Is het kader met afbeeldingen rond dit frame NIET zichtbaar: klik hier

Reageer op deze site!

Turkse joden in Westerbork

                                          


Istanbul, plein voor Dolmabahce-Paleis rond 1900

I. Namen van slachtoffers uit vier Duitse documenten (19)
II. Namen van slachtoffers uit twee slachtoffersites (29)
III. Herinneringen en foto's van de familie Mogroby
IV. Andere familienamen en achtergronden


Paragraaf I
De namen van de eerste groep hieronder genoemde slachtoffers (19) zijn op één of meerdere nazi-Duitse documenten, aanwezig in het NIOD, betreffende Turkse joden gevonden:
- een lijst met Turkse paspoorthouders van 11 februari 1943
- een vergelijkbare lijst van 16 februari
- een telex van de chef Judenreferat W. Zoepf aan de commandant van Westerbork van 16 maart 1944
- een transportlijst voor concentratiekamp Bergen-Belsen van 13 september 1944.

In totaal staan daar 88 namen op. Niet alle leden van de vermelde Turks-joodse families komen op de vier Duitse documenten voor. Wel de grote meerderheid. De namen en geboorteplaatsen zijn soms afkomstig uit het vroegere Ottomaanse Rijk, soms niet. Er zijn zowel Mediterrane (Sefardische) als Duitse (Aschkenazische) namen. Wij weten ook niet of deze 88 mensen zichzelf als 'Turks' beschouwden. In ieder geval beschouwden de Duitse nazi's hen als joden met een uitzonderingspositie: zij beschikten in principe over de nationaliteit van een neutrale staat, Turkije. Zij hoefden dan niet per se geëlimineerd te worden. 19 Van hen kwamen toch om het leven.
Overigens komt de naam Sorias niet op de gedenkwand van de Hollandsche Schouwburg voor.

Paragraaf II
Niet alle leden van joodse families met directe of indirecte relaties tot het Ottomaanse Rijk worden in een van de vier Duitse documenten genoemd. Ad van den Oord, de auteur van 'Allochtonen van nu en de oorlog van toen' heeft daar terecht op gewezen. Wie kijkt op een site met geboorteplaats-selectie en daar Constantinopel of Istanboel kiest, ziet nieuwe namen. Van hen is niet duidelijk of de nazi's hen in principe als Turks beschouwd hebben. Waar een relatie met de bekende namen kon worden gelegd is dat gebeurd. Allen zijn na de gedocumenteerde groep in namenlijst II opgenomen. Het aantal is in feite toevallig.

Paragraaf III
De familie Mogroby kent zowel slachtoffers die in de Duitse documenten worden genoemd als anderen; de namen van de niet-genoemden zijn als 9a-9d toegevoegd aan de eerste naamlijst en als 21-24 aan de tweede. Dankzij informatie van de familie, die ook foto's ter beschikking stelde, kon een eigen paragraafje ontstaan over deze Turks-joodse familie.

Paragraaf IV
De vierde paragraaf geeft de achtergronden van de vier nazi-documenten en de gegevens die naar voren komen uit het Westerborkse dagboek van Philip Mechanicus en uit De Ondergang van dr. J. Presser. Ook worden de familienamen en de geschiedenis weergegeven van hen uit de Turks-joodse gemeenschap die de Holocaust hebben overleefd. Een speciale groep wordt gevormd door de opvarenden van de ss Drottningholm.


I. Namen van slachtoffers uit vier Duitse documenten (19)



Synagoge Safed (Palestina/Israël)

1. Dora Bedak-Petenbaum (Jerusalem, 1 mei 1887)
Volgens de Duitse paspoortlijst van februari 1943 (zie onder) was zij woonachtig in Den Haag (Sonderdankstraat 21, bij Clingendaal). Zij woonde daar met haar man, Herman Bedak (3 febr. 1887), die ook in Jerusalem werd geboren, en hun vermoedelijke dochter Rebecca, die in 1915 in Bremen werd geboren. Alle drie beschikten over een Nederlandse vreemdelingenpas. Het is aannemelijk dat het gezin Bedak in de jaren dertig naar Nederland is gevlucht. Dora's pas was op 9 november 1939 verlopen; die van haar dochter in juni 1939, de vreemdelingenpas van Herman Bedak was pas verlopen op 9 november 1941.

Dora Bedak-Petenbaum (56) werd op 27 maart 1944 in Auschwitz om het leven gebracht. Zij is, voorzover bekend, de enige van de 49 Turkse joden op de twee Duitse lijsten van 1943 die in de Holocaust sterft. Evenals haar man was zij een van de drie van de 49, die ook in de telex van Zoepf wordt genoemd. De Turkse autoriteiten in Duitsland erkennen hen niet meer als Turkse staatsburgers. Met haar komen van de Zoepf-groep ook Rachel en Isaac Jakob van de Kar-Mogroby, Esther Moreno-Peres, Sara Sorias-Benadereth en haar kinderen Alberto (dochter Carmen vermoedelijk niet) in die dagen om het leven. Zij zijn dan inderdaad met het eerste transport na de telex meegestuurd, op dinsdag 22 maart 1944. Bijna zeker werden zij bij aankomst onmiddellijk voor de gaskamers geselecteerd. Waarom de vrouwen en kinderen niet allen dezelfde overlijdensdatum hebben is onduidelijk.

2. Ribca Chichou (Safed/Palestina, 23 juni 1892)
Haar naam staat op de transportlijst naar Bergen-Belsen van 13 september 1944. Achter haar naam staat naast het beroep, verkoopster, ‘wahrscheinlich Turkei’ en ‘straffällig’. Volgens de site van het Joods Monument was haar laatste adres de Witte de Withstraat 38-II in Amsterdam. Vermoedelijk waren haar nationaliteitspapieren onduidelijk. Ze was misschien strafbaar omdat ze ondergedoken was geweest. Wellicht is ze daarom ook niet naar het Benadonlager gegaan. Zij is op 29 april 1945 in Hillersleben gestorven, 52 jaar oud. Ribca was met Irma Foerder (zie onder) de enige van het transport die de Sjoa niet overleefde.
Mijnheer 'Sjiso', die Rob Mayer van een foto met zijn grootvader Jakob Mogroby kent (paragraaf III), was wellicht haar man. De heer Sam Behar (oktober 2005) schrijft dat 'de oude heer Chichou' in de Portugees-Israëlitische synagoge (P.I.G.) een bepaalde titel had, en evenals voorzangers en rabbijnen een steek droeg. Afstammelingen van het echtpaar Chichou leven nog in Nederland.

Hillersleben ligt 20 km noordwestelijk van Maagdenburg. Mevrouw Chichou moet dus in de eerste trein hebben gezeten die vanwege de door Berlijn bevolen evacuatie van ongeveer 7000 Hongaarse, ‘neutrale’ en andere ‘uitwisselingsjoden’ Bergen-Belsen verliet, op zondag 8 april 1945. De Benadon-groep was toen al ruim een maand weg. Deze trein vervoerde 2400 mensen, van wie er 179 uit Nederland afkomstig waren. Het station van Bergen-Belsen lag 8 kilometer van het kamp. Men moest zich erheen slepen. De treinen waren besmet met ziektes, veel gevangenen overigens ook. De trein reed kris kras door Duitsland, aangevallen door geallieerde vliegtuigen, en werd vijf dagen later niet ver van Maagdenburg door de bewakers verlaten. ‘Hij moest met man en muis in de Elbe worden gestort’.



US-Commandant C. Cross van het 743ste Tank Bataljon en de 30e Infanterie Divisie, zagen de trein, hun uitgehongerde passagiers en krijgsgevangen Finse bewakers op vrijdag 13 april in een dal bij een verlaten stationnetje. De soldaten gaven de bevrijde gevangenen en Finnen te eten. Majoor Benjamin maakte foto’s. Later kregen velen in hun kamp te Hillersleben medische verzorging. Verschillenden stierven daar of waren al dood, en werden naast het veldhospitaal begraven. Onder hen moet Ribca Chichou geweest zijn. In de tijd na de oorlog werd de plaats waar het veldhospitaal stond tot park gemaakt. Door toedoen van nabestaanden en de U.S. Commission for the Preservation of America's Heritage Abroad werd er in 1995 een begraafplaats gemaakt. Er rusten 62 geïdentificeerde slachtoffers. In juli 2000 hielden enkele neonazi’s op de begraafplaats huis.

3. Luna Cymbalist-Peres (Constantinopel, 14 mei 1897)
Samen met haar man Simon (zie onder) en hun vermoedelijke dochter Rosa staat zij in de telex van Zoepf genoemd. De Turkse autoriteiten in Duitsland erkennen hen niet meer als Turkse staatsburgers. Uit de geboorteplaats van de dochter blijkt dat het gezin in Berlijn heeft gewoond. Wellicht zijn zij, evenals de familie Bedak, in de jaren dertig naar Nederland gevlucht en hadden zij een vreemdelingendocument. Of speelde de Poolse achtergrond van haar man een rol? In april 1942 woonde het gezin op de Doctor Smitstraat 5 in Zandvoort. Luna Cymbalist-Peres overlijdt op of rond 31 augustus 1944 in Auschwitz (47), op dezelfde dag als haar man en haar dochter. Misschien maakten zij net als het echtpaar Bedak deel uit van het transport van 22 maart, maar werden zij niet direct voor de gaskamers geselecteerd. Esther Moreno-Peres (Constantinopel 1888) wordt ook in de telex genoemd.

4. Rosa Cymbalis(t) (Berlijn, 8 juli 1927)
De naam Rosa Cymbalist komt voor in een website-herinnering van de Zandvoortse Hester Waas-Kool (1927) (www.remember.org/children/koolsmom.html). Zij vertelt dat haar ouders en broer in de lente van 1943 worden opgeroepen voor deportatie via de Hollandsche Schouwburg. Een vriendin van haar, die al in het ondergrondse verzet meedoet, helpt haar op dat moment onder te duiken. De vriendin heette Rosa Cymbalist. Rosa werd op dezelfde plaats en tijd vermoord als haar moeder, in Auschwitz op 31 augustus 1944. Rosa was 17 jaar. Sam Behar herinnert zich dat een gezin Cymbalist over het dak probeerde weg te komen; het zouden Rosa en haar ouders kunnen zijn geweest.


Kamp (M. Cobelens coll. JHM)

5. Szymon Cymbalist (Warschau, 29 aug. 1894)
Volgens de site van het Joods Monument was Szymon kruier. Samen met zijn vrouw Luna (zie boven) en hun dochter Rosa staan zij in de brief van Zoepf genoemd. Szymon of Simon (OGS) overlijdt op dezelfde datum als zijn vrouw, op 31 augustus 1944, net 50 jaar oud. Niet echter in Auschwitz, maar in ‘Midden-Europa’. Dit kan de aanduiding zijn van een werkkamp.

Een ‘cymbalist’ bespeelt een ‘cymbalon’, een instrument dat een vaste plaats heeft in Oost-Europese zigeuner- en klezmerbands.

6. Irma Foerder-Austerlitz (Oberglogau, 17 april 1888 – ogs.nl heeft 1880)
Haar laatste adres was de Mauritsstraat 7 in Utrecht. Haar naam staat op de transportlijst naar Bergen-Belsen van 13 september 1944. Achter haar naam staat genoteerd ’zonder beroep’. Irma Foerder was met Ribca Chichou (zie boven) de enige van het transport die de Holocaust niet overleefde. Zij overleed in Bergen-Belsen op 8 november 1944, vermoedelijk in het Benadon-Lager, binnen twee maanden na aankomst. De uitwisseling via Zweden heeft zij daardoor niet meer meegemaakt. Oberglogau ligt in Opper-Silezië, in 1880 behorend tot het Duitse Rijk.

7. Max Friedman (Chestochowa/Czenstochau, 2 nov. 1895)

     
Max en Helene Friedman-Pipesberg. Links de huwelijksfoto (ca. 1925), rechts het echtpaar met dochter Ruth. Foto's: familiecollectie Ruth Bornstein Friedman (Hawaii)

Zijn naam wordt op de sites van de Oorlogsgravenstichting en het Joods Monument als Friedman geschreven. Ook uit bewaard gebleven familiefoto's blijkt dit de correcte spelling te zijn.
Max Friedman trouwde in de jaren twintig met Helene Pipesberg (16 sept. 1905). Het echtpaar kreeg een dochter, Ruth. Max was een bekende persoon in Amsterdam en Den Haag. In de laatste stad was hij 'chef de restaurant', hetgeen vermoedelijk hoofd bediening en personeel betekent ('maitre'). Hij woonde in die tijd, getuige zijn visitekaartje, op de 1e Van den Boschstraat 216, Bezuidenhout.

     
Links: Max Friedman, voorste rij links. In Amsterdam? Rechts: Visitekaartje Max Friedman met grap. Foto's: familiecollectie Ruth Bornstein Friedman (Hawaii)

Het gezin Friedman werd ondanks hun Turkse papieren gedeporteerd en kwam in Bergen-Belsen terecht. Na de evacuatie van het kamp en de bevrijding stierf Max op 19 mei 1945 in Tröbitz, bij Leipzig. Hier was een van de drie evacuatie-treinen uit Bergen-Belsen gestrand. De eerste trein kwam terecht in Maagdenburg; de tweede in Theresienstadt en de derde raakte verloren. Men sprak van de ‘lost train’. Gelukkig stond de trein soms stil, zodat de meest gezonde passagiers eten en drinken konden zoeken. Veel passagiers leden aan vlektyfus. Veel mensen stierven, maar minder dan bij andere 'dodenmarsen'. Op 23 april 1945 bleef de trein stilstaan. Het was in het dorpje Tröbitz in de Niederlausitz, zestig kilometer van Leipzig. Daar waren Russische bevrijders. De meeste inzittenden moesten worden verpleegd. Sommigen in Leizpig, dat toen in Amerikaanse handen was. Na twee maanden waren volgens de schatting van Joep Weiss van de 2500 oorspronkelijke reizigers nog 1900 mensen in leven. Max Friedman overleefde de evacuatie niet, zijn vrouw en dochter wel. Zijn graf is op de joodse begraafplaats van Tröbitz, tweede rij, nr. 12.
Helene Friedman-Pipesberg en haar dochter Ruth overleefde de Sjoa en emigreerden naar de VS. Helen hertrouwde met Victor Sorias, ook een jood met Turkse papieren. Met haar dochter Ruth en zijn dochter Carmen (zij overleefde vermoedelijk eveneens) vormden zij een nieuw gezin. Zie verder onder Sorias.

Extra bronnen: mevr. Rosa Vega (USA), september 2011; www.familysearch.org/Eng/Search; www.joodsmonument.nl

8. Abraham Goldberg (Frankfurt am Main, 9 juni 1896)
Zijn laatste woonplaats was Sarphatipark 105-III in Amsterdam. Abraham Goldberg staat als eerste genoemd in de telex van Willi Zoepf. De Turkse autoriteiten erkennen hem niet langer als hun staatsburger. Hij overlijdt op dezelfde dag en met dezelfde plaatsaanduiding als Simon Cymbalist, op 31 augustus 1944 in Midden-Europa. Misschien maakten zij ook deel uit van het transport van 22 maart, maar werden zij niet direct voor de gaskamers geselecteerd.

9-10. Rachel ('Elly') van de Kar-Mogroby (Amsterdam, 31 oktober 1906) en Isaac (Isaak) Jakob ('Freddy') (Amsterdam, 7 juni 1937)
Haar naam staat samen met die van haar man Isidor en hun zoon Isaac in de telex van Willi Zoepf. De daar genoemde geboortedatum van 'Isaak' (7 juni 1931) moet 7 juni 1937 zijn. De kleine Isaac Jakob was nog geen zeven. Zijn tweede naam is naar grootvader Mogroby. Het laatste adres van het gezin was de Cornelis Anthonieszstraat 73-II in Amsterdam. De Turkse autoriteiten erkennen hen niet langer als hun staatsburger. Rachel en Isaac Jakob overlijden op 26 maart 1944 in Auschwitz. Op dezelfde dag en plaats als Dora Bedak-Petenbaum, Esther Moreno-Peres, Sara Sorias-Benadereth en haar zoon Alberto (dochter Carmen vermoedelijk niet), in Auschwitz, in de dagen 25-27 maart 1944.
Haar man Isidor (zie onder) werd vermoedelijk naar een werkkamp gestuurd. Hij overleed vijf maanden na zijn vrouw. De vrouwen en kinderen gingen met het eerste transport na de telex mee, op dinsdag 22 maart, en werden direct na aankomst vergast. Dat zou 25 maart zijn. Het verschil in de sterfdata is niet te verklaren.

Een andere vrouw die in de telex van Zoepf wordt genoemd, Friederike Monas-Mogroby (Wenen 1900), was een zuster van Rachel (zie onder). Dat geldt ook voor Lea Mayer-Mogroby (Amsterdam 1912) die op de paspoortlijst voorkomt.

Op de site van de Oorlogsgravenstichting staan naast Rachel van de Kar-Mogroby nog 4 slachtoffers van de Sjoa met de naam Mogroby. Hun namen komen niet in de telex van 17 maart of in andere naamlijsten voor. In paragraaf III staan informatie en foto's van een groot aantal familieleden. Het gaat om:


Damascus, Ommayaden moskee

9a. Jacob Meyer Mogroby (Damascus, 14 april 1870), gestorven in de omgeving van Auschwitz op 6 september 1944 (74). De familie kent hem als Jacob Meijer. Uit zijn eerste huwelijk stamden onder meer de hier genoemde Mozes (Alexandrië, 1898), Friederike (Wenen, 1900), Rachel (Amsterdam, 1906) en Lea (Amsterdam, 1912). Jakob Meyer Mogroby en zijn gezin kwamen in 1901 vanuit Wenen naar Amsterdam. Ruijschstraat 86-hs was hun laatste adres.
9b. Johanna Mogroby-de Wolff (Stad Delden, 27 mei 1881), gestorven in Auschwitz op 6 september 1944 (63). Zij was de tweede echtgenote van Jacob Meyer.
9c. Mozes Mogroby (Alexandrië, 10 feb. 1898), gestorven in (verm.) Auschwitz in september 1944. Hij was de vader van:
9d. Alfred Mogroby (Wenen, 18 okt. 1921), gestorven in een arbeidscommando van Buchenwald, Weimar, op 1 december 1944.

