedrijke joodse zakenlieden en bankiers als Maduro, Curiel, Henriquez en Cohen. Ze wilden meer kansen voor ‘de echte Curaçaoënaar’ – waartoe ze uiteraard wel zichzelf rekenden. De moedige studenten waren niet vrij van antisemitisme maar hielpen joden wel onder te duiken en te vluchten.


    Plantage Bloemhof, met als 5e Tirso Sprockel (Bron: www.bloemhof.an)

    vervolg
    Na de oorlog trouwde hij met Wilhelmina (Minette) G.M. Dudar (Tilburg, 11 augustus 1913 - Curaçao, 20 juli 1997). Sprockel, linguïst, zette zich onder meer in voor de bestudering van het Papiaments (www.papiamentu.nl). Met zijn nicht Aminta da Costa Gomez was hij actief voor gehandicapte jongeren op Curaçao. In 1986 werd hier een vormingscentrum voor verstandelijk gehandicapte jongeren naar hem genoemd. Tirso Sprockel ontving verschillende hoge onderscheidingen. Hij overleed op 23 september 2007, op 91-jarige leeftijd.
    Zie ook www.wikipedia.org

    Carlos Alberto Winkel (Curaçao 1914). Winkel studeerde medicijnen in Leiden, waar hij afstudeerde met een proefschrift over kinderreumatiek. Net als Oscar Beaujon* weigerde hij de loyaliteitsverklaring te tekenen. Carlos ging in het verzet. Na de oorlog was hij kinderarts op zijn geboorte-eiland. In 1975 werd hij bijzonder hoogleraar pediatrie aan de universiteit van Groningen.


    Antilliaanse joden in Westerbork


    De verschillende herdenkingssites noemen vier Curaçaose slachtoffers van de genocide op de joden. Daarnaast wordt een vrouw genoemd die in 1920 op Saba werd geboren, echter van een Surinaamse familie kwam: Thelma Polak (zie Suriname). Tenslotte zijn twee joodse studenten te noemen die vanwege hun dienst in het Nederlandse leger en/of hun rol in het verzet in een nazi-kamp om het leven zijn gekomen: Mordechai Gandelman en George John Lionel Maduro (zie boven).

    1. Edgard Alvares Correa. Geboren in Curaçao op 22 november 1880. Edgar Alvares Correa woonde sinds 31 maart 1917 in de psychiatrische inrichting Willem Arntszhoeve in Den Dolder, Zeist. Op de site van Joods Monument staan 14 patiënten en 2 personeelsleden van de W.A.-hoeve. Op 2 februari 1943 was een eerste ontruiming. Op 27 november kwamen de overvalwagens opnieuw. Door heftig verzet van het personeel moest de bezetter terugtrekken. Op 13 december kwam men terug. Twaalf patiënten en van het personeel vermoedelijk leerling-verpleegster Heintje Aronson-Swaab (1919) werden op 13 december 1943 opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Edgar Alvares Correa stierf hierop 26 maart 1944, 63 jaar oud. Hij was met Hartog Krant (Amsterdam, 1917) de laatste van de groep die werd vermoord.
      Extra bron: www.rhoen.nl/oorlogsmonumenten/OorlogsmonumentenZeist.pdf
    2. Carolina van Lissa-van Lissa. Geboren in Curaçao op 13 februari 1864. Laatst bekende woonplaats: Stadhouderslaan 4, Den Haag. Gestorven in Auschwitz op 15 december 1942, 78 jaar oud. Mevrouw van Lissa was weduwe. Zij woonde samen met een verwante, Renette Victorine van Lissa (Kampen, 8 december 1886), die eveneens op 15 december 1942 in Auschwitz vermoord werd, 56 jaar oud.
    3. Abigaël Santcroos. Geboren in Curaçao op 29 december 1865. Laatst bekende adres: Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht ‘Het Apeldoornse Bos’, Zutphensestraat 106, Apeldoorn. Uit de site van het Joods Monument: ‘In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd het Apeldoornse Bos 'leeggehaald'. De naam van mevrouw Santcroos is nummer 33 op de lijst van het Joods Monument met patiënten- en andere slachtoffers van de Sjoa. Zij behoorde bij de oudste bewoners.

