Een groep mariniers uit Suriname, Antillen en Nederlands Indië

(Met dank aan Paul Koulen)
Paul Koulen, zoon van Frank Koulen, heeft van de Nederlandse mariniers uit Suriname (9), de Antillen (1) en Nederlands-Indië (1), die samen onderweg waren naar het invasiegebied van Noord-West Europa en deelnamen aan de bevrijding van Zuid-Nederland, veel informatie opgespoord. Daarvan is hieronder een artikel samengesteld. Zijn onderzoek loopt nog. Aanvullingen zijn dan ook welkom.


US Department of Labor, Immigration en Naturalisation Service, List of alien passengers ss Cottica in New York, 14-7-1944. Coll. Paul Koulen

In het derde deel van het standaardwerk 'De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog' staat bij het jaar 1944 een interessant bericht. "4 juli vertrok een transport van 3 officieren, 4 onderofficieren en 11 man van Curaçao naar New York (per s.s. Cottica) met verschillende eindbestemming (o.m. 10 west-indische mariniers voor U.K.)."(noot 1).
Tien mariniers uit Suriname en de Antillen gaan dus op 4 juli 1944 van Curaçao op weg naar Engeland. Wie zijn ze? En hoe ging hun reis?

De reis


Stoomschip Cottica (KNSM), Coll. Kustvaartforum.com

Het eerste deel van de reis wordt gemaakt aan boord van het stoomschip Cottica (1927), een schip van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij (KNSM), genoemd naar de Surinaamse Cotticarivier.

Konvooi
Zoals gebruikelijk in deze omstandigheden vaart de ss Cottica in konvooi. Duitse onderzeeërs zijn zelfs in dit stadium van de oorlog nog actief. De kapitein sluit zich aan bij een konvooi van 12 voornamelijk US-schepen die op 2 juli van Trinidad, via Aruba naar Guantanamo op Cuba vertrekken en dus in de buurt van Curaçao komen. Ook twee Amerikaanse vrachtschepen sluiten zich vanuit Curaçao aan. Vanaf Aruba voegt de US-tanker Gulf Hawk zich bij de groep. Van Guantanamo Bay vaart de Cottica op 7 juli in een nog multinationaler konvooi van 12 koopvaarders naar New York.(noot 2)

New York
De Amerikaanse Immigratie- en Naturalisatie Dienst (INS) checkt de militairen via uitgebreide formulieren op 14 juli uit. Dat levert veel informatie op. De INS telt in de tweede klasse een 'fireman' van de Koninklijke Nederlandse Marine (RNN), tien leden van het Nederlandse korps Mariniers (Neth. Marines) en één 'gunner', kanonnier, van de KNSM. Negen mariniers zijn Surinaams, een Antilliaans en een Indisch. De negen worden gerekend tot het 'Afrikaanse', de 'fireman' tot het 'Oostindische volk of ras'. Uit het formulier wordt onder meer ook duidelijk dat de mariniers zowel de Nederlandse als de Engelse taal machtig zijn.


SS Cottica, Muzieksalon 1e klasse. Coll. www.geheugenvannederland.nl

Eerste en tweede klasse
Paul Koulen, de onderzoeker die het materiaal van deze paragraaf heeft verzameld, ontdekte dat de elf gekleurde militairen allen in de 'Second Cabin' (tweede klasse) voeren. Korporaal Marinus van Niel, onderofficier, maar 'bruin van huid', met 'zwart haar' en 'zwarte ogen', mag geen eerste klasse varen, want hij is geen Nederlands maar koloniaal staatsburger. KNSM-kanonnier Ruurd Kamstra, van het Nederlandse 'volk of ras' en voorzien van 'blond haar' en 'blauwe ogen', heeft geen rang en verblijft ook in de 'second cabin'. Zijn collega Jacob Wakker, de 2e motorist van de KNSM, was wel ingedeeld bij de 'First Cabin', de eerste klasse.
Daar verbleven ook de zeven blanke officieren en onderofficieren; twee van hen zijn landmachtofficier ('R.N.A.'). In dezelfde afdeling voer de Engelse marine-commandant John A. Wall, die in Curacao met zijn vrouw Marjorie aan boord was gegaan en als commandant optrad.