11. Isido[o]r van de Kar (Amsterdam, 5 aug. 1908).
De familie kent hem als Isidor. Volgens de site van het Joods Monument was hij typograaf. Hij stierf in ‘Midden-Europa’, op 9 mei 1945. Dat is een dag na de Duitse capitulatie. Mogelijk maakte hij met zijn vrouw en zoon deel uit van het transport van 22 maart, maar werd hij niet direct voor de gaskamers geselecteerd en naar een ander kamp gestuurd (zie Szymon Cymbalist en Abram Goldberg).

12-13. Het echtpaar Benjamin Monas (Amsterdam, 21 juli 1893) en
Frei[ie]derika Monas-Mogroby[ij] (Wenen, 15 jan. 1900)
De familie kent haar als Friederike. De Holocaust-sites spellen alleen haar naam als Mogrobij. Benjamin was diamantbewerker. Het laatste adres van het gezin was de Valckenierstraat 17a-I, Het echtpaar sterft vijf weken vóór de telex van Zoepf, op 11 februari 1944, in Auschwitz. Hij is 51, zij 44. De namen van het echtpaar staan samen met die van hun zoon, Jacques Benjamin, bij de eerste groep in de telex. De zoon, 17 jaar oud, overleefde door uit de trein te springen. Het is onduidelijk waarom het gezin eerder dan de officiële 'toestemming' gedeporteerd werd.

Voor andere familieleden zie Rachel van de Kar-Mogroby. Alfred Mogroby werd ook in Wenen geboren, in 1921.


Buchenwald (H. Pieck, coll. JHM)

14. Esther Me[o]reno-Peres (Constantinopel, 14 aug. 1888)
Esther was weduwe. Haar naam staat in de telex van Willi Zoepf. De Turkse autoriteiten erkennen haar niet langer als staatsburger. Zij overlijdt in Auschwitz, op 26 maart 1944. In dezelfde tijd als Dora Bedak-Petenbaum (27 maart), Rachel en Isaac Jakob van de Kar-Mogroby (26 maart), Sara Sorias-Benadereth en haar zoon Alberto (dochter Carmen vermoedelijk niet) op 25 maart. Bijna zeker werden zij bij aankomst onmiddellijk voor de gaskamers geselecteerd. Waarom de vrouwen en kinderen niet allen dezelfde overlijdensdatum hebben is niet goed te verklaren. Luna Cymbalist-Peres (Constantinopel 1897) wordt ook in de telex genoemd.

15. [Jecheskel] Josna [Josua] Neubauer (Würzburg 26 nov. 1924)
Hij staat met zijn vader en moeder bij de tweede groep in de telex van Zoepf. Hij kwam op 9 september 1944 in Bergen-Belsen om het leven (19).

16. Jakob Neubauer (Leipzig, 29 jan. 1895)
Leraar Nederlands-Israëlitisch seminarium te Amsterdam. Het laatste adres was Nieuwe Prinsengracht 28-III. Zijn naam staat met die van zijn echtgenote Rosalie (Galicië 1895) en hun zoon Josua (zie boven) bij de tweede groep in de telex van Zoepf. Zij werden niet door de Turkse maar door de Duitse autoriteiten stateloos gemaakt. Jakob stierf in Bergen-Belsen, op 22 maart 1945. Bergen-Belsen was gedeeltelijk een uitwisselingskamp. Vermoedelijk had het gezin papieren voor Palestina en kon het zo aan deportatie naar Auschwitz ontkomen. De naam van echtgenote komt niet voor in het register van de Oorlogsgravenstichting. Zij heeft Bergen-Belsen vermoedelijk overleefd. Volgens de site van het Joods Monument waren er nog drie kinderen, die eveneens in leven bleven. Een van hen was Mirjam Neubauer (Wiesert, 31 mei 1923). Haar naam komt voor op de paspoortenlijst van 1943 met hetzelfde adres als van haar ouders. Er staat bijgeschreven: 'Hat keine Papiere, ist vermutlich Staatenlos'. Desondanks heeft Mirjam het gered.

Jakob Neubauer en zijn gezin vluchtten in 1933 uit Duitsland naar Amsterdam. Hij speelde een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling van het Nederlands Israëlitisch Seminarium en in de religieuze opleving in joods Nederland. Hij was een zeer gewaardeerde leermeester (M.H. Gans, Momorboek, Baarn 1988; www.joodsmonument.nl). In een website met namen van beroemde rabbijnen en rechtsgeleerden in Würzburg staat als 69ste leraar Jakob Jekutiel Neubauer genoemd. Hij was ‘seminarie-rabbijn’ (ILBA) in deze stad (www.shalomeuropa.de/s_g_pe_02.html).


Saat Kulesi (stadsklok) Smyrna (foto: www.ourfatherlutheran.net)

17-19. Sara Sorias-Benadereth (Smyrna, 1 jan. 1910)
en haar kinderen Alberto (Milaan, 22 april 1931) en Carmen (Amsterdam, 13 juni 1940).
Hun namen staan, samen met die van de vader, Victor Sorias (Lannaca/Larnaca, 10 december 1906) bij de tweede groep in de telex van Zoepf. Zij werden door de Duitse autoriteiten statenloos gemaakt. Moeder en kinderen - Carmen vermoedelijk niet - sterven in Auschwitz, op 25 maart 1944. Zij is 44, haar zoon bijna 14. In dezelfde tijd sterven Dora Bedak-Petenbaum (27 maart), Rachel en Isaac Jakob van de Kar-Mogroby (26 maart), en Esther Moreno-Peres (26 maart) in Auschwitz. Zij maakten deel uit van het eerste transport na de telex van 17 maart. Bijna zeker werden zij bij aankomst onmiddellijk voor de gaskamers geselecteerd. Waarom de vrouwen en kinderen niet allen dezelfde overlijdensdatum hebben kan niet worden achterhaald. De man en vader heeft selectie en kampen overleefd. Dochter Carmen vermoedelijk ook. De heer Sam Behar heeft de familie goed gekend. Hij noemt Sara een 'hele mooie dame'. Hij speelde met Alberto en Carmen.

     
Links: Victor Sorias en Helene Friedman op de Dam in Amsterdam (ca. 1946). Rechts: Victor Sorias in de VS (ca. 1960). Foto's: familiecollectie Ruth Bornstein Friedman (Hawaii)

Victor Sorias hertrouwde na de verschrikkingen met de weduwe van Max Friedman, Helene. Zij overleefde de Sjoa met haar dochter Ruth, zoals ook Victor overleefde met zijn dochter Carmen - aldus een vriendin van de familie. Familiefoto's laten Victor Sorias, Helene Sorias-Friedman en een meisje zien in de leeftijd van Carmen. Zij zijn rond 1950 op vakantie in Milaan, waar de zoon van Victor, Alberto, in 1931 werd geboren. Het nieuwe gezin emigreerde na de oorlog naar Amerika. Daar overleed Victor op 20 november 1964. Ruth trad in het huwelijk met de heer Bornstein. Helen hertrouwde met Leon Schmidt, van oorsprong Berlijner (zie foto). Zij overleed op 28 nov. 1999. Ruth Bornstein werd weduwe. Toen zij een keer verhuisde vond de verhuisfirma een doos vol familiefoto's, bestemd om weggegooid te worden. Dat deed mevr. Rosa Vega van de firma niet. In gesprek met Ruth Bornstein ontstond een beeld van haar geschiedenis. Daarna ging het contact met Ruth verloren.


Helene en Victor Sorias-Friedman met vermoedelijk Carmen Sorias in Milaan (ca. 1950).

Familie bij het graf van Victor Sorias. De oudere vrouw is Lonia Schmidt, vermoedelijk de zuster van Pipesberg's derde echtgenoot. Het meisje met het steentje is Helen's kleindochter. Foto's: familiecollectie Ruth Bornstein Friedman (Hawaii)


     
Links: Familie bij het graf van een bekende. De vrouw rechts is Ruth Bornstein-Friedman. De vrouw links is Lonia Schmidt. Rechts: Leon Schmidt (Berlijn ca. 1930), derde echtgenoot van Helen Pipesberg. Foto's: familiecollectie Ruth Bornstein Friedman (Hawaii)

Extra bronnen: Mevr. Rosa Vega (USA), september 2011.

Een vermoedelijk familielid van het gezin Sorias staat om een andere reden in het register van de Oorlogsgravenstichting. Het is Abraham Sorias, geboren in Izmir (4 juni 1922). Hij was dienstplichtig soldaat in het Nederlandse leger maar verbleef in Zuid-Afrika. Hij maakte deel uit van het 7de detachement Zuid-Afrika, dat aansluiting zocht bij de Prins Irene Brigade. Aan boord van het stoomschip Abosso II, dat burgers en rekruten (Engelse en Nederlandse) van Zuid-Afrika naar Liverpool bracht, is hij op 29 oktober 1942 omgekomen, in het noorden van de Atlantische Oceaan, 1100 km boven de Azoren. De Duitse onderzeeër U-575 torpedeerde het trage schip. Minstens 168 crewleden en 83 passagiers (vermoedelijk velen meer) verloren het leven. Onder hen waren 50 leden van het 7de detachement; hun reddingboot (nr. 3) bleef aan een kant vast zitten aan het zinkende schip en allen kwamen in het water terecht. Ze verdronken. Slechts 31 opvarenden werden, na drie dagen in een lekkende zeilsloep, door de Britse korvet HMS Bideford gered. Abrahams naam staat op het gedenkteken in de tuin van de Nederlandse ambassade in Pretoria, Zuid Afrika. Voor een foto van het gedenkteken klik hier.


II. Namen uit twee slachtoffersites (29)



Jaffa rond 1890, Bonfils

Het gaat hier om de namen van joodse personen die in een van de grotere steden van het 19de-/begin 20ste-eeuwse Ottomaanse Rijk zijn geboren, en om die reden in 1940-1945 wellicht identiteitspapieren hadden van de neutrale staat Turkije.

In de Shoa-herdenkingssite is een aantal voor de hand liggende geboorteplaatsen en -data gecontroleerd; daaronder alle 'Ottomaanse' plaatsen in het huidige Turkije, Macedonië, Syrië, Israël/Palestina en Egypte, die uit de Duitse documenten bekend zijn.

Op deze manier werden nog 25 Shoa-slachtoffers met mogelijk Turkse achtergrond gevonden. Daar komen de vier leden van de familie Mogroby bij die in de eerste naamlijst de nummers 91a-d hebben gekregen. Het is aan te nemen dat degenen die vóór 1944 naar een van de vernietingskampen werden gedeporteerd in de ogen van de Duitse autoriteiten geen beschermende documenten hadden. Hun namen staan cursief (15), de namen van later gedeporteerden (14) vet.

1. Laura Caroline Berent-Rothschild, geboren in Alexandrië (Egypte) op 26 januari 1891. Laatste adres: Graafscheweg 207 in Nijmegen. Gestorven op 12 februari 1943 in Auschwitz (52 jaar). Haar man, Johan Martin Ludwig Berent (Berlijn 1889), koopman, werd op dezelfde plaats en dag vermoord. Hun zoon Peter Max (idem 1922) stierf op 31 maart 1944 in Auschwitz.

2. Rachel Berger, geboren in Jaffa (Palestina) op 26 okt. 1898. Laatste adres: Rijks Krankzinnigengesticht in Eindhoven, Boschdijk 771. Zij is de veertiende naam op een lijst van negentien personen die in de Sjoa werden vermoord – zestien van hen op dezelfde dag als Rachel. Gestorven op 26 maart 1944 in Auschwitz (45 jaar).


Istanbul, Galatabrug in aanbouw met Galata-toren

3-5. Gezin Frances:
Liaho/Liako ('Eliahoe') Frances, rabbijn. Geboren in Saloniki op 17 dec. 1878 (Turkse Rijk). Zijn echtgenote Dimiandi ('Diamante') Frances-Tazartes, geboren in Saloniki op 31 aug. 1881. Hun zoon Daniël Frances, geboren in Saloniki op 9 febr. 1906. De heer Sam Behar schrijft dat er een dochter Dora was en nog twee zonen: Maurice en Jacques. Zij overleefden, evenals de echtgenoot van Dora, dr. Bloch. Behar schrijft eveneens dat de familie Ladino sprak met een niet Turks maar Grieks accent. Rabbijn Frances zegende rond 1930 in Amsterdam het huwelijk in van Salomon ('Salamon') Behar (1903) en Dudu Kuzi (1900), beiden geboren in Adrianopel (Edirne), de ouders van Sam Behar. Het laatste adres van het echtpaar Frances-Tazartes was Plantage Parklaan 2-II in Amsterdam. Daniël Frances, winkelbediende, woonde in de oorlog met zijn echtgenote en kind in de Plantage Franschelaan 7-II. Rabbijn Eliahoe Frances (63 jaar), zijn vrouw Diamante Frances-Tazartes (60 jaar) en hun zoon Daniël (36 jaar) stierven op 28 sept. 1942, in vermoedelijk Auschwitz, tien weken na het begin van de deportaties. Daniëls vrouw Clara en hun zoon Elie overleefden. De Holocaust-sites schrijven dat de heer Frances in Monowitz om het leven kwam, een werkkamp van Auschwitz.

6-8. Gezin Semaria Gabay: [mededeling van Ad van den Oord, e-mail 13 apr. 2005 en 19 febr. 2010]


Huwelijksfoto echtpaar Gabay-Smeer (bron: joodsmonument.nl)

Semaria (‘Mario’) Gabay, geboren in Istanboel (Turkse Rijk) op 16 november 1915 (OGS) of 30 april 1915 (Site ~dutchjew). De laatste datum kan een verwisseling zijn met de geboortedatum van zijn dochter. Zijn ouders waren Joseph Gabay en Sarah Ojalvo. Semaria Gabay was tapijtverkoper van beroep en woonde in de oorlog in Haarlem op de Grote Houtstraat 104-106. Semaria trouwde op 23 april 1942 met Dina (Bobby) Smeer, geboren in Amsterdam 26 juli 1918, en van beroep kantoorbediende. Van het huwelijkspaar is een foto bewaard. Zij stond in februari 1941 gemeld bij haar ouders, de musicus Meijer Smeer en Branca Smeer-Degen, aan de Tugelaweg 55 III (Transvaalbuurt). Dezen werden op 18 januari 1944 in Auschwitz vergast.
De oorzaak was verraad door Branca Simons, een verwante en zelf joods. Branca liep haar nicht Dina begin januari 1944 in Amsterdam tegen het lijf. Dina was toen met haar zeven maanden oude dochtertje Serica ondergedoken in Hotel Trianon. Branca hoorde haar uit en kwam onder meer te weten dat Dina een afspraak had over een nieuwe onderduikplek. Ze gaf dit door aan haar contactpersoon bij de Sicherheitsdienst, Pieter Schaap. Deze zorgde ervoor dat moeder, kind en onderduikhelper werden opgepakt, evenals Dina's ouders (bron: Sytze van der Zee, Vogelvrij, 2010, p. 350). Allen worden naar Westerbork gestuurd, evenals later Semaria. Dina's ouders gaan onmiddellijk op transport.


Bobby en Serica Gabay (bron: joodsmonument.nl)

Serica (Cerica) Bianca Gabay, geboren in Amsterdam of Alkmaar op 30 april 1943 (zie foto hierboven) bleef niet lang in leven. Het meisje stierf in Westerbork op 28 februari 1944, elf maanden oud, en werd begraven op Portugees-Israëlitische begraafplaats in Ouderamstel. Semaria (nr. 28) en Dina (nr. 27) maakten deel uit van het laatste transport uit Westerbork naar Auschwitz, op 3 september 1944. Zij gingen niet naar het Benadon-Lager in Bergen-Belsen, zoals vele Turkse joden. Dina Gabay-Smeer kwam om het leven in Auschwitz op 31 oktober 1944 (25 jaar). Semaria Gabay stierf in Midden-Europa, waarschijnlijk in een werkkamp, op 15 maart 1945 (29 jaar).
Het is mogelijk dat de familie Gabay-Smeer over Turkse papieren beschikte, al bleken ze hen uiteindelijk niet te beschermen. Onderduiken maakte je tot strafgeval. Hun aanwezigheid in Westerbork in het voorjaar van 1944 komt overeen met de berichten in het dagboek van Philip Mechanicus (zie paragraaf IV, Achtergronden). Hun woonadres is hetzelfde als dat van twee personen op de Duitse paspoortlijsten van februari 1943: Fani (‘Fanny’) Hatem-Capuano (Istanboel, 21 mei 1881) en Albert Hatem (Istanboel, 27 aug. 1913), moeder en zoon. Albert was de eigenaar van de tapijtenzaak en woonde formeel in Haarlem, ook toen beiden in 1943 onderdoken in Amsterdam. Zo overleefden deze stadgenoten van Semaria Gabay de Sjoa.

9-14. Hirsch Higes, geboren op 11 maart 1885 in Jerusalem (Palestina). Koopman. Zijn laatste adres was de van Limburg-Stirumstraat 36 in Den Haag. Daar woonde hij samen met vijf verwanten, mogelijk zijn vrouw Itta Hoges-Schönberg (Warschau 1892) en hun kinderen Avigdor (Amsterdam 1918), Raphaël (idem 1920), Nehemia (idem 1923), en Frieda (idem 1924). Hirsch en Itta Higes stierven evenals Raphaël en Nehemia op 21 mei 1943 in Sobibor (58 jaar). Zij waren respectievelijk 58 jaar, 51 jaar, 23 jaar en 20 jaar. Frieda stierf op 30 november 1943 in Trawniki, een extern werkkamp van Sobobor, 21 jaar.


De bruiloft, met Davidssterren, van Avigdor en Rebecca, op 9 september 1942. Rebecca's vader, moeder en zusje zijn dan al gedeporteerd en vermoord (8 augustus 1942). Avigdor staat links van het midden, aan het eind van de tafel, met Rebecca in bruidsjapon aan zijn zijde. De familie aan de linkerkant zou de familie Higes-Schönberg kunnen zijn. (Klik op de foto voor een vergroting) (Bron foto: www.joodsmonument.nl)

15-17. Avigdor Higes, bontwerker, en zijn vrouw Rebecca de Jongh (Amsterdam 28 november 1923), onderwijzeres, waren in november 1943 in Westerbork. Op 3 november werd hun zoon Uriël Jehuda er geboren. Het gezin ondervond mogelijk korte tijd bescherming van een Turkse nationaliteit. Zij zaten in het laatste transport naar Auschwitz, op 3 september 1944, met de nummers 60-62. Direct na aankomst werden Rebecca en Uriël voor de gaskamer geselecteerd, waar zij op 6 september stierven. Avigdor leefde nog tot na de Duitse capitulatie, en stierf op 9 mei 1945, op een onbekende plaats in Midden-Europa.