      De in Suriname opgegroeide jonge vrouw Thelma Polak (zie Suriname) komt ook op de naamlijst van ‘Het Apeldoornse Bos’ voor. Zij was wellicht verpleegster.


      foto: www.oudapeldoorn.nl

      Wat gebeurde er?
      Uit ‘Ondergang’ van dr. Presser, I p. 322-330 (www.dbnl.org/tekst) de volgende fragmenten: ‘Enige cijfers? Op 31 december 1942 bevonden zich in de stichting ‘Het Apeldoornse Bos’ bijna 1100 mannelijke en vrouwelijke verpleegden, welk aantal zich tot de dag van de catastrofe wel niet zeer zal hebben gewijzigd; het verplegend, huishoudelijk en technisch personeel bestond uit 400 à 500 personen, waarvan een honderd moeten zijn ondergedoken. Slechts een tiental kwam uit de deportatie terug. In de stichting ‘Achisomog’ werden 74 jongens en 20 meisjes verpleegd, volgens een andere opgave iets meer; wat er van deze kinderen, moeilijk opvoedbaar, debiel, imbeciel en idioot, terecht is gekomen, behoeft geen toelichting…

      Het doorslaggevende bevel tot de ontruiming heeft Harster via Zöpf uit Berlijn gekregen en wel van Eichmann, die een trein van 25 wagons stuurde om de patiënten weg te voeren. …. Op 19 januari, vermeldt Wielek, ‘deelde de Apeldoornse commissaris van politie in gesprekken met ingezetenen en de geneesheer-directeur mede, dat de hele plaats nu 'jodenvrij' gemaakt zou worden’…

      Maar uit meer dan één document van die tijd mag men opmaken, dat zich in de inrichting ook personen bevonden, die er a.h.w. in waren ondergedoken … dat geldt vrijwel zeker voor een aantal z.g. leerling-verplegers en -verpleegsters; daarnaast hoogstens een enkele andere ondergedokene. Maar vele gezonden gingen tegelijk met de zieken en deelden hun lot…

      Reeds bij die inlading in de vrachtauto's liep de zaak volkomen in het honderd. Vaak kwamen slagen en schoppen eraan te pas om de mensen in de auto's te krijgen, kinderen ondergingen hetzelfde lot. Niet weinigen waren nauwelijks gekleed. ‘Ik heb zelf gezien, dat de patiënten, meest oudere vrouwen, op matrassen op een vrachtauto werden gelegd en een volgende mensenlaag eroverheen’, aldus een ooggetuige…

      De volgende ochtend, in de vroegte, riep Aus der Fünten vrijwilligers op onder het verplegend personeel, om met de trein mee te reizen. Uit eigen beweging kwamen er 20, hij zelf wees 30 aan; zij gingen in een aparte wagon, achter de andere aangehaakt. Zij hadden de verzekering gekregen, dat zij daarna zouden terugkomen, of vrijwillig in een modern ziekenhuis werken. Niemand hunner heeft het overleefd. Niemand van de patiënten ook…

      Op de genoemde vijftig na voerden de Duitsers het personeel naar Westerbork. Eerst 300, die volgens een ooggetuige zingend in dat kamp zouden zijn aangekomen. Van hen heeft een half dozijn personen het overleefd. De administratieve staf bleef met de directeur tot 1 februari in de inrichting. Van deze 30 personen heeft een tweetal het overleefd; ook de directeur als reeds gezegd, is omgekomen…

      ‘Nadat de SS-lui hun werk hadden gedaan, haalden zij hun loon; ze plunderden in alle gebouwen. Niets bleef gespaard. Het is niet te beschrijven, in welke toestand zich alle gebouwen na deze plundering bevonden…’


      Abigaël Santcroos stierf in Auschwitz, op 25 januari 1943, op de leeftijd van 77 jaar.