Transit
Net als de twee Nederlandse luitenants Cornelis Glavimans en Adriaan van Oss, en één onderofficier van de landmacht, Cornelis de Gast, krijgen de uit de koloniën afkomstige mariniers in New York een transitvisum naar Engeland. Met welk schip of schepen zij daar op 12 augustus aankomen is niet bekend.

Engeland
In Engeland wordt Frank Koulen, en waarschijnlijk ook zijn collega-mariniers, aan boord van het Marine Depotschip 'Oranje Nassau' geplaatst en vervolgens aan boord van Hr. Ms. 'Jacob van Heemskerck'. De 'Oranje Nassau' is vanaf augustus 1941 tot 1945 in gebruik als logementschip en ligt afgemeerd bij Holyhead in het noordwesten van Wales. De Jacob van Heemskerck komt 14 juni 1944 aan in de Gladstone Docks van de werf Cammel Laird te Liverpool en blijft daar een jaar voor onderhoud. Het ligt 150 kilometer van Holyhead verwijderd. Beide schepen komen dus niet in aanmerking als het gaat om het transport van de mariniers van de VS naar Engeland, of vandaar naar Boulogne-sur-Mer.

Slag om de Scheldemond
Men mag aannemen dat de hele groep mariniers eind september-begin oktober naar Boulogne wordt getransporteerd, om deel te kunnen nemen aan de operaties die Nederland moeten bevrijden. Van een van hen, Frank Koulen, is bekend dat hij op 20 oktober officieel op het marinesteunpunt Naval Party 3004 in Terneuzen wordt geplaatst. Van hieruit neemt hij deel aan operaties die de doortocht door de Schelde naar Antwerpen veilig moet maken voor de geallieerde transporten (2 oktober-8 november 1944). De bewaking van dit gebied tot het eind van de oorlog zal ook een van hun taken zijn geweest.


Voetbalteam van mariniers in Engeland of Terneuzen (1944) Coll. www.marinematen.nl

Wie zijn ze?

1. Hedwig Emmie Deserée Dissels
(Paramaribo, 8 dec. 1921 - Amersfoort 18 febr. 2005)


Beëdiging Hedwig E.D. Dissels (links) tot Luitenant ter Zee (1-1-1971). collectie www.marinedigitaal.nl

Hedwig Dissels wordt in de Surinaamse hoofdstad geboren als zoon van Philippus William Dissels (1877) en Rosalina Jacquelina Creebsburg. Hij gaat in Paramaribo op school en haalt daar het diploma ULO, hetgeen voor koloniale staatsburgers bijzonder was. In Suriname vindt hij geen werk en daarom gaat hij naar de Nederlandse Antillen. In 1940 komt hij bij het Korps Mariniers te Curaçao in dienst. Vermoedelijk wordt hij evenals de anderen van de 'Cotticagroep' in oktober 1944 ingezet in Zeeuws-Vlaanderen.
Dissels heeft een actieve militaire carrière en wordt onder meer drie keer uitgezonden naar Curaçao. Op 18 februari 1953 trouwt hij in Amsterdam met Jantina Westerbeek.(noot 9). Het paar krijgt twee kinderen. Wanneer het fregat H.M. van Speyck in 1958 zijn vaderland aandoet, komt hij voor het eerst sinds 1940 terug in Suriname, als Sergeant der Mariniers. Dissels neemt in 1962 deel aan de vijandelijkheden voorafgaand aan de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië. In 1971 wordt hij, samen met de heer Koops, beëdigd tot Luitenant Ter Zee Vakdiensten 2e klasse (LTZVK) - zie foto.
Dissels gaat op 53-jarige leeftijd met pensioen. Dertig jaar later, op 18 februari 2005, overlijdt hij in Amersfoort. Zijn laatste jaren brengt hij door in Maarn. Hedwig Dissels ontving de onderscheiding Ridder van Oranje Nassau.