18-19. Lisa Ladrer-Mayer, geboren op 17 mei 1900 in Constantinopel (Turkse Rijk). Zij was getrouwd met Alois Ladrer (Wenen, 19 sept. 1886), koopman. Hun laatste adres was Stadionweg 98 II, waar zij samen met nog twee huishoudens woonden. Gezien de plaats en het tijdstip van hun overlijden is het mogelijk dat Lisa, en eventueel ook haar echtgenoot, Turkse papieren hadden. Alois Ladrer stierf in Bergen-Belsen, op 17 januari 1945. Lisa Ladrer-Mayer stierf op 26 april 1945 in Tröbitz (44 jaar). Haar dood in Tröbitz betekent dat ook mevrouw Ladrer in 1945 in Bergen-Belsen was. Tröbitz is de plaats bij de Elbe waar de derde evacuatietrein van het kamp na vele dagen van beschietingen en omzwervingen op 23 april strandde. Max Friedman (Cestochowa 1895), zie de eerste naamlijst, en Margarete Siliava (Cairo, zie onder) stierven ook in Tröbitz.

20. Fortunée van Meer-Zavarro, geboren op 20 dec. 1895 in Constantinopel (Turkse Rijk). Gestorven op 5 sept. 1944 in Auschwitz (48 jaar). Haar geboorteplaats en de late datum van overlijden kunnen betekenen dat mevrouw Van Meer Turkse papieren had. Haar naam komt niet voor op de lijst van het laatste transport naar Auschwitz, van 3 september 1944. (Met dank voor de informatie over de transportlijst aan Lucas Bruijn, januari 2012)


aankomst in Auschwitz (foto SS-er, coll. JHM)

21. Alfred Mogroby (Wenen 1921 - Buchenwald dec. 1944)
22. Mozes Mogroby (Alexandrië 1898 – Auschwitz sept. 1944)
23. Jacob Meyer Mogroby (Damascus 1870 – idem)
24. Johanna Mogroby-de Wolff (Stad Delden 1881 – idem).

Zie voor deze leden van de familie Mogroby de naamlijst boven (9a-d), en paragraaf III.

25. Margarete Siliava, geboren op 30 sept. 1911 in Cairo (Egypte). Gestorven op 28 april 1945 in Tröbitz (33 jaar). Haar laatste adres was Herengracht 232-II in Amsterdam, haar beroep was toen hulp in de huishouding.
De naam van Margarete staat als laatste (nr. 55) op de transportlijst van de trein die op 13 september uit Westerbork naar Bergen-Belsen ging. Margarete is een van de vier personen die niet overleven. Als beroep staat hier ‘Kindergärtnerin’ genoteerd, ‘kleuterleidster’. Aangaande de nationaliteit schrijft men: ‘wahrscheinlich Ägyptisch’. Gezien de late datum van deportatie en het soort kamp heeft Margarete enige tijd bescherming van haar buitenlandse nationaliteit gehad. Zij stierf in Tröbitz, twee dagen na mevrouw Ladrer-Mayer uit Constantinopel (zie boven). Max Friedman stierf er op 19 mei.



26. Paul Stern, geboren op 2 april 1903 in Alexandrië (Egypte). Rechtskundig adviseur. Zijn laatst bekende adres is Hondecoeterstraat 9-I in Amsterdam. Daar woonde hij samen met zijn bejaarde ouders, Harry Stern (Oberstein, 26 juli 1865) en Julie Regina Stern-Darnbacher (Karlsruhe, 7 juni 1875). Zij stierven in Sobibor op 16 april 1943 (75 en 65 jaar oud). Hij werd op 21 mei 1943 vermoedelijk eveneens in Sobibor vermoord (30 jaar).

27. Joseph Tuvy, geboren op 14 november 1888 in Jaffa (Palestina). Zijn laatst bekende adres was de Cornelis de Wittstraat 20 in Wassenaar. Op 7 januari 1943 verzoekt de politie van Wassenaar opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Joseph Tuvy. Hij had ‘zonder de daartoe vereiste vergunning zijn woonplaats verlaten’. Met deze omschrijving werden joden aangeduid die waren ondergedoken. Joseph werd zeer snel gevonden. Hij stierf op 14 januari 1943 in Auschwitz (54 jaar).
Een andere drager van de naam Tuvy is Leon Haim, geboren in Boekarest, op 23 april 1860. Hij woonde op de Larikslaan 149 in Rotterdam (tot december 1941 Eikenlaan 149 Schiebroek). Gestorven in Auschwitz op 11 februari 1944. Als Leon Haim familie was had Joseph Tuvy wellicht een Roemeens paspoort. Een pleegzoon van Leon, met kinderen, woonde in hetzelfde huis en overleefde.
[Met dank aan Anton Stapelkamp, Rotterdam, februari 2009]



28. Elie Valensi, geboren op 15 mei 1881 in Tunis (in het huidige Tunesië). Hij behoorde tot een uit Livorno (Italië) afkomstige joodse familie. Elie trouwde rond 1919 met Marie Joséphine Krief, dochter van een Tunesische, joodse familie. In de loop van 1881 was Tunesië van een deel van het Ottomaanse Rijk tot een Frans protectoraat geworden. Elie en Marie hebben zichzelf dan ook als Fransen beschouwd. Hun voertaal en nationaliteit was Frans. Het echtpaar verhuisde naar Parijs. Daar bouwde Elie een leerverwerkingsbedrijf/schoenenfabriek op. Daar werden ook de kinderen, Simone Rachel (15-05-1920) en André (1922/3), geboren. Rond 1925 ging het bedrijf failliet en het echtpaar raakte aan de grond.

Nederland
In Nederland woonde een bevriende zakenpartner, George Dubois. Deze was rond 1918 uit het Franse leger gedeserteerd en naar Nederland gevlucht. Dubois dacht hen te kunnen helpen. Het gezin vestigde zich in Schiedam en leefde, vooral in het begin, onder zeer armoedige omstandigheden. In deze stad raakten ze goed bevriend met een Frans sprekend Nederlands gezin: de familie Schotman. De vrouw des huizes, Marie Schotman-Dubois (geen familie van George), was Waals en had nooit Nederlands leren spreken. Simone Valensi werd in de loop der jaren verliefd op de zoon, André Émile Schotman. Zij verloofden zich in 1939/1940. Vlak voordat Nederland door nazi-Duitsland werd binnengevallen, maakten Elie’s vrouw en kinderen gebruik van de mogelijkheid voor Franse onderdanen om zich te laten evacueren. Zij kwamen in Casablanca terecht.

Frans paspoort
Helaas verkoos Elie Valensi in Nederland te blijven. Hij was zich op dat moment waarschijnlijk niet van bewust van enige reële dreiging. Hij was immers Fransman, niet gelovig en volgde geen enkele joodse traditie. Daarnaast was er een persoonlijk drama. Het ging niet meer goed tussen Elie en Marie Joséphine. Het faillissement en de daaropvolgende armoede zal daaraan hebben bijgedragen. Dit was een opportuun moment om te scheiden. Vooral ook omdat vrouw en kinderen werden vergezeld door een andere in Schiedam woonachtige Fransman (Pierre Rossignol) met wie Marie Joséphine al enige tijd openlijk amoureuze relaties had. Zij trouwden enige jaren later in Casablanca.

Auschwitz
Helaas bleek deze afvaart de allerlaatste mogelijkheid om te vluchten. Na het vertrek van zijn vrouw en twee kinderen schijnt Elie zijn vriend H. Dubat opgezocht te hebben die ook niet uit Nederland vertrok en in Gouda woonde. Vermoedelijk werd hij daar vandaan naar Westerbork gestuurd. Elie Valensi zat in een van de vroege transporten en werd op 24 september 1942 in Auschwitz vergast, op 60-jarige leeftijd.

Casablanca
De bestemming van de evacuatieboot was Le Havre. Van daaruit kwamen Marie, Pierre, Simone en André Valensi via omzwervingen in Grenoble terecht. Daar voelden ze zich niet voldoende veilig. Enkele maanden later konden ze naar Casablanca vluchten. Een gelukkige keus. Casablanca bleek een bijzonder goede plaats om aan de oorlog te ontkomen, ook - en misschien vooral - dankzij de moedige stellingname van koning Mohammed V t.o.v. de Marokkaanse joden. Met "Ne touchez pas à mes juifs!" weigerde hij de antisemitische regels van het Vichy-régime toe te passen, laat staan joodse onderdanen aan nazi-Duitsland uit te leveren (zie ook de paragraaf Marokko). Simone Valensi was tijdens de oorlog als tolk werkzaam bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Casablanca. Ze werkte ook als tolk en secretaresse bij de Amerikaanse legerbasis aldaar. André Valensi sloot zich tijdens de oorlog bij het Franse verzet in de Alpen aan en keerde na de oorlog terug naar Marokko. Hij, zijn moeder en haar tweede echtgenoot hadden het er zo naar hun zin dat ze er tot meer dan 15 jaar na de oorlog bleven wonen.

Terug
Simone Valensi keerde eind 1945 terug naar Nederland om in 1946 met haar verloofde, André Émile Schotman te trouwen. André Schotman stierf in 1985, Simone Valensi in 2006 (14 december).
(Met dank aan Simone Rachel Schotman-Valensi en Charles Schotman, Den Haag, december 2006).

29. Karl Ludwig Arthur Zander, geboren op 14 aug. 1900 in Istanboel (Turkse Rijk). Kantoorbediende. Zijn laatst bekende adres is Diezestraat 29-II in Amsterdam. Hij woonde er samen met zijn vrouw Annette Zander-Monasch (Gouda 1908) en hun drie kinderen: Hedwig (Amsterdam 1931, Robertine Suzanne (idem 1934) en Frans Koert (idem 1938). Het hele gezin werd op 2 juli 1943 in Sobibor vergast.


III. Herinneringen en foto's van de familie Mogroby


Zie ook I, 9-13


Jacob Meyer Mogroby

Jacob Meyer Mogroby werd in Damascus geboren (14 april 1870). Syrië was toen onderdeel van het Turkse (‘Ottomaanse’) Rijk. Zijn moeder overleed toen hij bijna 13 jaar was, zijn vader twee maanden voor zijn geboorte. Jacob werd opgevoed bij zijn oudste broer. De familienaam Mogroby is afgeleid van het Hebreeuwse woord ma’arab, dat ‘westen’ betekent en wellicht de ‘de westelijke tempelmuur’ aanduidt.


Echtpaar Mogroby-de Wolff

Als jonge man emigreerde Jacob naar de Verenigde Staten, waar hij op 23 oktober 1895 het Amerikaanse staatsburgerschap verkreeg. Zijn US-paspoort zou in 1937 verlopen. Rond 1896 keerde hij terug naar Europa, waar hij in 1897 in Wenen trouwde met Taube (Toni) Goldstein, die oorspronkelijk afkomstig was uit ‘Lemberg’ (‘Llow’) in Galicië – toen Oostenrijks, daarna Pools en tegenwoordig Oekraïens. Het echtpaar ging op huwelijksreis naar Alexandrië, waar het eerste kind werd geboren, Mozes (1898).


Mozes Mogroby

In Wenen werd Friederike geboren (1900), de andere zes kinderen in Amsterdam, waarheen het gezin in 1901 verhuisde. Vijf meisjes en een jongen, allen met bijbelse namen: Sara (1901), Abraham (1902), Rebecca (1904), Rachel (1906), Anna (1909) en Lea (1912). Jacob Meijer Mogroby was een vroom man en was actief in de Portugese synagoge. Hij had vele beroepen. In Amsterdam werkte hij onder meer als broodbezorger.

Toni Mogroby-Goldstein stierf op 31 mei 1925. Jacob hertrouwde met Johanna de Wolff, geboren in Stad Delden (1881). Hun laatst bekende adres was Ruyschstraat 86-hs in Amsterdam. Beiden staan op de lijst van het laatste transport uit Westerbork naar Auschwitz, op 3 september 1944. Ze hebben nr. 94 (Jacob) en 95 (Johanna). Ze stierven in of in de omgeving van Auschwitz op 6 september 1944 (74). Jacob Meyer was geen Amerikaans staatsburger meer, en zijn naam komt ook niet op vier Duitse lijsten met Turkse joden uit 1943-1944 voor. Het lijkt erop dat de familie in feite statenloos was.

Van de kinderen trouwden Sara, Abraham, Rebecca en Anna met een niet-joodse partner. Rebecca emigreerde naar de VS. Zij allen zouden de Shoa overleven. Rob Mayer weet dat zijn oom Mozes voor de niet-gemengd gehuwde familieleden heeft gezorgd voor Turkse papieren. Dat leidde echter voor bijna niemand tot succes.

Mozes, de oudste, trouwde met Zillia Jacobi en werd antiquair; hij had in de jaren dertig een zaak aan de Spiegelstraat nr. 11. Daar woonde men ook.


Alfred Mogroby

Maurits en Zillia kregen een zoon, Alfred, geboren in Wenen (1921), waar familie van moederskant woonde en een dochter Sonja (Amsterdam 1923). Volgens de antiquair die eind jaren vijftig op dit adres kwam, de heer H.F. Bill (1921), was de zaak van Mogroby een winkel met veel eikenhout, glas in lood, tegels en tinnen voorwerpen, sfeer Nederlandse Gouden Eeuw. Er stond een tijd een kruisvenster in de zaak, en een bijzonder poppenhuis. Maurits (Maup) was rond 1933 in het pand gekomen en betaalde toen de hoge huursom van 180 gulden per maand.

Zillia en haar dochter zouden overleven; haar man en zoon niet. Geen van hen komt op een van de vier Duitse lijsten met Turkse onderdanen voor. Hun namen staan wel op de lijst van het laatste transport naar Auschwitz, van 3 september 944. Mozes heeft nr. 96, Zillia nr. 97 en Alfred nr. 93. Mozes stierf, evenals zijn vader en tweede moeder in september 1944 in Auschwitz. Alfred was ondergedoken maar was niet voorzichtig genoeg en werd opgepakt. Hij kwam op 1 december 1944 in een arbeidscommando van Buchenwald om het leven. Zillia overleefde het Frauen-Arbeitslager Liebau in Silezië (thans Lubawka, Polen). De heert Bill vertelt dat Zillia Mogroby na de oorlog de zaak aan de Spiegelstraat, die ongeschonden was gebleven, voortzette. Zij kreeg daarbij hulp van anderen, onder wie de heer Montesinos. Een bekende collega naast haar op de Spiegelgracht (nr. 13) was Maupie Groen; deze was gemengd gehuwd, moest tijdens de oorlog sterilisatie ondergaan maar overleefde. Op nr. 7 zat de joodse antiquair Hiegentlich.

Sonja trouwde na de oorlog met Rudolf Jacobsen. Het was een van de eerste joodse huwelijken van na de oorlog en werd in Limburg gesloten. Zij kregen vier kinderen: Alfred (1949), Rita (1950), Juli (1952) en Emmy (1954). Emmy werd in Venezuela geboren, waarheen het gezin was verhuisd. De heer Sam Behar gaf de drie oudste kinderen thuis joodse les. Eind jaren vijftig stopte mevrouw Mogroby-Jacobi met de zaak en ging bij de Beethovenstraat wonen. Zij stierf in 1971.


Familie Monas-Mogroby

Friederike trouwde met de Amsterdammer Benjamin Monas (alleen haar naam wordt door de Holocaust-sites overigens als Mogrobij gespeld). Benjamin was diamantbewerker. Frederieke en Benjamin kregen een zoon, Jacques Benjamin (1926). Het laatste adres van het gezin was Valckenierstraat 17a-I. Alleen Jacques overleefde. Het gezin staat vermeld op de telex van Willi Zoepf aan de commandant van Westerbork (16 maart 1944), bij de groep die de Turkse autoriteiten in Berlijn en Hamburg niet als Turkse staatsburger erkennen. Zij zijn dan al, wellicht als enige van de 24 in de telex genoemden, gedeporteerd. De ouders worden op 11 februari 1944 in Auschwitz vergast. Jacques springt uit de trein.


Rachel en Isaac van de Kar

Rachel trouwde met Isidor van de Kar uit Amsterdam, typograaf. Zij kregen een zoon Isaac Jakob (1937). Hun laatst bekende adres was Cornelis Anthonieszstraat 73-II in Amsterdam. Geen van hen overleefde de Holocaust. Ook dit gezin staat in de telex van Zoepf bij de groep die de Turkse autoriteiten niet erkennen. Moeder en kind worden op 26 maart 1944 in Auschwitz vergast. Isidor blijft lange tijd in leven, maar sterft rond 9 mei 1945 ‘in Midden-Europa’.


Alfred Mayer

Lea trouwde in Arnhem met de in Londen geboren Duitse jood, Alfred Mayer. Haar man, Alfred, statenloze Duitser, werd in oktober 1942 opgepakt en kwam via de kampen Amersfoort en Vught in Auschwitz, waar hij op 31 mei 1944 werd vergast. Lea was toen in verwachting van Robert (december 1942). Lea had voor de Duitsers geen geldige Turkse papieren meer en was dus in feite eveneens statenloos. Zo staat het op de Duitse ‘paspoorten-lijst’ van 16 februari 1943, waar zij als enige van de familie op voorkomt. Haar adres is daar Van Pallandtstraat 8. Rob Mayer vertelt dat zijn moeder en hij korte tijd waren ondergedoken en in feite gered werden door de aanval van de geallieerden op Arnhem, de operatie ‘Market Garden’ van september 1944.

Met speciale dank aan Rob Mayer, maart 2005
Alle foto's familie Mogroby: Rob Mayer
Met dank voor de informatie over het laatste transport uit Westerbork en het kamp Liebau aan de heer Lucas Bruijn, januari 2012.