      De in Suriname opgegroeide Thelma Polak (22) werd zes weken later, op 5 maart 1943, in Sobibor vergast.
      Op 23 april 1990 werd door ex-Koningin Juliana bij de hoofdingang van het complex een monument onthuld. ‘Het tragische einde van Het Apeldoornsche Bosch, in de volksmond het Jodenbosch, is gesymboliseerd in een bescheiden maar aangrijpend monument in het Prinsenpark, met de tekst ‘Nooit heb ik wat ons is ontnomen zo bitter liefgehad’, een citaat uit een gedicht van Ida Gerhardt (artikel Wim Nijhof, ‘Schuylenburg lijkt op een kleine stad’, www.sheerenloo.nl - Spectrum 2005).
    4. Guillermito Aniceto Ster. Geboren in Curaçao, op 17 april 1888. Laatste woonplaats Oranje Nassaustraat 8a in Hillegersberg (Rotterdam). Guillermito was getrouwd met Rebecca Sanders (Rotterdam, 1 april 1900). Hij stierf in het kamp Oranienburg (Sachsenhausen) op 13 januari 1943, op 54 jarige leeftijd. Rebecca werd drie maanden eerder, op 22 oktober 1942, vermoord in Auschwitz, 42 jaar oud.
      Van dit huishouden is ook een JOKOS-dossier (nummer 7588) aanwezig op het Gemeentearchief van Amsterdam. Dit betekent dat er na de oorlog een claim is neergelegd bij de Bondsrepubliek Duitsland vanwege geroofde huisraad.

    Bronnen / Verder lezen

    Zie ook Verhalen:
    Abigaël Santcroos en Thelma Polak in 'Het Apeldoornse Bos'

    Ad van den Oord, Allochtonen van nu en de oorlog van toen
    Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles. Cincinnati 1970, p. 501.
    weblog.donamaro.nl
    www.veteranen-online.nl
    www.fleetairarmarchive.net
    www.geocities.com/Athens
    www.geocities.com/Pentagon
    www.nik.nl


    Bronnen / Verder lezen




    Allochtonen van nu & de oorlog van toen - Marokko, de Nederlandse Antillen, Suriname en Turkije in de Tweede Wereldoorlog
    Ad van den Oord, SDU/Forum 2003, isbn 90-5409-420-6
    Marokkanen vechtend in de Zeeuwse klei. Antilliaanse studenten in het Nederlands verzet. Surinaamse vrijwilligers naar de Oost, joodse vluchtelingen (niet) naar de West. Turkije als de enige brug naar Palestina…
    De Tweede Wereldoorlog zette alles op z’n kop. Mensenmassa’s raakten op drift door dienstplicht, deportatie, invasie of vlucht. Dat betekende meestal een lijdensweg, maar daagde ook uit om de eigen identiteit en loyaliteit te overdenken. Hoe waren allochtone Nederlanders bij de oorlog betrokken en hoe beleven ze dat nu? Elke groep heeft z’n eigen verhaal, zo wordt duidelijk. Maar als we elkaar goed willen begrijpen, moeten we ook delen in elkaars verleden.
    'Allochtonen van nu & de oorlog van toen' is een eerste stap. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft in opdracht van FORUM, Kennisinstituut voor Multiculturele Ontwikkeling, onderzoek gedaan naar de militaire, economische en politieke betrokkenheid van Marokko, Turkije, Suriname en de Nederlandse Antillen bij de Tweede Wereldoorlog. Deze uitgave zal het gezamenlijke verleden van autochtone en verschillende allochtone bevolkingsgroepen in Nederland voor het voetlicht brengen.



    Wereldoorlog in de West - Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba 1940-1945.
    Publicatie naar aanleiding van de gelijknamige expositie in het Verzetsmuseum Amsterdam, van 29 juni 2004 - 28 november 2004. Liesbeth van der Horst - Uitgeverij Verloren i.s.m. het Verzetsmuseum Amsterdam, ISBN 90-6550-794-9

    History of the Jews of the Netherlands Antilles - Isaac S. and Suzanne A. Emmanuel, Cincinnati 1970

    Data privécollectie John T.S. Brouwer de Koning versie 5.3

    Anne Frank Stichting

    www.engelfriet.net

    www.verzet.org

    www.verzetsmuseum.org/west

    www.verzetsmuseum.org/go-west

    DutchJewry

    Joods Monument

    Lo Tisjkach

    Oorlogsgravenstichting