2. August Johan Kenson
(Paramaribo, 16 oktober 1923 - Terneuzen, 13 mei 2010)


Wisselen wacht Waterfort, 4e van links korp. Kenson (1948). Maritiemdigitaal.nl

August wordt op 16 oktober 1923 te Paramaribo geboren. Hij is de zoon van Theodorus Albertus Jacques Kenson (Paramaribo, 27 november 1883) en Johanna Cornelia Henar (Paramaribo, 12 augustus 1891). Ook hij is waarschijnlijk voor werk naar Curaçao gegaan en daar bij het Korps Mariniers ingeschreven. Net als de andere mariniers van de ss Cottica komt hij via de VS, Engeland en Frankrijk in oktober 1944 in Terneuzen terecht, waar hij wordt ingezet bij de Slag om de Scheldemond. In 1948 is Kenson terug op Curaçao en dient als korporaal op de kazerne Waterfort (zie foto). Mogelijk is hij ook uitgezonden naar Indonesië en dient in ieder geval in Nieuw-Guinea.
August Kenson trouwt in 1956 in Hilversum, met Geertruida ten Haken. Het echtpaar krijgt één zoon. In verband met een oorlogsverwonding treedt hij vervroegd uit dienst. Daarna wordt hij als burger aangenomen bij het Ministerie van Defensie. Vanaf 1978 woont het gezin in Goes. Als zijn echtgenote op 30 mei 1990 overlijdt, gaat August Kenson weer in Terneuzen wonen, waar hij op 13 mei 2010 overlijdt, op 87-jarige leeftijd.

3. Franklin ('Frank') Alwin Koulen
Nieuw Nickerie, 2 juli 1922 - Terneuzen, 15 september 1985


Frank Koulen (1950?). Coll. Paul Koulen

Franklin Alwin Koulen wordt geboren in de districtshoofdstad Nieuw-Nickerie, op de grens van Suriname en Engels Guyana, als zoon van Wilhelmina Koulen (1903) en Reinier Meerzorg (1899). Het paar is niet getrouwd. Als Wilhelmina Koulen in 1934 overlijdt, gaat de twaalfjarige Frank naar het Weeshuis 'Bonifaas' van de Fraters van Tilburg in Paramaribo. Juist in die tijd wordt het omgevormd tot een internaat met de naam St. Joseph.(noot 5). Daar komen zijn muzikale talenten al vroeg tot uiting. Hij speelt trompet in het huisorkest van het Weeshuis, 'De Trekkers'. Frank zal de trompet trouw blijven.


Huisorkest 'De Trekkers' van Jongensweeshuis St. Joseph, Paramaribo (rond 1935). Frank Koulen is de tweede van links. Coll. Paul Koulen

In 1940 gaat Frank Koulen naar Curaçao en werkt daar voor de Curaçaose Handelsmaatschappij en de Isla raffinaderij van Shell. Per 1 oktober wordt hij kanonnier op de als opleidingsschip gebouwde Van Kinsbergen.(noot 6). De kanonneerboot is vanaf 30 juli kort in Paramaribo geweest. Koloniale onderdanen zijn geen volwaardige staatsburgers en hebben geen dienstplicht. Ze kunnen echter wel vrijwillig dienst nemen. Hr. Ms. Van Kinsbergen is aanvankelijk betrokken bij de geallieerde opdracht in het Caribische gebied om controle te krijgen over vijandelijke schepen, Duits, Italiaans, Frans, Deens en andere. In juli-augustus 1941 gaat het schip in onderhoud op een droogdok in Liverpool. De leiding wisselt en er komen 60 mariniers van de Prinses Irene Brigade aan boord. In de eerste week van oktober is het schip in Paramaribo. Na terugkomst in Willemstad is de Van Kinsbergen vooral betrokken bij konvooi-begeleiding tussen Trinidad, Venezuela en Florida. Ook doet ze na de aanval op 19 april 1942 van de Duitse U-130 op olietanks bij Curaçao mee aan de jacht op deze duikboot - zie ook Van Niel. In de herfst van 1942 krijgt het schip in Norfolk, Virginia (USA), uitrusting voor het opsporen en bestrijden van onderzeeërs. De hoofdtaak wordt nu het meewerken aan anti-duikboot operaties en het redden van bemanningen.