IV. Andere familienamen en achtergronden



Panorama van Jerusalem (Bonfils, rond 1800)

In Nederland leefden in 1941 een kleine 8.000 buitenlandse joden, met 45 nationaliteiten (afgezien van de ongeveer 40.000 uit Duitsland afkomstige joden). Hieronder was ook een kleine groep Turkse joden. Uit onderstaande zal blijken dat het om ongeveer negentig personen ging. Presser vertelt in 'De Ondergang' (Dr. J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. 's Gravenhage 1965, p. 426-427 - De verwijzing hiernaar staat in Ad van den Noort, Allochtonen van nu & de oorlog van toen, p.60.) het volgende:

"Turkije was tot begin 1945 niet in oorlog met nazi-Duitsland. Hierdoor bekleedden Turkse joden enige tijd een 'uitzonderingspositie'. Geen deportatie naar de gaskamers. Vanaf 1 januari 1943 hief Berlijn in een brief aan Ankara de speciale behandeling als zodanig op. Dat was gevaarlijk. Wie langer dan vijf jaar niet in Turkije was geweest, kon volgens een Turkse wet zijn nationaliteit verliezen en dus door de nazi's als 'stateloos' worden beschouwd. Maar er waren ook andere manieren om zonder staatsburgerschap te raken. Stateloos gemaakte joden konden wel worden gedeporteerd. Er is heel het jaar 1943 en ook in 1944 tussen Duitse instanties correspondentie over hun lot."

Daaronder is een brief van Adolf Eichmann, de belangrijkste Duitse organisator van de uitroeiing der joden. Hij schrijft dat joden die een neutrale pas hebben, niet moeten worden 'abgeschoben', gedeporteerd. Wordt echter bekend dat joden proberen zo'n neutrale pas te krijgen, dan past geen 'Rücksicht', mededogen. Dergelijke personen moeten 'bevorzugt nach dem Osten', met voorrang naar het oosten (NIOD, map met correspondentie over buitenlandse joden (1943).

1. Twee naamlijsten in februari 1943

In het archief van het NIOD bevinden zich uit het begin van 1943 enkele lijsten met namen van joden uit neutrale staten, vooral met de Turkse nationaliteit. Op 11 februari stuurt de ‘Zentralstelle für jüdische Auswanderung’ in de Amsterdamse Euterpestraat ‘op telefonisch verzoek’ een lijst met buitenlandse joden aan mevrouw Slottke van de Sicherheitspolizei en de SD (Referat IV B 4) in Den Haag. Zij deed volgens Presser ‘de boekhouding van de vrijstellingen van deportatie’ en dook vaak in Westerbork op (o.c.II, p.163). Hoogleraar J. Houwaard ten Cate noemt haar ook in een rede over onder meer 'schrijftafelmoordenaar' Willi Zoepf, hoofd van het Nederlandse 'Judenreferat'. Zoepf liet zoveel mogelijk werk over aan zijn ondergeschikten, onder wie de dames Gertrud Slottke en Margarethe Frielingsdorf (www.aup.nl - 'De naam van de misdaad en de persoon van de schrijftafelmoordenaar'. Rede 8 mei 2003 door Johannes Houwink ten Cate). Op de aan het Judenreferat gestuurde lijst staan naast kleine aantallen Argentijnse, Deense, Italiaanse, Spaanse en Zweedse personen 35 namen van in Nederland woonachtige joden met een Turkse nationaliteit.

35 namen
Het gaat om 10 adressen in Amsterdam met de families of personen Alboukerk (Benescai), Alyon (-Hatem), Barcovic, Behar (-Bechouchee, -Kuzi), Cohen (-Adjunan), Cohen (-Engelsman), Cohen (-Jerusalmi), Eskenasy (-Capuano), Jerusalmi (-Albalah, -Salah), Lichtenstein, Mizrahy, Bechouche; 2 adressen in Den Haag: de huishoudens Bedak (-Petenbaum), en Amar, 1 in Haarlem: Capuano, Hatem, en 1 in Enschede: Perez (-Behar). Voor het grootste deel 'Sefardische' namen.


Gallipoli (Hebreeuws)

43 namen
Men is blijkbaar niet tevreden. Ook het Auswärtige Amt (Buitenlandse Zaken) vraagt een lijst met buitenlandse paspoorthouders. Die komt vijf dagen later, gedateerd 16 februari 1943. Telde de internationale opsomming van 11 februari in totaal 53 namen, deze lijst geeft 77 namen. Hiervan zijn 43 houders van, mogelijkerwijze, een Turks paspoort. 27 waren al bekend, 16 namen zijn nieuw. Bijna alle familienamen komen terug, soms met nieuwe familieleden, zoals kinderen (8), soms zonder bepaalde leden. Vaak in een andere spelling, zoals Benyacai, Bardovic, Ruzi, Yerusalmy. Nieuw is de familie Johai-Varon uit Gallipoli, wonend in Amsterdam, op de Nassaukade (5) - een van hen, Robert Johai (Gallipoli, 11 maart 1905) was juist op 1 december 1942 overleden. De familienaam is eigenlijk Yohaï; in het Turks ook wel Yohai en Yohay.
Andere nieuwe personen, individuen, dragen de namen Benezra; hij was in 1941 vanuit Den Haag naar Frankrijk gegaan - Monachimoff-Rikofski uit Heemstede, Mayer Mogroby uit Arnhem en Neubauer uit Amsterdam, allen vrouwen. De geboorteplaatsen staan nu vermeld: Istanbul/Constantinopel, Adrianopel (Edirne), Gallipoli, Silibri, Smyrna, gemeenten rond Istanbul: Ortaköy, Hasköy, Kuzcuncuk. Maar ook Jerusalem, Wenen, Wiesert, Bremen, Rotterdam en Amsterdam.

Geldige pas?
Behalve de Nederlandse adressen worden de al of niet aanwezige passen met plaats van afgifte en geldigheid genoteerd. De passen zijn meestal uitgegeven en verlengd bij de Turkse autoriteiten in Hamburg en Den Haag. Slechts twee paspoorten zijn verlengd tot na de datum van de lijst; een is er naar Hamburg opgestuurd om te laten verlengen. Twee personen zijn door huwelijk in het bezit van een Nederlands paspoort. Het gezin Bedak en de heer Amar hebben alleen een Nederlandse vreemdelingenpas. Het echtpaar Hatem en de drie alleenstaande vrouwen hebben helemaal geen papieren. Zoals bij mevrouw Hatem is ook de pas van een der kinderen Yohaï door de Turkse autoriteiten afgenomen. Qua documenten is de situatie van deze groep van 41 Turkse joden dus heel divers. Over de papieren van de 8 anderen die alleen op de namenlijst van 8 februari staan, is niets bekend.

49 namen
Men mag aannemen dat de 49 mensen wier namen op deze twee lijsten staan, en die niet vertrokken of overleden zijn, de hoofdgroep vormden van de 'Turkse joden' in Nederland - al zullen er velen geen Turks hebben gesproken. De zes kinderen die in Nederland werden geboren zullen ook Nederlands hebben gesproken. Vanaf 1 januari 1943 werden deze joodse burgers niet meer automatisch door de papieren van het neutrale land Turkije beschermd. Hoe is het hen vergaan?

Op een na - mevrouw Dora Bedak-Petenbaum (zie paragraaf I) - komen de namen van deze twee lijsten niet voor in het slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting (OGS). Zij werden beschermd door de neutraliteit van Turkije.

2. Turkse joden in Westerbork vanaf eind 1943


Tekening: fcit.coedu.usf.edu

Uit een kamp-bron is bekend dat een 'groep Turken' vanaf begin november in Westerbork is. Het dagboek van de journalist Philip Mechanicus uit zijn tijd in het Nederlandse 'doorvoerkamp' Westerbork noteert vijfmaal het bestaan van een groep Turkse joden. Op maandag 8 november 1943 noteert hij 'een invasie van Turkse, Spaanse, Roemeense, Italiaanse en Zuid-Amerikaanse joden uit Amsterdam'. De volwassenen praten met de Nederlandse barakbewoners luid en 'kwetterend' Spaans en Frans. Het gaat om een gemengde groep van mediterrane joden, van wie velen afstammen van de joodse bevolking in het islamitische Spanje van voor 1492, de Sefardim. De meerderheid van de Westerborkse kampbevolking was Askenazisch, oorspronkelijk komend van Duitse en Poolse gebieden. In Istanbul was/is overigens ook een Askenazische gemeenschap.

8 november 1943
Mechanicus is niet opgetogen over de nieuwe buren, maar reageert ook geamuseerd. 'Een kleine kolonie Turken, ouders met kinderen, is vlak bij mijn bed neergestreken: zij huizen de gehele dag om het kacheltje, dat zij door hun veelheid als het ware monopoliseren, en bemoeien zich vlijtig met het kookgedoe van anderen, verschrikkelijk vriendelijk en hulpvaardig. De kinderen kwetteren Spaans en Nederlands door elkaar, levendige, rappe kinderen, vlug als water'.

Of het Spaans was, dan wel Ladino, de taal van de Sefardische joden in het Middellandse Zee-gebied, lijkt me onzeker. Maar er werd ook Nederlands gesproken, en niet alleen door de kinderen.

28 november 1943
In de kille barak, gevuld met drie hoog stapelbedden, en met één fatsoenlijke kachel, ontstaat in het Nederlands ruzie tussen de verschillende groepen bewoners. Op zondag 28 november noteert Mechanicus: 'De gehele dag een loodgrauwe lucht, waaruit een treiterende regen gutste. Het kamp één stuk modder, zwart, zwart en nog eens zwart. De mensen klitten in de barakken, hun vrije dag... Ruzie rondom mijn kacheltje tussen de Turkse kolonie en de Hollandse joden. 'Een Turk: "Houd je kop dicht!" Het jongetje: "Ik heb geen kop!". De vrouw: "Meneer de Turk, u hebt hier niets in te brengen". Andere Turk, met prachtige snor en sigaretje tussen de blinkende tanden: "Wij zorgen de hele dag dat steenkool en turf in de kachel komt; wij hebben dus het recht hier te zitten".' De Turken monopoliseren het kacheltje, bezetten het reeds om acht uur 's morgens en zitten er om tien uur 's avonds nog... In de wandeling heten ze de 'Dardanellen', waar niemand doorheen komt; deze zijn hermetisch gesloten'.

19 januari 1944
In het nieuwe jaar, op woensdag 19 januari 1944 verhuist de Turkse groep van barak 71 naar barak 72, 'de barak der buitenlanders en dubbele nationaliteiten'. 'De bewoners van barak 71 zijn verheugd dat de Turken verdwenen zijn: een hoop lawaai minder'. Op 22 januari noteert Mechanicus: 'Weer nieuwe vechtpartijtjes over de kachel, nieuwe stemmen, nieuwe accenten, maar au fond precies hetzelfde van gisteren, toen de Turken er nog waren, die de kachel blokkeerden. De mens moet hier zijn zenuwen goed in bedwang hebben... De mensen kunnen elkaar niet ontlopen, zijn met handen en voeten aan elkaar geketend'. Uit een aantekening op 3 februari blijkt dat de Turkse groep dan nog in barak 72 is, met Roemenen en nieuw aangekomen Portugezen.

Het is niet bekend wie van de 49 personen van de lijsten uit februari 1943 in Westerbork terecht zijn gekomen, en zo ja wanneer. Een brief van maart 1944 noemt 24 mensen; zij moeten gedeporteerd worden. Een transportlijst van september telt nog veel meer Turkse namen; deze personen zullen worden uitgewisseld. Beide keren kan het gedeeltelijk om bewoners van barak 72 zijn gegaan.


Foto: www.jewishvirtuallibrary.org

3. Een telex van Zoepf
Op 16 maart 1944 schrijft Willi Zoepf, hoofd van het 'Judenreferat' IVB4 en direct verantwoordelijk voor de transporten, een telex aan commandant Gemmeker van kamp Westerbork. Onderwerp: 'Juden türkischer Staatsangehörichkeit'. Het 'Fernschreiben' bevat de namen van 24 in Westerbork aanwezige Turkse joden. Zoepf draagt de kampleiding op 'deze joden als statelozen te behandelen en ze met het eerstvolgende transport voor werkverschaffing naar het Oosten te verwijderen' ('Es wird gebeten, diese Juden wie Staatenlose zu behandeln und sie mit dem nächsten Transport zum Arbeidseinsatz nach dem Osten abzuschieben') (Presser o.c. I p. 427). Een kopie van de brief werd door het NIOD, voor persoonlijk gebruik, ter beschikking gesteld (feb. 2005).
Voordat de inhoud van de door Presser genoemde 'brief' bekend was, leek het waarschijnlijk dat een aantal van de groep van 49, misschien bij voorkeur mensen met ontbrekende of onduidelijke Turkse papieren, in de brief zouden worden genoemd. Ook leek het waarschijnlijk dat zij te herkennen zouden zijn uit de beschrijving van Mechanicus.

21 nieuwe namen
Nu de tekst bekend is, blijkt dat slechts drie personen ook op de eerdere naamlijsten voorkomen: het echtpaar Bedak-Petenbaum, dat alleen een Nederlandse vreemdelingenpas bezat, en mevrouw Luna Johay [eig. Yohaï], door huwelijk Nederlands geworden. Wel komen in de telex tweemaal mogelijke familieleden van de groep van 49 voor: een gezin Neubauer (3) en twee gehuwde vrouwen die de meisjesnaam Mogroby dragen. Inderdaad zijn zij zusters van Lea Mayer-Mogroby, zoals een nabestaande meedeelde (Rob Mayer, e-mail 5 maart 2005 - zie paragraaf III).


Gallipoli (Dardanellen)

70 namen
De andere familienamen zijn nieuw en vaak gedeeltelijk Duits en Nederlands. Bij acht van hen liggen de geboorteplaatsen in het oude Ottomaanse Rijk (Constantinopel, Gallipoli, Jerusalem, Larnaca/Cyprus en Smyrna) en Italië (Milaan), bij de anderen in Duitsland (Berlijn, Frankfurt, Keulen, Leipzig, Würzburg), Oostenrijk (Wenen), Tsjechië (Karlsbad), Polen (Czenstochau, Przeporsk, Warschau) en Nederland (Amsterdam - 6). De totale groep van mensen met een Turks-joodse achtergrond breidt zich daarmee uit tot 70 en krijgt een sterker Askenazisch karakter. De telex van Zoepf maakt ook duidelijk dat bijna een derde van hen, vooral de 'nieuwelingen', door hun Turkse achtergrond niet meer tegen deportatie wordt beschermd.

24 onbeschermd
Zestien van de door Zoepf genoemden worden volgens zijn telex door de Turkse ambassade in Berlijn of het Turkse Consulaat-generaal in Hamburg niet (langer) als Turkse burgers erkend. Acht anderen werd door de Duitse ministerraad het staatsburgerschap ontnomen. Bij de eerste zestien gaat het om leden van de families Bedak-Petenbaum (2), Cymbalist-Peres (3), Friedman(n)-Pipesberg (3), Goldberg (1), v.d. Kar-Mogroby (3), Monas-Mogroby (3) en Moreno-Peres (1). Bij de groep van acht 'Ausgebürgerte' gaat het om de familienamen Johay [eig. Yohaï] (1), Neubauer-Dym (3) en Sorias-Benadereth (4). Isaak van de Kar (1931), genoemd in de telex, is dezelfde als Isaac Jakob van de Kar (1937).

15 omgekomen
Vijftien van de 24 zijn, met soms afwijkingen of fouten in de schrijfwijze, in het slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting (www.ogs.nl) terug te vinden. De afwijkingen van de ogs-manier zijn tussen haakjes genoteerd. Vermoedelijk overleefden de andere negen genoemde de Holocaust. Zie deze paragraaf nr. 6-7.

4. Deportatie naar Auschwitz en Bergen-Belsen

Elf van de 24 door Zoepf genoemde personen zijn vóór september 1944 dood, enkelen al vóór hij ze op 16 maart 1944 noemt. Het gaat om negen vrouwen en twee mannen. In paragraaf II staan zij gedetailleerd beschreven, hieronder globaal:
  • Het echtpaar Benjamin Monas en Frei[ie]derika Monas-Mogrobij[y] sterft al vóór de telex van Zoepf, op 11 februari 1944.
  • De vrouwen Dora Bedak-Petenbaum en Esther Me[o]reno-Peres, de moeders en kinderen Rachel en Isaac Jakob van de Kar-Mogroby en Sara Sorais [Sorias]-Benadereth en haar zoon Alberto (dochter Carmen vermoedelijk niet) sterven allen in Auschwitz, in de dagen 25-27 maart 1944. Zij gingen dan inderdaad met het eerste transport na de telex mee, op dinsdag 22 maart.
  • Luna Cymbalist-Peres, haar man Szymon [Simon] Cymbalist en Abraham Goldberg overlijden op of rond augustus 1944. Misschien maakten zij ook deel uit van het transport van 22 maart, maar werden zij niet direct voor de gaskamers geselecteerd.
Vier anderen, allen mannen, sterven tussen begin september 1944 en midden mei 1945, na de Duitse capitulatie van 8 mei:
  • Zeker drie slachtoffers werden naar het 'gunstiger' bekend staande kamp Bergen-Belsen vervoerd: Jecheskel Josna Neubauer, zijn vader Jakob Neubauer en Max Frieman[n],
  • Isido[o]r van de Kar stierf in Midden-Europa.
Als Nederlandse jood beschouwd
Op de naam Mogroby verschijnen er in het register van de Oorlogsgravenstichting nog 4 personen (zie paragraaf III). Hun namen komen niet in de telex van 17 maart voor, maar staan wel op de lijst voor de laatste trein naar Auschwitz, op 3 september 1944. Zillia Mogroby-Jacobi zat eveneens in dit transport. In tegenstelling tot de andere vier leden van de familie overleefde zij.

Leerling Presser
Bij de 24 personen uit de telex was vermoedelijk een leerling van Presser, die leraar was op het Vossius Lyceum en later Joods Lyceum in Amsterdam. De jongen en zijn ouder(s) werden gedood (Presser o.c. I. p. 427. Zie ook: www.dbnl.org/tekst). Tot nu toe is niet bekend om welke leerling het ging. Uit het bovenstaande zou men kunnen opmaken dat het om Josua Neubauer ging, wiens moeder de Holocaust overleefde.

5. Uitwisselingstransport naar Bergen-Belsen

Uit ander materiaal zijn 44 Turkse joden in Westerbork bekend. Victor Laurentius, behandelaar Oorlogsnazorg bij het Nederlandse Rode Kruis, schrijft over hen in een brief aan Multiple Choice (19 oktober 2004): Onderzoek in ons archief heeft aangetoond dat een groep van 44 zogenaamde Turkse joden op 13 september 1944 vanuit het Juden Durchgangslager Westerbork op transport is gesteld naar Konzentrationslager Bergen-Belsen. Omdat het joden betrof met de Turkse nationaliteit hadden ze een aparte status. Ze kwamen hierdoor namelijk in aanmerking voor een 'Austausch' (uitwisseling). Ondanks deze aparte status waren de Turkse joden in kamp Westerbork niet in een en dezelfde barak ondergebracht.'


Bergen-Belsen, F.Tas (coll. JHM)

44 Turkse joden
Zeker is bij de mensen van deze groep van 44 dat zij wel over een - in Duitse ogen - geldige Turkse nationaliteit beschikten. Bergen-Belsen was een speciale bestemming. Hoewel het maar voor een klein gedeelte van de daar gevangen gezette joden gold, vond er vanuit Bergen-Belsen ruil plaats tussen joden met een dubbele nationaliteit of met papieren voor Palestina, tegen Duitsers die krijgsgevangen waren gemaakt door de geallieerden.

De Turkse groep was afkomstig uit verschillende barakken. Het is mogelijk dat een aantal mensen van de groep die op 8 november 1943 aankwam en in barak 71 en 72 verbleef, geldige Turkse identiteitspapieren had en bij de 44 hoorde die naar Bergen-Belsen gingen. Het is ook mogelijk dat sommigen van hen later naar Westerbork zijn gebracht.

Bekende namen
Ook het NIOD beschikt over de transportlijst van 13 september 1944 (NIOD, map met transportlijst Westerbork 13 sept. 1944). In totaal gingen 279 kampbewoners mee naar Bergen-Belsen, in 7 groepen. Onder hen de 'Diamantlijst' en de 50 'Onbekende kinderen'. Van hen zijn er 43 Turks en 1 waarschijnlijk Turks. Van de lijsten van februari 1943, met 49 mensen, komen 23 personen van dit transport voor. Drie anderen worden genoemd in de telex van Zoepf. De overige dertien waren ofwel nooit in Westerbork of vielen buiten dit bevoorrechte transport (één Turkse man maakte volgens Presser de bevrijding van Westerbork mee), ofwel zijn eerder gedeporteerd en hebben overleefd.

Ontbrekend
We kennen een aantal bekende namen die op deze transportlijst ontbreken. Hoewel de schrijfwijze soms sterk afwijkend of foutief is - Behar is ook Becher, Recouchee is ook Becouche - komen de volgende families en personen niet voor: Alyon (-Hatem)(3), Amar (1), Bardovic (1), Capuano (1), Lichtenstein (1), Mizrahy (1), Yerusalmy-Salak (1), leden van de familie Eskenazy (-Capuano)(3), van het gezin Cohen_Yerusalmy (1) en van de familie Johai [eig. Yohaï] (2). Ook de drie alleenstaande vrouwen zonder papieren staan niet op de lijst. Zie voor hen deze paragraaf nr. 6-7.

18 nieuwe namen
Een aantal leden, vooral echtgenoten en kinderen, van de families Cohen/Kohen (-Souss)(2), Eskenas[z]y[i] (-Visschraper)(3), zijn toegevoegd. Daarnaast staan er nog elf geheel nieuwe Turks-joodse namen op de lijst. Het gaat om de families of personen met de naam Alschech (-Waltersdorf)(2), Chichou (1), Ciaves (1), Fikri Mundij-Roos (1), Foerder-Austerlitz (1), Malalel (-Norden)(2) en Pardovitch (-Gompers)(3).
Van Mietje Malalel-Norden (Den Haag, 14 juni 1882) en haar dochter Rosette Victoria (Den Haag, 13 maart 1928) is bekend dat zij in juni 1944 werden opgepakt. Zij kwamen via de Scheveningse gevangenis, bijgenaamd het 'Oranjehotel', en kamp Vught naar Westerbork (e-mail 18 juli 2005 Hans de Vries, NIOD). Vader en zoon Malalel werden pas in 1945 gevangen genomen - zie onder.

88 Turkse joden
Met deze achttien nieuwe namen komt het totale aantal mensen met een door de nazi's aangegeven Turks-joodse achtergrond voor de Nederlandse oorlogsperiode op 88. Bijna de helft van hen maakte deel uit van het uitwisselingstransport van 13 september 1944 naar Bergen-Belsen. Albert Bechouche (spreek uit 'Besjoesje') werd volgens Sam Behar als leider van de groep beschouwd.

De opsomming geeft ook de beroepen aan. Naast koopman, fabrikant, schoenmaker, kleermaker, naaister en student zijn opvallend ‘tabaksnijder’, ‘tapijtenhersteller’, en 'tapijtenstopper/stopster'.

Het transport van de 44
De 44 werden eerst ondergebracht in het Albala-deel van Bergen-Belsen, zoals Sam Behar zich herinnert. Daarna kwamen zij, op Ribca Chichou na (paragraaf I), terecht in een gunstig deel van het kamp, het 'Benadon' Lager. 'Het bestond uit twee barakken en werd ook het 'Neutralenlager' genoemd, omdat hier de joden uit neutrale landen waren ondergebracht (Spanje, Portugal, Argentinië, Turkije). Midden 1944 zaten er ongeveer 250 joden, maart 1945 ongeveer 365. De bijnaam 'Benadon' dankte het aan de kampoudste (sinds juni 1944), de Spaanse Athener Benadon.' (Rode Kruis). Men hoefde er geen dwangarbeid te doen. De sanitaire voorzieningen en het voedsel waren beter dan in de rest van het kamp en er vonden nauwelijks mishandelingen plaats. Desondanks overleed op 8 november 1944 Irma Foerder-Austerlitz, op 17 april 1880 geboren in Oberglogau, een plaats in Opper-Silezië, toen behorend tot het Duitse Rijk (zie paragraaf I).



Uitwisseling

Een half jaar later werd de '44-groep', zonder Irma Foerder en zonder Ribca Chichou (zie paragraaf I) inderdaad uitgewisseld. Dit gebeurde ondanks het feit dat Turkije op 23 februari zijn neutraliteit had opgegeven en per 1 maart Duitsland de oorlog verklaarde. Het akkoord over de gecompliceerde uitwisseling stamde echter van 31 januari 1945, en was bereikt door het Duitse ministerie van Oorlog en de Britse ambassade in Ankara. 'Op 4 maart 1945 is een groep van 105 Turkse joden, waaronder de Turkse joden uit Nederland, als uitwisseltransport naar Turkije gebracht. De reis ging eerst naar Zweden en van daaruit met het stoomschip de 'Drotningholm' naar Turkije' (Rode Kruis). Het 'repatriëringsprogramma' was opgezet door het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken, en bracht, naar de informatie van het Rode Kruis, ook 365 Spaanse en 19 Portugese joden vanuit Bergen-Belsen naar het land van herkomst. Zie voor de namen van de opvarenden uit Nederland deze paragraaf onder nr. 6.


Mercy Ship Drottningholm (foto: salship.se/mercy.asp)

SS Drottiningholm
Het emigrantenschip 'Drottningholm' (1904, als 'Virginia') werd evenals het cruiseschip de 'Gripsholm' (1925) speciaal voor dit soort uitwisselingen gebruikt. Beide waren eigendom van de Swedish-American Line (SAL) en werden gecharterd door regeringen na onderhandelingen van het Rode Kruis. Men spreekt wel van Mercy Ships. De ss Drottningholm maakte tijdens de oorlog 14 reizen voor de uitwisseling van diplomaten, krijgsgevangenen en joden met paspoorten van neutrale landen. Het schip was beschilderd met teksten als 'Protected' (beschermd) en 'Freigeleit' (vrijgeleide) en een Zweedse vlag. Mijnen moest het zelf zien te ontwijken.

Ooggetuige
Volgens officier Carl-Otto Claesson (www.salship.se/claesson/prisoners.asp) wilde nazi-Duitsland diplomaten en burgers die geïnterneerd waren in Libanon en Turkije uitwisselen tegen Argentijnse en Turkse paspoorthouders in Duitsland. De Engelse ambassadeur in Turkije ging namens zijn regering akkoord als tegelijkertijd ook Britten tegen Duitsers werden geruild. Claesson schrijft dat het schip 350 personen met een Brits paspoort, onder wie zestig ernstig zieken, 130 Zweden, 115 personen met een Argentijns paspoort, rond dertig met de Portugese en Peruaanse nationaliteit, en 325 Turken vervoerde. Tachtig van hen waren afkomstig van de Turkse ambassade in Berlijn. Over joden met Turkse, Britse, Argentijnse of Portugese papieren zwijgt hij.

Vrij
De Drottningholm vertrok op 15 maart uit Gothenburg, maakte een stop in Liverpool en deed ook andere havens aan. In Port Saïd werd Mercado Yohaï, een van de ruim veertig Turkse joden uit Nederland begraven. In Izmir stond de moeder van Izak Chaves tevergeefs op haar zoon te wachten. Eindpunt was 'Constantinopel', Istanbul. Daar gingen de laatste Nederlands-Turkse joden aan wal.

Velen van de 42 overlevenden van de gerepatrieerde groep waren blijkbaar zozeer geworteld in Nederland dat zij niet in Turkije bleven. Dit had in veel gevallen ook met de Turks-Nederlandse huwelijken te doen. Het Rode Kruis schreef: "Voorzover ik kon nagaan zijn in ieder geval 23 Turkse joden na de oorlog vanuit Turkije teruggekeerd naar Nederland". Opvarende Sam Behar herinnert zich dat hun gezin op 16 juli 1946 uit Istanbul terugkwam. Ze werden zoals meer teruggekeerde joden ondergebracht aan de Amsterdamse Weesperstraat, in de Joodse Invalide.

Gebleven
Het is waarschijnlijk dat van de 21 mensen die noch op de transportlijst van 13 september 1944 voorkwamen, noch in de telex van 17 maart 1944, een aantal in Nederland is gebleven. Datzelfde geldt voor de (8) overlevenden van de groep die Zoepf noemt. Zie hiervoor deze paragraaf onder nr. 7.

Bevrijding Westerbork
Presser noemt de nationaliteiten van de op 15 april 1945 nog in Westerbork aanwezige personen (zie Ondergang deel II, p. 365); dit was de dag waarop de Canadese troepen het kamp bevrijdden. Van de 876 mannen, vrouwen en kinderen, heeft één man de Turkse nationaliteit.
Uit onderzoek van het NIOD (Hans de Vries, zie boven) blijkt dat dit Habibe Malalel was (Constantinopel, 15 mei 1892), de man van Mietje Malalel-Norden. Ook hun zoon Robert (Den Haag, 13 juni 1923) was een van de 876. Mietje en haar dochter waren passagiers van de Drottningholm (zie overzicht 44-groep).

80% overlevenden
Zeventig van de 88 joodse burgers, die in het bezit waren van door de Duitse en Turkse autoriteiten erkende Turkse papieren, hebben Hitlers genocide overleefd. De totale groep van Ottomaanse origine en eveneens het aantal slachtoffers is echter groter, zoals blijkt uit de namen van hen die in het Ottomaanse Rijk werden geboren (paragraaf II), de gegevens over de familie Mogroby (paragraaf III) en uit de verhalen over de opvarenden van de Drottningholm en andere overlevenden (zie onder nr. 6-7).


6. DE OPVARENDEN VAN DE SS DROTTNINGHOLM (maart-april 1945)


De namen van de 44 Turkse joden die waarschijnlijk aan boord waren van het ‘Mercy Ship’ Drottningholm zijn grotendeels ontleend aan de transportlijst van de trein die op 13 september 1944 van Westerbork naar Bergen-Belsen reed (zie boven). De nummers beantwoorden aan dat overzicht, waarin naast Turkse joden ook andere nationaliteiten staan. Deze staan in een P.S. vermeld. Veel Turkse namen worden ook in de andere besproken documenten genoemd. Persoonlijke informatie over de groep, hun familieleden en de kleine verschillen tussen de transportlijst en de feitelijk meevarenden, is afkomstig van Sam Behar (1932), een van de kinderen aan boord. Sam werkte/studeerde vanaf zijn 16e jaar, en hielp als joods leraar, maatschappelijk werker, legerrabijn en pastoraal werker mee aan de opbouw van de joodse gemeenschap. Hij emigreerden in juli 2005 naar Israël. Twee van zijn kinderen wonen in Nederland, twee anderen in Israël. Andere details komen van meerdere nabestaanden, die bij de betreffende familienamen worden genoemd.

Schrijfwijze
De schrijfwijze van de namen is ingewikkeld. De namen waren oorspronkelijk in Arabisch schrift, dat in het Ottomaanse Rijk en Turkije tot in de jaren twintig van de 20e eeuw gebruikelijk was. De omzetting daarvan naar Latijns schrift vond plaats volgens Turkse, Franse, Nederlandse en Duitse principes: Albukerk of Alboukerk; Luna of Louna; Becouche of Becouchee; Benescai, Benyacai of Benyagai; Cohen of Kohen; Yohai/ Johai/ Yohay/ Yohaï. Daarnaast kwamen er makkelijk verschrijvingen voor: Recouchee voor Becouchee.

Alboukerk-Benescai/ Benyacai (nr. 1-3)
Mi-Chon (Maurits/Moïse) Alb(o)ukerk (Stamboul-Ortaköy, 4 aug. 1901) en Rebecca (Refka) Alb(o)ukerk-Benescai/Benyacai/Benyagai (Istanboul-Hasköy, 10 april 1896) komen op drie Duitse documenten voor: de lijst van de Zentralstelle (11 feb. 1943), de paspoortlijst (16 feb. 1943) en de Westerborkse transportlijst (13 sept. 1944) – met variërende spelling. De naam van hun dochter Louna (Fanny) (Amsterdam, 22 april 1934) staat niet op die van de Zentralstelle.
In juli 1931 zijn de ouders uit Istanbul (‘Stamboul’), Turkije gekomen. Zij woonden in 1943 op de Reguliersgracht 1-II in Amsterdam. Het beroep van Maurits Alboukerk was fabrikant. Zijn Turkse pas is afgegeven in december 1941 te Hamburg en met een jaar verlengd. Louna staat bij haar moeder in het paspoort, in augustus 1941 te Hamburg afgegeven en met een jaar verlengd. Op de datum van het transport waren zij resp. 43, 48 en 10 jaar oud. Sam Behar (zie onder) kende Fanny Albukerk goed; ze zaten op dezelfde school. Het gezin kwam na de oorlog terug naar Nederland. Rebecca overleed eerder dan haar man. Beiden liggen op de Portugees-joodse begraafplaats te Ouderkerk begraven. Fanny is naar Amerika gegaan.

Alschech-Waltersdorf (4-5)
Flora Alschech-Waltersdorf (30 dec. 1875) en Camilla Alschech (5 dec. 1897) worden alleen genoemd op de transportlijst voor Bergen-Belsen; zij zijn vermoedelijk weduwe en dochter van de Turks-joodse man Moriz Alschech (Wenen, 1862). Bij het begin van het transport waren zij resp. 68 en 46 jaar oud.

Becouché[e]-Behar (6-8)
Avram (Albert) Becouche[e] (3 maart 1893), tapijthersteller, en Rosa (Roza) Becouche[e]-Behar (ook geschreven als Becher)(3 febr. 1898), met Fortuné (Fortuna) (15 aug. 1922). Zij worden niet genoemd op de paspoortlijst; daardoor is de geboorteplaats niet bekend. De familienaam wordt op de lijst van de Zentralstelle als Rechouché geschreven.
Zij woonden op Amstel 113, Amsterdam, onder het gezin van Salamon (‘Max’) en Dudu Behar-Kuzi. Sam Behar schrijft dat Roza zijn tante was, vermoedelijk een zuster van zijn vader Salamon, en dat Albert zijn ‘onkie’ was. Albert Bechouche (uitgesproken als Besjoesje), was ‘leider van de groep Turkse joden’ van het 13 september-transport en ‘een echte Levantijn, een levensgenieter’. Hij was ook de contactpersoon voor mevrouw Slottke van het Duitse Referat IVB4. Op de dag van het transport waren zij resp. 51, 46 en 22 jaar oud. Het gezin kwam terug naar Nederland. Fortuné Bechouche trouwde met de liberaal-joodse Hans Naarden. Zij kregen een dochter, een zoon en kleinkinderen. Fortuna overleed in 2004, na haar man, en werd in Hoofddorp begraven.

Behar gesch. Perez (9-10, 52)
Het gezin Behar gesch. Perez staat in alle drie genoemde documenten. De moeder heet Bellina Behar (Silivri, 10 okt. 1907), gescheiden van Perez. Silivri ligt 20 km westelijk van Istanbul. Op haar paspoort, in Hamburg verlengd tot augustus 1943, staan twee kinderen: Mario Jakob Perez (Rotterdam, 23 okt. 1927) en Luisa (Loesje) Perez (Amsterdam, 4 juli 1930).
Moeder en kinderen woonden in februari 1943 te Enschede, Emmastraat 229. Mario staat apart op de transportlijst, als ‘student’. Hun leeftijden waren toen resp.: 37, 17 en 14 jaar. Zij kwamen terug naar Nederland en emigreerden later naar Israël. Mario overleed er aan de gevolgen van een ongeluk. Dit gezin is niet verwant met onderstaande familie; de naam Behar komt zeer veel voor in de Sefardische wereld.

Behar-Behar (11)
De naam van Perla Behar-Behar (21 maart 1872) staat niet op de paspoortlijst, wel in de andere documenten. Zij is ingeschreven op het Amsterdamse adres Amstel 113. Hier woonden zowel Roza Bechouche-Behar (zie boven) als Salamon Behar (zie onder), mogelijk haar kinderen. Sam Behar noemt haar naam niet.