Hr. Ms. Van Kinsbergen in de Annabaai bij Curacao. Bron: www.marinematen.com

Frank Koulen tekent op 1 maart 1943 een zesjarig contract bij het Korps Mariniers. Na een periode bij Nederlandse troepen in achtereenvolgens ex-landhuis Habaai, fort Waterfort en marinebasis Parera, vertrekt hij op 4 juli 1944 met een groep mariniers op de ss Cottica via New York naar Engeland. Daar zijn al enkele honderden Nederlandse mariniers uit de hele wereld verzameld, uit Curaçao, Aruba, Suriname, Engeland en de varende marine.(noot 7). Frank Koulen komt op 12 augustus 1944 in Engeland aan.
In Engeland wordt Frank Koulen bevorderd tot marinier 2e klasse. Hij is kort bemanningslid van het depotschip Oranje Nassau (in Holyhead Noord-Wales) en van de Hr. Ms. Jacob van Heemskerck, welk schip tot het eind van de oorlog in Liverpool in reparatie blijft. In september-oktober 1944 landt hij met zijn eenheid in Boulogne-sur-Mer, Frankrijk. Men stuurt hen naar de 'Slag om de Scheldemond' (2 oktober-8 november 1944). Op 10 oktober wordt hij officieel onder bevel van de Commandant der Zeemacht in Nederland gesteld. In Terneuzen is een gerechtsgebouw, kort daarvoor nog Ortskommandantur, tot marinesteunpunt omgevormd, onder de naam Naval Party 3004. Daar wordt hij per 20 oktober gestationeerd. Frank blijft in Terneuzen. Hij zal aanwezig zijn geweest bij het bezoek van koningin Wilhelmina op 14 maart 1945. Het is haar tweede dag in bevrijd Nederland.


Koningin Wilhelmina inspecteert de wacht in Terneuzen (14-3-1945). Coll. www.marinematen.com

Een half jaar later, op 1 oktober 1945 wordt Frank marinier 1e klasse. Hij is vanaf januari 1946 tot september 1946 in Tilburg waar hij, aanvankelijk tijdelijk, wordt bevorderd naar de rang van korporaal, en dient daarna in Amsterdam, Bergen op Zoom en Volkel. Op 11 januari 1947 trouwt hij in Terneuzen met Vera van den Bruele (1921). Het echtpaar krijgt zeven kinderen.
Op 28 augustus 1947, na een driedaags verblijf in Tilburg, gaat Koulen aan boord van de 'Kota Inten', een vrachtvaarder die tijdens de oorlog was omgebouwd tot troepentransportschip. Tegen zijn wil wordt hij uitgezonden naar Indonesië. Hij wordt er geplaatst bij de 'Mariniersbrigade'. Dit was een afzonderlijk onderdeel binnen het Korps Mariniers dat in 1944 specifiek was opgericht om Nederlands Indië van de Japanse bezetting te bevrijden. Zo'n 90 Surinaamse en Antilliaanse Mariniers werden in 1944 als vrijwilliger gerekruteerd en voor hun training naar kamp Lejeune in North Carolina (VS) gestuurd. Ze worden direct vanuit de VS naar Australië gezonden en vandaar naar Nederlands Indië. Engeland en Australië zouden de inzet van de Mariniersbrigade in Indonesië vertragen, omdat ze ervan overtuigd waren dat dit tot complicaties zou leiden, gezien het uitroepen van de onafhankelijkheid door Soekarno op 17 augustus 1945.