Behar-Kuzi (12-16)
Salomon (Salamon, ‘Max’) Behar (Adrianopel/Edirne, 10 nov. 1903) en Dudu Behar-Kuzi (idem, 10 jan. 1900-1970), met Suzanna (Amsterdam, 27 febr. 1931-Orléans 1997), Samuel (Sam) (idem, 9 dec. 1932) en Israel (idem, 23 sept. 1934-1993). De namen van de ouders komen – Kuzi wordt ook als ‘Ruzi’ geschreven - op alle drie de documenten voor, die van de kinderen niet bij de lijst van de Zentralstelle.
Het gezin werd op 20 januari 1930 vanuit Constantinopel ingeschreven in Amsterdam. Sam Behar vertelt dat zijn ouders heel hard hebben moeten werken om in Nederland een bestaan op te bouwen. Er was veel contact met landgenoten. ‘Tante’ Bella Yerusalmi die in Amsterdam aan de Nieuwe Achtergracht woonde reed met de kleine Sam in de kinderwagen. Het gezin woonde in februari 1943 op Amstel 113, hetzelfde adres als het gezin Becouche-Behar (zie boven). De ouders Behar hadden een Turkse pas van 10 november 1941, verlengd tot 11 oktober 1942, afgegeven door het Turkse consulaat in Hamburg. Als beroep van de vader staat ‘Tabakschneider’ vermeld. De kinderen staan op de pas van hun moeder. In september 1944 waren hun leeftijden 40, 44, 13, 11 en 10 jaar.
Het gezin overleefde dankzij de Turkse papieren, zoals de meesten van deze groep. De ‘nüfus’, Turkse identiteitskaart, van Israel Behar werd overigens door een van de inwonende medereizigers gestolen. Deze persoon is niet met het transport meegegaan. Sam vertelt dat zij in Bergen-Belsen eerst in het Albala-Lager en daarna in het Benadon-Lager waren – het Albala-kamp is onbekend. De groep reisde op 4 maart 1945 met de trein naar Zweden en ging vandaar met het schip de Drottningholm naar Izmir, Turkije (zie inleiding). Op 16 juli 1946 keerde het gezin Behar-Kuzi vanuit Istanbul terug naar Nederland. Daar moesten zij voor de tweede keer vanuit het niets beginnen. Sam vertelt dat het voor zijn moeder bijna te veel was; zij was op, toen zij uit de oorlog terug kwam.
Robert Yohaï vertelt over Max Behar, dat hij een zeer aardige man was, ‘maar zó stokdoof, dat als ik hem bezocht ik buiten aan een touw moest trekken, dan ging er naast zijn raam een heuze klok met klepel te keer en hing hij uit raam om te zien wie daar was’ (e-mail 14 jan. 2009). De ouders en broer van Sam Behar zijn in Ouderkerk begraven.

Chichou (17) – niet aan boord
Ribca Chichou (Safed/Palestina, 23 juni 1892). Haar naam staat alleen op de transportlijst. Achter haar naam staat ‘wahrscheinlich Türkei’ en ‘straffällig’ (ondergedoken geweest?). Zij werd niet in het Benadon-kamp geplaatst en maakte geen deel uit van de uitwisseling. Mevrouw Chichou overleed ten gevolge van de ontruiming van Bergen-Belsen. Zie verder paragraaf I.

Ciaves/ Chaves (18) – niet aan boord
Isaac (Izak) Ciaves/ Chaves (20 dec. 1914) staat ook vermeld op de naamlijst van 13 september 1944, met als beroep kleermaker. Volgens Sam Behar, die ‘Chaves’ schrijft, is Izak echter niet met het transport meegegaan. Hij woonde daarvoor een tijd bij de familie Behar in huis. Bij aankomst van het Zweedse schip met de Turkse joden uit Bergen-Belsen wachtte Izak’s moeder in Izmir tevergeefs op hem.

Cohen-Yerusalmi (19-20, 22)
Avraam (Awram) Cohen (Constantinopel, 15 nov. 1896), koopman, en Esther Cohen-Yerusalmi (Jerusalmi)(idem, 2 juni 1888) komen op alle drie de lijsten voor. Dat geldt bij de kinderen niet voor Bohor (Robert) (idem, 19 febr. 1923), wel voor Fanny (Amsterdam, 18 juli 1927).
Gezien de geboortedatum van Fanny zijn ouders en eerste kind tussen 1923 en 1927 naar Nederland gekomen. Avraam was een zoon van Esther Cohen-Adjiman (nr. 21) en de oudere broer van Zaffira (nr. 25) en Isaac (nr. 43). Esther was mogelijk verwant met de familie van Louna en Isak Yerusalmi (nr. 39-40). Het gezin Cohen-Yerusalmi stond in 1943 ingeschreven op de Nieuwe Keizersgracht 1-c in Amsterdam. Men had een Turkse familiepas, afgegeven in Den Haag en tot eind augustus 1941 geldig. Op de dag van vertrek waren de gezinsleden resp. 47, 56, 21 en 17 jaar oud. De ouders en Fanny overleefden met de Turkse groep van Bergen-Belsen, Robert overleefde in Nederland. Avraam, Esther en de dochter kwamen terug. Fanny trouwde met Ab Ryxman. Op Robert na werden allen op Ouderkerk begraven.

Cohen-Adjiman (21)
De naam van Esther Cohen-Adjiman/Adjunan (Stamboul, 13 nov. 1873) komt op alle drie de naamlijsten voor. De lijsten van 1943 spellen haar familienaam als Adjunan. Haar Turkse pas is in 1938 uitgegeven in Den Haag en verlengd tot mei 1940. Zij woonde op de Nieuwe Achtergracht 55-III, bij haar kinderen Zaffira en Isaac (zie nr. 25 en 43). Haar zoon Avraam woonde met zijn gezin elders (zie nr. 19-20). Zij was op de dag van het transport 70 jaar. Sam Behar schrijft dat Esther Cohen-Adjiman een heel lieve vrouw was en een goede vriendin van zijn moeder, Dudu Behar-Kuzi. Zij kwam na de oorlog terug naar Nederland en is bij haar overlijden begraven op Ouderkerk.

Cohen-Souss (Kohen-Souss) (43-44) - met een extra passagier
Isaac (Jacques) Cohen (Kohen) (Istanboul, 29 maart 1902) en zijn vrouw Rachel Souss (22 juni 1917) staan beiden op de transportlijst; hij met de naam Kohen. Alleen Isaac wordt ook in de twee andere documenten genoemd, woonachtig op de Nieuwe Achtergracht 55, met zijn moeder Esther Cohen-Adjiman (nr. 21) en zijn zuster Zaffira Engelsman-Cohen (nr. 25). Ook Juada Mizrahy (Istanboul, 26 mei 1912), wiens naam voorkomt op de lijst van de Zentralstelle, woont hier. Hij heeft papieren die alleen voor het jaar 1935 geldig zijn. Het beroep van Isaac Cohen is ‘koopman’. Zijn Turkse pas uit maart 1939, Den Haag, is met een jaar verlengd. Tico Hattem kende nog een Leon Mizrahi, die bevriend was met zijn vader Hattem en bij hem onderdook in de Beethovenstraat.
Sam Behar vertelt dat Isaac erg doof was. Ook schrijft hij dat hun kind, Victor, in Westerbork is geboren; het jongetje staat niet op de transportlijst van het NIOD, zijn nichtje Hortense (1942) wel. ‘Hij was ons aller baby. Wij maakten samen ‘slagroom’ voor hem , door aardappels te kloppen’. De ouders waren op de dag van vertrek resp. 42 en 27 jaar. Zij keerden uit Turkije terug naar Nederland. Rachel overleed al snel na de oorlog. Isaac hertrouwde met Gentile Adato. Beiden zijn begraven op Ouderkerk.

Engelsman-Cohen (24-26)
Jacques Engelsman (8 jan. 1917) en Zaf(f)ira (Zafiera) Engelsman-Cohen (Constantinopel, 29 dec. 1905) komen op alle drie de Duitse documenten voor. Hun adres is hetzelfde als van Zaffira’s moeder (nr. 21) en haar broer Isaac (nr. 43): Nieuwe Achtergracht 55-III in Amsterdam.
Zaffira kreeg door haar huwelijk met Jacques Engelsman de Nederlandse nationaliteit (29 juli 1942). Zijn beroep was ‘Kontorist’, kantoorbediende, haar beroep ‘Näherin’, naaister. Hun dochter Hortense werd op 30 december 1942 geboren. Het anderhalf jaar oude meisje staat ook op de transportlijst. Ondanks haar recente Nederlandse naturalisatie had Zaffira blijkbaar reddende Turkse papieren weten te verkrijgen. Jacques en Zaffira waren op de dag van het transport resp. 27 en 38 jaar oud. Zij kwamen na de tocht naar Bergen-Belsen, Zweden en Turkije terug naar Nederland. Zaffira is na haar dood niet in Ouderkerk maar op de joodse begraafplaats in Amersfoort begraven; zij was een tijd onder behandeling in het Sinaïcentrum aldaar.

Eskenazi (27, 30)
De namen van Samuel Eskenazi (26 okt. 1885), tapijtstopper, en zijn dochter Bellina Eskenazi (29 jan. 1913), tapijtstopster, komen alleen op de transportlijst voor. Zij waren toen 58 en 31 jaar oud. Sam Behar bevestigt dat zij in Bergen-Belsen waren. Bellina was getrouwd met een van de zonen (Daud of Maud) van Kalef Perez. Zij zijn na de oorlog naar de Verenigde Staten vertrokken.
Het digitaal Joods Monument kent drie personen met de naam Eskenazi. Samuel Alexander Eskenazi werd op 16 juli 1943 geboren in Westerbork, en overleed daar drie weken later (6 augustus). Zijn vader, Albert Eskenazi, (Wenen, 6 september 1914) was toen al vermoord in Auschwitz (23 juli). Zijn moeder, Keetje van Rijs (Den Haag, 11 december 1913), naaister, kwam op 30 november 1943 in Auschwitz om het leven. Het jonge echtpaar woonde in de Gouverneurlaan 161 in Den Haag. Het is waarschijnlijk dat Albert, geboren in Wenen, de zoon was van Samuel Eskenazi, en met zijn vrouw bij hem en Bellina inwoonde. Vermoedelijk had het jonge echtpaar geen erkende Turkse papieren. Het Joods Monument schrijft dat ook de moeder van Albert, de echtgenote van Samuel Eskenazi, overleefde. Misschien was ook zij aan boord van de ss Drottningholm. Samuel was mogelijk een verwant van Maurice Eskenasy; de schrijfwijze van de naam is een andere transcriptie van de nog in Arabisch schrift gestelde Turkse naam.

Eskenasy-Capuano (-Vischschraper) (28-29, 31) – met een extra passagier

Moïs en Refka Eskenasy-Capuano, rond 1930 (coll. Jacqueline Eskinasi)
Maurice (Moïs) Eskenasy (Constantinopel, 13 okt. 1884 - 11 november 1950) was getrouwd met Rebecca (Refka of Rifka) Capuano (4 maart 1887 - 15 maart 1964) - in haar Turkse paspoort van 1956 luidt haar naam overigens Eskenazi en is haar geboortejaar 1886. Zij woont dan op de Churchilllaan 8 in Amsterdam. Refka was een zuster van Fani Hatem-Capuano, de moeder van Albert Hatem en Meri Alyon-Hatem. Maurice was koopman. Hij is degene die in 1927 de jonge Albert Hatem opvangt, als hij aankomt in Amsterdam. Er waren twee zoons: Isaac (Jacques) (Constantinopel, 4 sept. 1918) en David (Wenen, 12 maart 1923). De familie Eskenasy had Wenen als tussenstation, net als de families Eskenazi en Mogroby. Op de paspoortlijst komen alleen de vader en de twee zoons voor; Maurice en David hebben een pas uit Hamburg, verlengd tot oktober 1942, Jacques uit Den Haag, geldig tot augustus 1941.
Op de lijst van de Zentralstelle staan de namen van de ouders, van Jacques en van een E. Eskenasy-Capuano (4 maart 1893) – het gaat vermoedelijk oom Refka met verschrijving van initiaal en geboortejaar.
Het gezin woonde begin jaren veertig in de Geuzenstraat 82 te Amsterdam. David trouwde in oorlogstijd met Sara (Lientje) Vischschraper (29 mei 1925); het was een ‘verstandshuwelijk, bedoeld om haar door de oorlog te slepen’. De transportlijst naar Bergen-Belsen kent alleen de namen van de ouders en hun schoondochter Lientje. Zij waren resp. 59, 57 en 19 jaar oud. De namen van Jacques en David (toen 26 en 21 jaar) ontbreken.

Jacques (Isak) Eskenasy met broer David en neef Albert (in uniform) bij diens Dodge, rond 1939 (coll. Jacqueline Eskinasi)
Jacques Eskenasy (later Eskenazi) dook onder in de Beethovenstraat bij Albert Hatem met nog vijf anderen, waar hij overleefde. Het is ook zeker dat David geen deel uitmaakte van het transport. Hij wist via Frankrijk naar Istanbul te komen. Na de bevrijding zijn David en Lientje volgens afspraak gescheiden. David trouwde met Nora Gazan en noemde zich voortaan Skenazi. Het echtpaar kreeg twee dochters, Evelyne (1951) en Pauline (1954), en (uit een volgend huwelijk met Johanna Zwaan) drie zoons, André (1958), Rudolph (1961) en Arthur (1964). David stierf op 28 april 2009 in Kortrijk (België). Jacques overleed in 1991 in Alicante (Spanje) - zie voor hem ook 7. Andere overlevenden.

Met dank aan de heer André Skenazi (Brussel, juli 2009, augustus 2013, mevrouw Jacqueline Eskinasi (augustus 2013) en de heer Tico Hattem (Amsterdam, september 2012).

Fikri (Bey) Mundij-Roos (32)
Maria Fikri (Bey) Mundij-Roos (5 okt. 1882). Haar naam komt alleen op de transportlijst voor. Het Joods Monument kent Maria als tolk, wonend op de Rijnstraat 10 in Den Haag. Het Monument gaat er vanuit dat zij overleden is, weet echter geen sterfdatum of –plaats.
Van een Fikri ‘Bey’ (heer) Mundij (Münci) is bekend dat hij het Ottomaanse Rijk diende als consul-generaal en daarnaast literator was. Het is goed mogelijk dat hij de echtgenoot van Maria Roos was. Hij moet geboren zijn rond 1869. In 1892 werd zijn zoon Feridun Fikri Düsünsel geboren (www.atam.gov.tr) - deze werd een bekend Turks jurist en volksvertegenwoordiger.
New York
De New York Times publiceerde op 20 augustus 1899 een interview met foto van Fikri Bey. Mundji was toen dertig en sinds anderhalf jaar de Sultan’s vertegenwoordiger in de VS. Zijn beheersing van de Engelse taal wordt door de krant geprezen. Fikri Bey beheerst nog enkele andere talen voegt de journalist toe. Zijn vader, H. Fikri Pasha, was gouverneur van een aantal Ottomaanse provincies. Fikri Bey was sinds 1887 in dienst van de sultan. Voor zijn post in New York werkte hij drie jaar als consul in Griekenland. Hij schreef boeken met titels als ‘De Bitterheid van het leven’, ‘Vlucht naar de dood’ en ‘De roze zakdoek’, waarin een persoonlijke romance is verwerkt.
Britse Rijk
Uit een aantekening op de site van de Engelse Nationale Archieven (1916) blijkt dat Fikri Mundji ook in het Britse rijk de post van consul generaal bekleedde. Hij verzocht om overzending van zijn persoonlijks bezittingen naar Amsterdam (www.nationalarchives.gov.uk/catalogue/displaycataloguedetails). In januari 1916 eindigde de slag om de Dardanellen (‘Gallipoli’) waarin de Engelsen en hun bondgenoten tevergeefs probeerden de toegang tot Istanbul in handen te krijgen. Turkije zat in het kamp van Duitsland en Oostenrijk. Vermoedelijk werd de Turkse diplomaat vanwege de vijandige relaties uitgewezen.
Nederland
Men mag aannemen dat de heer Mundji langer in Nederland is gebleven, mogelijk ook vanwege diplomatiek werk in Den Haag. In de paspoortlijst komen zowel een Turks Gezantschap als een Consulaat in Den Haag voor. Ook van Fikri Bey Mundji zijn sterfdatum en –plaats niet bekend.

Foerder-Austerlitz (33) – niet aan boord
Irma Foerder-Austerlitz (Oberglogau, 17 april 1888 – ogs.nl heeft als enige site 1880). Haar naam staat alleen op de transportlijst. Irma Foerder was met Ribca Chichou (zie nr. 17) de enige van het transport die de Holocaust niet overleefde. Zij overleed in Bergen-Belsen, op 8 november 1944, vermoedelijk in het Benadon-Lager, binnen twee maanden na aankomst, 56 jaar oud (zie ook paragraaf I, overledenen).

Malalel-Norden (47-48)
Mietje Malalel-Norden (14 juni 1882) en haar dochter Rozette V. Malalel (Den Haag, 13 maart 1928) worden alleen op de transportlijst genoemd. De man van Mietje was Habibe Malalel (Constantinopel, 15 mei 1892). Zijn beroep was volgens een genealogische site tapijtenwever; haar beroep was naaister. De ouders van Habibe waren Avram Malalel en Vida Eskenazi. Zoon Robert (Den Haag, 13 juni 1923) werd samen met zijn vader Habibe in januari 1945 opgepakt en naar Westerbork gebracht, waar zij tot de bevrijding bleven. Mevrouw Malalel was met haar dochter Rozette al in september 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Moeder en kinderen werden blijkbaar door de Turkse nationaliteit van de vader beschermd. Mietje en Rozette waren op de dag van vertrek resp. 62 en 24 jaar oud. Zij kwamen ongedeerd terug naar Nederland.

Pardovitch-Gompers (49-51)
De namen van Yussef ('Yassef', 'Joseph') Pardovitch (16 jan. 1899), koopman, Hendrika Pardovitch-Gompers (Amsterdam, 22 juli 1905) en Vladimir ('Wladimir Yassef', Amsterdam, 5 febr. 1930) komen alleen op de transportlijst voor. Bij vertrek naar Bergen-Belsen waren zij resp. 45, 39 en 14 jaar oud. Sam Behar herinnert zich alleen de familienaam.
Uit de informatie van het Joods Monument blijkt dat het echtpaar in 1941 samen met de ouders van Hendrika op de Volkerakstraat 35-I in Amsterdam woonden. Dat was voor Wladimir vijf minuten lopen naar de Dongeschool aan de Dintelstraat (nr. 5). Hoofdonderwijzer was mijnheer Zandvoort. In september 1941 mocht Wladimir er niet meer heen. Zijn oma, Johanna Levie Gompers-van Berg (Groningen,1873) overleed voor het begin van de deportaties, op 28 februari 1941. Er is een foto van haar tijdens het bruiloftsfeest van Hendrika en Yussef. Het huwelijk werd in 1929 gesloten.
De zuster van Hendrika, Henriëtte (Amsterdam, 1907), trouwde in 1936 met Heinz Levy (Hannover, 1904) - in 1924 bokser op de Olympische Spelen van Parijs, en in Amsterdam bonthandelaar. Hendrika's vader Hartog Gompers (Amsterdam,1874) staat op een foto die van dit huwelijk bewaard is.


Fragment brief Pardovitch aan schoolhoofd (klik voor vergroting). Coll. Mw. Adriaansen-Timmer

De familie van Reinier Herman Zandvoort (Dalen, 20-3-1894 – Zeist, 27-1-1980) heeft een brief uit ‘Istamboul’ bewaard. Wladimir Pardovitch stelt zijn vroegere schoolmeester op de hoogte van zijn situatie en informeert naar de situatie in Nederland. Het gezin Pardovitch wil terugkomen.
De brief opent vrijmoedig: ‘Waarschijnlijk hebt U mij reeds lang opgegeven, of misschien hebt U zoveel beslommeringen dat U in ’t geheel niet aan mij gedacht hebt’. Wladimir is met zijn ouders in een klein voorstadje geïnterneerd, aangezien de Turkse regering hen niet wil erkennen. Ze wachten op een visum en een boot om terug te kunnen gaan naar Nederland. Wladimir vertelt dat het gezin eerst vast heeft gezeten in de gevangenis aan de Weteringschans, daarna naar Westerbork is gevoerd en vervolgens naar Bergen Belsen is gedeporteerd. Dat was dus op 13 september 1944. ‘Toen Turkije (aan Duitsland) de oorlog verklaarde zijn we uitgewisseld als Turkse staatsburgers’. Hij doelt op het transport van 4 maart 1945 naar Zweden en vandaar met de ss Drottningholm naar Turkije.
Wladimir informeert uitgebreid naar de ‘beslommeringen’ van mijnheer Zandvoort en zijn dochter Herma, ‘Hermaatje’ (5-9-1937). In de Londense editie van Vrij Nederland heeft hij in een interview met onderwijzer Blok gelezen over de moeilijkheden die onderwijzers en kinderverzorgers in de laatste maanden van de oorlog ondervonden. In dit verband schrijft hij hoe het hun is vergaan.‘Van mijn gehele familie die gedeporteerd is (ca. 80 personen) heeft het er hoogstwaarschijnlijk niet één overleefd’. Ze gaan af op de berichten over teruggekeerden die ze uit Nederland krijgen. Zijn ouders zijn erg blij dat kennissen in Amsterdam contact hebben gezocht, ‘zodat we er tenminste weten dat er mensen zijn die ons verwachten’. Hij schrijft aan de zijkant van de brief verticaal het postadres waarheen mijnheer Zandvoort een antwoord zou kunnen sturen: Hôtel Alp in het bekende, Europees georiënteerde stadsdeel Beyoglu.
Dat het grootste deel van de familie omkwam in de Holocaust geldt in ieder geval voor het gezin van Wladimirs moeder. Haar vader Hartog werd naar Sobibor gedeporteerd, waar hij op 16 juli 1943 werd vergast. Henriëtte en haar dochtertje Yolanda werden in Auschwitz vermoord, op 19 november van dat jaar. Heinz kwam er vier maanden later om het leven.
Op de lijsten van de Zentralstelle en de paspoorten komt nog een Firtlis Bardocic/Bardovic voor (Constantinopel 7 sept. 1897). Het gaat vermoedelijk om Fritz ('Frits') Pardovitch, een broer van Yussef Pardovitch. Hij woonde in de Tuyl van Serooskerkeweg 10 te Amsterdam.
N.B. met dank aan mevr. Adriaansen-Timmer (juli 2012) die de brief van Wladimir Pardovitch ter beschikking stelde, en aan de familie Pardovitch (juli 2012).

Yerusalmi-Albalah (39-40)
‘Jerusalmi’ op de transportlijst

Isak (Izak) Yerusalmi (Cumuleune (?), 13 dec. 1907) en Beya (Bella) Yerusalmy-Albalah (Adrianopel/Edirne 20 jan. 1902) woonden in februari 1943 op de Nieuwe Achtergracht 22 te Amsterdam. Daar woonde ook een verwante van Izak, Louna Yerusalmy (Jerusalmi)-Salah (Constantinopel, 1868). Esther Cohen-Yerusalmy (Constantinopel 1888), vermoedelijk ook familie, woonde op de Nieuwe Keizersgracht. Sam Behar vertelde dat hij in zijn jeugd door tante Bella werd rondgereden in de kinderwagen.
De namen van Izak en Bella komen op alle drie de documenten voor, die van Louna alleen niet op de transportlijst. Op de paspoortlijst begint de familienaam met een Y. De echtgenoten hebben een Turkse ‘Ausweis’ uit Hamburg van oktober 1941, verlengd tot oktober 1943. Het beroep van Izak is hier ‘schoenmaker’. Louna heeft haar pas van het Turkse consulaat in Den Haag, eind augustus 1940, eveneens met een jaar verlengd. Louna ‘Salah’ overleed in Westerbork, op 28 februari 1944 (www.drenlias.nl; het Joods Monument geeft voor Louna ‘Jerusalmi’ 25 februari als sterfdatum). Er staan geen familieleden bij de overlijdensaangifte vermeld.
De dag van het transport was 13 september 1944. Het echtpaar kwam na de oorlog naar Nederland terug. Bella Yerusalmy verbleef op hogere leeftijd in bejaardenhuis Beth Shalom.

Yohaï-Varon (41-42) - met een extra passagier
‘Johai’ op transportlijst

Mercado Yohaï (Johai) (Gallipoli, 22 nov. 1875), Simroja (Signora) Yohaï-Varon (Gallipoli, 12 okt. 1887) met Robert (idem, 11 maart 1905), Louna Fanny (idem, 1 nov. 1910) en Avram (Albert) (idem, 6 dec. 1911). Het gezin woonde op de Nassaukade 316. Er was een gezinspas, eind augustus 1940 afgegeven door de Turkse gezant in Den Haag, en met een jaar verlengd. Ouders en kinderen staan onder de naam Johai en Johay genoteerd op de paspoortlijst. Yohaï is de eigenlijke schrijfwijze. Alleen de ouders komen voor op de lijst voor het transport naar Bergen-Belsen. Sam Behar schrijft echter dat ook Fanny meeging. De ouders waren toen 68 en 56 jaar oud, Fanny was 34.
Het gezin woonde in Turkije in Gallipoli (Gelibolu). De familie kwam ook voor in de naburige kustplaatsen Cannakale en Tekirdag. Het gezin Yohaï was in 1923 naar Nederland gekomen. Robert was tabaksmelangeur en werkte aanvankelijk onder contract bij de sigarettenfabriek Broches & Co (een broche is een Joods gebed). Daarna startte hij onder de naam YOHAÏ een eigen sigarettenfabriek op de Ouderzijds Voorburgwal in Amsterdam. Sam Behar vertelt dat men een compagnon vond, Rottenberg, zodat de bedrijfsnaam ‘Yohaï & Co’ werd. Robert trouwde en kreeg een zoon, Robert jr. Hij overleed op 1 december 1942 en is begraven op de Portugese begraafplaats in Ouderkerk, midden in de oorlog. Op zijn graf staat de halve maan met ster van Turkije.

Louna Yohaï trouwde op 3 oktober 1935 met een Nederlander, Morpurgo, maar behield haar Turkse nationaliteit. Die zou haar, volgens de telex van Willi Zoepf (maart 1944) van Turkse zijde echter ontnomen zijn. Albert trouwde in juli 1938 een niet-joodse vrouw, verloor zijn Turkse nationaliteit maar hoefde niet weg.
Ouders en dochter maakten de tocht van Bergen-Belsen naar de vrijheid mee. Mercado Yohaï overleed echter tijdens de zeereis naar Turkije op de ss Drottningholm en werd in Port Saïd begraven. Moeder en dochter keerden na de oorlog uit Turkije terug naar Nederland. Fanny Yohaï hertrouwde en alle drie emigreerden naar de Verenigde Staten.
Albert Yohaï bleef en dook onder bij zijn vriend Albert Hat(t)em aan de Beethovenstraat 62. Hij had een zaak, waar de vader van Sam Behar na terugkeer heeft gewerkt. De Yohaï & Co Dutch Tobacco Company produceerde in 1982 de goedkoopste sigaretten van Nederland.
[Met dank aan Robert Y. Yohaï, januari 2009]

P.S. Op de transportlijst van 13 september 1944 naar Bergen-Belsen staan nog 10 andere personen, met papieren van andere landen.

Een persoon met de Roemeense nationaliteit (23)
Gertrud Deutsch-Meijer,1908, stenotypiste

Drie personen met de Hongaarse nationaliteit (34-36)
Klara Hegedüs gesch. Blitz, 1914, naaister.
Robert Blitz, 1940
Marcel Hegedüs, 1912, musicus – Sachsenhausen 10 dec 1944.

Vijf personen met de Argentijnse nationaliteit (37-38, 46, 53-54)
Frederico A. Hochheimer, 1909, koopman
Sitta Hochheimer-Löwenstein, 1914, opticien
Jacob de Lange, 1901, fabrikant; hij stierf in Bergen-Belsen op 3 febr. 1945, vóór de uitwisselingsactie
Walter Picard Baumann, 1899, koopman
Ellen Picard Baumann-Rosenthal, 1912.

Een persoon met de Egyptische nationaliteit (55)
Margaretha Siliava, 1911, kleuterleidster, overleden in Tröbitz op 28 april 1945 – zie paragraaf II, overledenen


7. Andere Turks-joodse overlevenden (1940-1945)


Deze namen zijn afkomstig van de Zentralstelle- en paspoortenlijst (febr. 1943). Ze betreffen mensen die niet op de Holocaustsites voorkomen en niet als familielid of huisgenoot in de andere biografische aantekeningen van paragraaf I-IV worden genoemd. Alleen bij de familie Hatem is een relatie bekend met opvarenden van de ss Drottningholm (IV, 6)

Alyon-Hatem
1-2. Muiz (Moïse, Moïs) Alyon (Kuzcuncuk, 22 maart 1913) en Meri (Mari, Mary) Alyon-Hatem (Istanboul, 29 mei 1914). De ouders staan op de twee Duitse lijsten van februari 1943, maar niet op de transportlijsten voor Bergen-Belsen. Moïse staat op een ander Amsterdams adres gemeld (1e Helmersstraat 127) dan Mary achter wier naam Admiraal de Ruijterweg 32 staat. Familieleden van Meri zijn Fani Hatem-Capuano (Constantinopel 1881) en Albert Hatem (Constatinopel 1913), zie onder. Na de oorlog gingen de ouders uit elkaar. Beiden zijn op de Joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel begraven.
Aanvulling Tico Hattem (sept. 2013): "Meri was de zuster van mijn vader Albert Hatem. Samen met haar achterneef Moïse en haar ouders, Jako en Fani Hatem, volgde zij Albert eind jaren twintig naar Amsterdam. Muiz Alyon (ook Aelion genaamd) schreef zich in op de 1e Helmersstraat, Meri met haar ouders op de Admiraal de Ruijterweg. Het beschikken over verschillende adressen gaf meer veiligheid. Tijdens de oorlog doken ze met Albert, moeder Fani en twee vrienden van Albert onder bij diens verloofde in de Beethovenstraat. Zij kregen tijdens de onderduikperiode een dochter, Fanny, op 13 december 1943, en in 1946 een zoon. Na de oorlog gingen Moïse en Meri uit elkaar. Zij overleed op 2 december 1969, hij op 5 november 1974."

3. Jozef (Josef Samuel Lico) Amar (Wenen 1 sept. 1909). Hij woonde in 1943 de Stalpertstraat 64 in Den Haag en had een Nederlandse vreemdelingenpas, geldig tot 25 aug. 1940.

4. Nissim Benezra (Smyrna, 6 juni 1885). Hij woonde op Noordeinde 138 in Den Haag, en werd op 13 mei 1941 uitgeschreven naar Frankrijk.

5-6. Hatem (Hattem)

Albert Hatem in 1927 op de boot van Constantinopel naar Brindisi (coll. Tico Hattem)
Op de twee naamlijsten van 1943 staat ook Albert Hatem (Istanboul, 27 aug. 1913). Hij staat met Fani Hatem-Capuano (Istanboul, 21 mei 1881) geregistreerd op de Grote Houtstraat 104 – een winkelpand op de hoek met de Nieuwsteeg - in Haarlem. Achter de naam van Albert staat dat hij ‘kein Personalausweis’ heeft. Hetzelfde probleem staat bij de naam van mevrouw Hatem-Capuano: ‘keine Papiere’. ‘De nationale identiteitskaart is haar afgenomen en nieuwe papieren kan ze niet krijgen’.
Hoewel zij geen deel uitmaken van het transport komt hun naam ook niet bij de overledenen voor. Van Albert Hatem is zeker dat hij overleefde (met dank aan de heer André Skenazi, juli 2009).
Zij woonden op hetzelfde adres als hun stadgenoot Semaria (Mario) Gabay (1915). Hij was tapijtverkoper en woonde met zijn Nederlandse vrouw Dina Smeer (1918) op Grote Houtstraat 104-106. Zij waren in februari 1944 in Westerbork, waar hun dochtertje Serica Bianca stierf (28 februari 1944), 11 maanden oud. Zij mocht op de joodse begraafplaats van Ouderkerk begraven worden. Semaria en Dina gingen niet met het transport van 13 september mee. Het echtpaar was toen vermoedelijk al weg. Semaria had waarschijnlijk geen Turkse papieren meer. Beiden stierven, op andere plaats en tijd, in de Sjoa. Zie paragraaf II, 6-8.

Aanvulling van Tico Hattem (sept. 2013):
"Albert Hatem en Fani Hatem-Capuano (spreek uit 'Fanny') doken onder in Amsterdam.
Hoe kwam de familie Hatem in Nederland terecht en hoe overleefden zij de oorlog? Hierover wil ik het volgende vertellen:

Jonge Turken
Rond 1927 kwam er een aantal jonge Turkse joden, voornamelijk uit Constantinopel en omgeving, naar Nederland. De voornaamste reden van dit vertrek uit Turkije was dat zij als jood niet in het Turkse leger wilden dienen. Als minderheid liep je grote risico's, en de herinnering aan de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog met de slachting bij Gallipoli (1915) en de daarop volgende Turkse onafhankelijkheidsoorlog (1920-1922) was nog levend. Onder degenen die vertrokken was mijn vader. Hij werd later gevolgd door zijn vader Jako ('Jacques'), zijn moeder Fani en zijn zuster Mari, met haar achterneef Moïs. Albert Hatem was in 1927 bijna 19 jaar oud. Zijn leeftijd werd voor zijn vertrek uit Constantinopel met vier jaar verlaagd en zijn geboortejaar werd daardoor officieel 1913. Zijn zuster Mari is nu dus slechts 7 maanden jonger.
Gezin Hatem-Capuano in Constantinopel: ouders en Albert (1914), Mari (1914), Meri (ca. 1950). Foto's 1 en 2 zijn van hofleverancier Sebah & Joailler, 439 Grand Rue de Pera). (coll. Tico Hattem)

Het merendeel van deze jonge Turkse joden sprak vele talen: het Ladino (de mediterrane joodse omgangstaal) als moedertaal, Turks, Engels, Grieks en wat Ivriet. Albert sprak nog vloeiend Italiaans en Duits. De meesten konden ook nog het Arabische schrift lezen en schrijven. Na enige tijd in Nederland spraken zij ook nog goed Nederlands, alleen wel met een accent. Albert kwam samen met enkele vrienden met de boot via Brindisi, Zuid-Italië, naar Nederland. Vervolgens ging het van Brindisi met de trein naar het Amsterdamse Centraal Station.


Op de boot van Constantinopel naar Brindisi (1927). Links Albert Hatem (coll. Tico Hattem)

Oom en tante
Maurice Eskanasi (zie IV.6), een oom van Albert Hatem, verbleef al in Nederland. Maurice was getrouwd met een zus van Alberts moeder, Rifka ('Rebecca') Capuano. In Turkije was het in die tijd gebruikelijk dat de omgeving op de hoogte was als er iemand werd verwacht. Tijdens de wandeling van het Centraal Sation naar de Nieuwe Achtergracht riep iemand luid 'Mois Eskenazi'. Dit was voor Albert het signaal dat zijn oom werd geroepen dat hij was gearriveerd. Albert spoedde zich naar de man die 'Mois Eskenazi' had geroepen. Het bleek echter een groenteman te zijn die 'mooie spinazie' had geroepen. Albert vond zijn oom toch, en ging bij Perez Oostersche Tapijten werken.


Albert Hatem in een bedrijfsauto van Perez, ca. 1930. (coll. Tico Hattem)

Adressen in Amsterdam, Haarlem en Arnhem
Albert Hatem werd op 2 juli 1928 in Amsterdam ingeschreven. Mogelijk op de Korte Amstelstraat 1 boven. Dat is in ieder geval het eerste adres van zijn zus en ouders, die op 12 maart van het daaropvolgende jaar een 'gezinskaart' kregen. later vonden zij een woning op de Admiraal de Ruijterweg 32, terwijl Moïs ingeschreven werd op de 1e Helmersstraat 127. Het adres aan de Admiraal de Ruijterweg werd in de oorlog aangehouden. Het had twee uitgangen en dat was altijd handig, volgens mijn vader.


Jako, Fani Hatem en Mois Alyon in de Haarlemse winkel (coll. Tico Hattem)

Op 15 september 1934 vestigde mijn vader zich - inmiddels schreef hij Hatem op zijn Nederlands met twee t's - in de Grote Houtstraat 104-106 te Haarlem. Daar had hij een zaak in Perzische tapijten, waarbij het de tapijten op consignatie van Perez betrok. Op hetzelfde adres woonde Semaria (Mario) Gabay (Istanbul, 1915). Mario was getrouwd met een Nederlandse vrouw, Dina Smeer (1918) en werkte bij Hattem in de winkel (zie II, 6-8). Albert woonde tussen mei en oktober 1929 nog even in Arnhem, Willemsplein 20, het stationsplein. De familie zocht steeds naar spreiding van de risico's, die zij als joodse minderheid in Turkije goed kende.

Vrienden
Er was inmiddels een hechte vriendschap ontstaan met andere Turkse joden. Dit waren op de eerste plaats Leon Mizrahi uit Kartal (26 mei 1912), en uit Gallipoli de broers Robert (11 maart 1905) en Albert Yohaï (6 dec. 1911) met hun zuster Louna (1 nov. 1910).
Leon Mizrahi, Albert Yohaï, Albert Hattem, ca. 1935 --- Annie Kennedy, ca. 1938 --- Robert Yohaï (?) en Albert Hattem (coll. Tico Hattem)

Albert Hatem was de enige die een auto had, een Dodge, en de vrienden en familie maakten veel binnen- en buitenlandse uitstapjes, onder andere naar Parijs. Anna ('Annie') Elizabeth Kennedy (Amsterdam, 6 feb. 1917), die geen geloof had, kreeg verkering met Albert Hatem. Ze waren modern en leefden samen, maar vanwege de dreigende situatie stelden zij een huwelijk uit. Het werd hen afgeraden door een Nederlandse ambtenaar. Haar Nederlandse paspoort, van 24 juni 1939 en twee jaar geldig, laat een mooie vrouw zien met een modieuze baret op haar hoofd.


Jako en Fani Hatem, Rebecca Eskenasy, Albert en Mari Hatem bij de Dodge (coll. Tico Hattem)

Overlevingstactiek
De groep Turkse joden was gewend en opgevoed om zich naar de buitenwereld niet als jood te gedragen. Dit kwam omdat zij in Turkije nooit wisten welke kant (en dat geld in beperkte mate ook vandaag nog) de regering zou gaan kiezen. Ze vormden een hechte groep die veel bij elkaar verbleef, zich beschermde en de buitenwereld weinig meedeelde. Het meeste contact was er nog met andere minderheden uit het vroegere Osmaanse Rijk, zoals Grieken (Kosta) en Armeniërs. De Turkse joden hadden zich van kinds af aan deze overlevingstactiek eigen gemaakt.

In dienst

   
Albert Hatem als artillerist --- Legerplaats bereden artillerie met muziekkapel bij Haarlem (coll. Tico Hattem)

Om genaturaliseerd te worden ging mijn vader als enige van de vriendenkring vrijwillig in het leger. Op 16 januari 1936 nam hij dienst bij het onbereden onderdeel der bereden artillerie. Mijn vader wist, getuige de dienstbrief, dat 'de behoorlijke vervulling van den militairen dienst zonder meer, nog geen aanspraak geeft om in aanmerking te worden gebracht voor de gunst van naturalisatie zonder kosten of tegen verminderd bedrag.' Maar blijkbaar vond hij het de moeite waard om te proberen. Albert bleef vijf en een halve maand onder de wapenen.

Turkse en Nederlandse papieren
Van mijn vader Albert Hatem is een aantal documenten bekend. Ze te kennen is van belang om zijn positie als in Nederland wonende Turkse jood te begrijpen.

   
Turks paspoort van 20 augustus 1934 van Albert Hatem, p.1, p.2 en p.12-13 (coll. Tico Hattem).

  1. Een Turks paspoort, afgegeven door het consulaat in Den Haag ('Lahi') op 20 augustus 1934, met een handgeschreven Nederlandse vertaling van de Turkse tekst, met de term: 'Bewijs Turksch onderdaan'. Uit de stempels blijkt dat hij op 2 juli 1928 in de hoofdstad werd ingeschreven en op 9 oktober 1934 verhuisde naar Haarlem. Ook daar kreeg hij van de Vreemdelingendienst, als eerder in Amsterdam, weer voor een half jaar verlenging van zijn verblijfsvergunning. Albert tekent met 'A. Hattem'.
  2. Een handgeschreven stuk van 25 december 1938 van de Gezantschapsecretaris van het Turkse consulaat, inhoudende dat ingevolge Besluit van den Ministerraad d.d. 07-07-1938, zijn Turkse nationaliteit is komen te vervallen.
  3. Op 27 oktober 1940 doet hij een verzoek bij de overheid; de inhoud is mij onbekend. Waarschijnlijk ging Albert de Nederlandse nationaliteit aanvragen. Hij wist toen kennelijk niet dat hij, ondanks het besluit van de Ministerraad, nog als Turks onderdaan bescherming genoot.
  4. Op 22 maart 1941 volgt een naturalisatieverzoek.
  5. Op 14 januari 1942 wordt hij aangeschreven door de Reichskommissar, waarin om zijn nationaliteit wordt gevraagd. Als reactie hierop laten hij en zijn zwager Moïs Alyon meteen op die dag hun Turkse nationaliteit controleren en bevestigen door de Wirtschaftsprüfstelle, de landelijke bedrijfscontroledienst (19 januari 1942). Zij zwijgen duidelijk over de papieren en aanvragen die op naturalisatie waren gericht.


    (coll. Tico Hattem).

  6. Een persoonsbewijs met een J en de term 'vreemdeling' afgegeven in Haarlem (27 aug. 1941). Albert is 'winkelier tapijten' en woont in de Grote Houtstraat 104-106. Een stempel van 15 september 1942 geeft aan, dat hij wordt vrijgesteld van Arbeitseinsatz. Ergens in 1942 wordt Albert op straat in Amsterdam opgepakt en in de Euterpestraat door de S.S. verhoord. Maar zijn Turkse papieren, met Haarlems adres, beschermen hem.
  7. Begin 1943 stopt deze Turkse protectie. Albert en zijn moeder komen op de twee Duitse lijsten van februari van dat jaar terecht, waarop te lezen valt dat hun Turkse papieren zijn afgenomen. Ze moeten onderduiken.
De oorlog
De eerste jaren van de oorlog genoten alle uit Turkije afkomstige joden met Turkse papieren inderdaad een uitzonderingspositie. Vanaf 1 januari 1943 werd deze positie opgeheven. De tapijtenhandel van Albert Hattem in Haarlem bleef in de beginjaren mogelijk open, want er is een verkoopvergunning van 1 maart 1941 tot 1 januari 1942. Zoals alle ondernemers die als joods bekend stonden moest Albert zijn zaak in oktober 1940 aangeven bij de Wirtschaftsprüfstelle. Deze stelde in het voorjaar van 1941 een niet-joodse bewindvoerder aan, ter 'arisering' van het bedrijf. In augustus moest het vermogen worden overgemaakt naar de Liro-roofbank. Wat kon je tegen dit onrecht doen? Zeker weet ik dat de winkelvoorraad werd verstopt. Een van de schuilplekken was de Amsterdamse Leidsekade, waar Agatha, de zus van Annie Kennedy, met haar man Chris Reumer woonde. De Dodge werd ook ontmanteld en verstopt. Na de oorlog is er overigens nog zeven jaar mee gereden.

Overlijden vader Hatem

(coll. Tico Hattem)

Jako Hatem had een Turks paspoort met als geloof 'Jodendom' (Musevi) erin geschreven. De namen van zijn ouders, Avram en Merula, en van de vrouw met wie hij was getrouwd ('Fani ile evli') konden daarvoor ook een aanwijzing zijn. Toch hadden zij, getuige de bewaarde pasfotootjes, de bedoeling om een Nederlands paspoort aan te vragen. Dit is er nooit van gekomen. Op 13 september 1942 overlijdt Jako Abraham Hatem. Hij wordt begraven op de Portugees-Israëlitische begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel; op zijn graf staat een Hebreeuws grafschrift. Mijn vader vertelde dat hij in zijn eentje achter de baar van de Snoge aan het Jonas Daniel Meijerplein naar Ouderkerk was gelopen. Uit veiligheidsoverwegingen liepen er geen vrienden of andere familieleden mee.

Onderduik
Annie Kennedy, Alberts vriendin en mijn moeder, huurden in 1942/1943 het winkelpand Beethovenstraat 62 met de achterliggende woonruimte, slaapkamers en werkplaats. In de winkel vestigde zij een damesmodezaak met eigen atelier. Een pand, opnieuw, dat twee ingangen had. In de eerste maanden van 1943, toen de bescherming door de Turkse staat wegviel, doken Albert, zijn moeder, zus en zwager, een neef en twee vrienden hier onder.


Klik op de tekening voor een vergroting (coll. Tico Hattem).

Ik kan exact een beschrijving geven van deze locatie plus de gecamoufleerde schuilkelder. Deze liep onder het hele huis en gaf ook toegang tot het buurhuis op nr. 60. Hij was ongeveer 80 cm hoog. In de kelder sliepen de onderduikers en kropen ze weg bij onraad en bij luchtalarm. Tot 1964 heeft de toegang tot deze kelder - zie ster op de tekening - zelfs nog bestaan! De onderduikers hadden een wonderbrander waarop zij kookten en die de ruimte verwarmde. Hele schuttingen verdwenen in deze brander.

Honger
Om aan eten te komen ging Anna Elizabeth Kennedy, zolang haar zwangerschap het niet onmogelijk maakte, op de fiets het land in om Perzische kleden te ruilen tegen eten. Een keer kwam ze in Haarlemmerliede en vroeg een boer om aardappelen. Hij wilde niet, maar zijn zoon zei: 'Geef die arme vrouw toch aardappelen'. Dat was Barend Biesheuvel, die in de jaren zeventig minister-president van Nederland zou worden. Op de Beethovenstraat nr. 60 zat een groenteman van wie ze telkens kleine hoeveelheden pikten. Ze kwamen bij zijn voorraad via een gat in de keldermuur, en dan naar boven.

Incident
Overdag zaten zij in de achterkamer waar het atelier was (linksboven op de tekening) en maakten zij zich nuttig door kleding in elkaar te zetten en veranderwerk te doen. Zij waren geoefend om in een oogwenk met zijn allen in de schuilkelder te verdwijnen.
Een keer ging het bijna mis. Op die dag kwamen er twee Duitse militairen in de winkel met de mededeling 'Sie haben Juden versteckt'. Er was al een klant in de winkel en Anna vroeg de militairen of ze het goed vonden dat de klant die haar vermaakwerk kwam halen even afgeholpen kon worden. Ook de klant, die helemaal geen vermaakwerk kwam halen, speelde het spel mee. Snel ging mijn moeder naar het atelier om haar vrienden te waarschuwen. Zij sloot ondertussen de tussendeur (het slot was uit voorzorg super geolied en maakte geen lawaai). De onderduikers verdwenen razendsnel in hun schuilplaats. De klant kreeg een kledingstuk en de Duitsers ondernamen verder geen zoekpoging, overtuigd door Annies koele gedrag. Wel werd zij door een van hen uitgenodigd, wat zij weigerde, zeggend dat ze al een vriend had.

Sterloos
De onderduikers waren absoluut op de hoogte van de deportaties en, in tegenstelling tot wat hun meeste landgenoten dachten, ervan doordrongen dat deze met de dood zou eindigen. Ze hadden nooit een jodenster gedragen en hadden in deze situatie afgesproken om degene die hen kwam halen zonder aarzeling aan te vallen. Ze gingen immers toch dood - zo was de redenatie. Er lag dan ook een grote vijzel klaar om mee toe te slaan. Uiteindelijk overleefden alle onderduikers en Anna Elizabeth de oorlog.

Wie waren de onderduikers?
Het waren er zeven: Albert Hatem, zijn moeder Fani Hatem-Capuano, zijn zus Mari Alyon-Hatem, haar man Moïs, neef Jacques Eskenazi, zoon van oom en tante Eskenasi-Capuano, en twee vrienden: Leon Mizrahi en Albert Yohaï.

   
(coll. Tico Hattem)

Van Leon (Istanbul-Kartal, 1 mei 1912), die officieel Juda heette, heeft de familie verschillende documenten bewaard (zie onder): een Osmaans-Turkse pas uit 1929, met Arabisch schrift, een Turks paspoort uit 1935, dat als adres Burmanstraat 20-III geeft, en een vals Belgisch persoonsbewijs (afgegeven te Norg) op de naam van Leon Offermans, met een verhuizing per 12 februari 1942 naar de Beethovenstraat 146-III. Dat was niet ver van het onderduikadres.

Geboortes
Op 16 december 1943 werd Fanny Alyon geboren. Zeven maanden later beviel Anna Elizabeth van een dochter, Mary (20 juli 1944). Haar zwager Chris Reumer, vertrouwenspersoon van de onderduikers, gaf het meisje bij de burgerlijke stand aan als 'Mary Kennedy'. Na de oorlog kon ze haar echte naam krijgen, Mary Hattem.

Na de oorlog
Albert Hattem (nu met dubbele t geschreven) en Anna Elizabeth Kennedy trouwen kort na de oorlog. Zij krijgen nog een tweede kind, Albert Jacques ('Tico'). Leon Mizrahi, Albert Yohaï en Jacques Eskenazi trouwen met niet-joodse vrouwen. De onderduikers zijn inmiddels allemaal overleden. Allen kregen kinderen.
  • Fani Hatem-Capuano overlijdt op 23 april 1947 en wordt begraven op de Portugees-Israëlitische begraafplaats in Ouderkerk a/d Amstel.
  • Mari Alyon-Hatem, die in 1946 een zoon kreeg, overlijdt op 2 december 1969, en wordt ook begraven op Ouderkerk a/d Amstel.
  • Moïs Alyon, gescheiden van Mari Hatem, overlijdt op 5 november 1974 en wordt begraven in Ouderkerk.
  • Albert Hattem overlijdt op 8 juni 1989 in Marseille en wordt op dezelfde begraafplaats bijgezet.
  • Anna Elizabeth Hattem-Kennedy overlijdt op 22 januari 1997 en wordt op de Oostelijke Begraafplaats bijgezet in het Kennedy-familiegraf.
  • Juda (Leon) Mizrahi, vader van Paxquita (1951) en Alberto Ronald (1953), overlijdt op 15 december 1969 en wordt gecremeerd in Driebergen-Westerveld.
  • Albert Yohaï overlijdt in 1980. Hij is vader van Marco (1947).
  • Jacques Eskenazi, vader van Carmen (1942), Peter (1947), Jacqueline (1950), Yvonne (1956) en Jolanda (1967), overlijdt in 1991 in Alicante en wordt aldaar begraven. De familienaam wordt Eskenasi.
Het verhaal
Wij als kinderen kregen eenmaal per jaar, op dodenherdenking, de verhalen van de onderduik te horen. De ouderen hadden besloten om het er verder nooit over te hebben. Vandaar ook dat deze geschiedenis behalve aan een handvol insiders nooit bekend is geworden.

Geïntegreerd
Aanvullend wil ik vaststellen dat deze groep Turkse joden snel in hun nieuwe vaderland geïntegreerd zijn geraakt en de taal spoedig beheersten. Zij werden kort na hun aankomst zelfstandige ondernemers en de meesten van hen gingen een gemengd huwelijk aan. Als groep bleven zij daardoor onbekend en bijna onzichtbaar. Alleen de inburgeringsinstanties wisten hen als 'tweede generatie niet-westerse allochtonen' wel te vinden. Maar ook dat is voor mensen met Turkse roots voorbij. Bovenstaande kan onbelast een getuigenis zijn van een bijzonder stukje Nederlandse geschiedenis."

7. Eduard Lichtenstein (1 april 1889). Hij woonde in 1943 op de Noorder Amstellaan 3 in Amsterdam. Meer is van hem niet bekend.

8. Lia Monachimoff-Rikofski (Jerusalem, 5 juni 1870). Zij woonde in 1943 op de Narcissenlaan 16 in Heemstede, en beschikte niet over nationaliteitspapieren.

9. Sam Behar herinnert zich een familie met de naam Maarabi.


Bronnen / Verder lezen


Zie ook Verhalen:
Haci Karacaer: "We moeten de verhalen uit ons verleden delen"



Allochtonen van nu & de oorlog van toen - Marokko, de Nederlandse Antillen, Suriname en Turkije in de Tweede Wereldoorlog
Ad van den Oord, SDU/Forum 2003, isbn 90-5409-420-6
Marokkanen vechtend in de Zeeuwse klei. Antilliaanse studenten in het Nederlands verzet. Surinaamse vrijwilligers naar de Oost, joodse vluchtelingen (niet) naar de West. Turkije als de enige brug naar Palestina…
De Tweede Wereldoorlog zette alles op z’n kop. Mensenmassa’s raakten op drift door dienstplicht, deportatie, invasie of vlucht. Dat betekende meestal een lijdensweg, maar daagde ook uit om de eigen identiteit en loyaliteit te overdenken. Hoe waren allochtone Nederlanders bij de oorlog betrokken en hoe beleven ze dat nu? Elke groep heeft z’n eigen verhaal, zo wordt duidelijk. Maar als we elkaar goed willen begrijpen, moeten we ook delen in elkaars verleden.
'Allochtonen van nu & de oorlog van toen' is een eerste stap. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft in opdracht van FORUM, Kennisinstituut voor Multiculturele Ontwikkeling, onderzoek gedaan naar de militaire, economische en politieke betrokkenheid van Marokko, Turkije, Suriname en de Nederlandse Antillen bij de Tweede Wereldoorlog. Deze uitgave zal het gezamenlijke verleden van autochtone en verschillende allochtone bevolkingsgroepen in Nederland voor het voetlicht brengen.

Het Nederlandse Rode Kruis, de heer Victor Laurentius.

Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. Dr. J. Presser, 's Gravenhage 1965, pag. 426-427.

In Dépôt. Dagboek uit Westerbork. Philip Mechanicus, Amsterdam 1964 (1989).

De heer Rob Mayer over de familie Mogroby (2005)

De heer Sam Behar, Jerusalem, over alle leden van de Turks-joodse gemeenschap (2005)

De heer Robert Y. Yohaï over de familie Yohaï (2009)

De heer Tico Hattem over de familie Hat(t)em (2012)

DutchJewry

Joods Monument

Lo Tisjkach

Oorlogsgravenstichting

Anne Frank Stichting

www.aup.nl
www.dbnl.org/tekst
www.essex.ac.uk/wyvern
www.heritageabroad.gov
www.hfcsd.org
www.interment.net
www.jewishgen.org
members.iinet.net.au
www.ogs.nl
www.tsha.utexas.edu/handbook
nl.wikipedia.org
Over Yohaï & Co Dutch Tobacco Company: Eur-Lex