Mariniersbrigade in Nederlands Indie (1947-1950). Cirkel rond B.J. Jansen. www.verouden.pijnackerweb.nl

Frank Koulen was een fervente anti-kolonialist en weigerde in Indonesië te vechten. In plaats van vechten, werkte hij in een kantine van de mariniers, wat zijn latere horeca-carrière in Nederland van pas zou komen. Zijn tijdelijke benoeming tot sergeant, per 1 september 1948, wordt later niet verlengd, zelfs ingetrokken, vanwege zijn weigering om in Indonesië aan gevechten deel te nemen. Koulen was ervan overtuigd, zoals meerdere Surinaamse militairen, dat Soekarno en Indonesië het volste recht hadden om het zelfbeschikkingsrecht op te eisen. Dit was in de beginselverklaringen van de Verenigde Naties vastgelegd en was volgens hem ook toegezegd door Koningin Wilhelmina, in haar radiorede van 7 december 1942 over het Atlantic Charter. Zij belooft daarin dat de naoorlogse inrichting van het Koninkrijk op basis van gelijkheid zal worden gedaan. In mei 1949 gaat Frank Koulen met troepenschip 'De Groote Beer' terug naar Nederland. Hij komt er op 7 juni aan.


Amsterdam, 24-10-1949. Ontscheping Groote Beer. Foto: Fokke de Haan (ANP), www.nuentoen.nl

Franklin Alwin Koulen dient volgens zijn staat van dienst nog in Rotterdam, bij het Depot Marine, en op de Hr Ms 'Veere' hoewel deze mijnenveger pas in 1956 gebouwd zal worden. Misschien wordt marinevliegkamp 'Veere' bij Vlissingen bedoeld. Op de 'Veere' wordt hij bevorderd tot korporaal, onder intrekking van zijn rang als sergeant. Op 3 november 1949 ontvangt hij het Oorlogsherinneringskruis met de gesp voor bijzondere krijgsverrichtingen, Krijg te land 1940-1945.
Op 1 juli 1950 wordt Frank op verzoek eervol uit de dienst ontslagen. Zeven jaar en vier maanden na zijn in diensttreding. Frank vestigt zich na zijn afscheid van de marine in Terneuzen.


Frank Koulen in 1975. Coll. Paul Koulen

Zijn vrouw en hij werken in de wol- en kousenhandel van de familie in de Noordstraat. In 1957 opent Frank aan de andere kant van de straat echter een lunchroom, 'Porgy & Bess'. Al gauw groeit deze uit tot een muziek- en jazzclub, die Streetparades organiseert en het jaarlijkse Schelde Jazz-festival. Groten als Chet Baker en Art Blakey treden er op. In 1981, na een afwezigheid van 41 jaar, gaat Frank samen met zijn dochter op vakantie naar Suriname. Hij bezoekt op die reis ook Barbados en Grenada, waar een zoon dan werkzaam is. Op 15 september 1985 overlijdt Frank, na een korte ziekte. De jazzclub wordt door de enthousiaste bezoekers voortgezet (zie www.porgyenbess.eu).

4. André Walter Kroes
(Paramaribo, 30 sept. 1920 - Goirle, 11 nov. 2009)

André Kroes is een zoon van John Karel Hendrik Kroes en Viola Desiré Mathilde Dompig. In de jaren dertig van de vorige eeuw komt hij op Curaçao bij de Shell-raffinaderij werken. Daarna maakt hij de overstap naar het Korps Mariniers. Samen met zijn collega's belandt hij in oktober 1944 in Terneuzen. André wordt overgeplaatst naar Tilburg. Daar ontmoet hij zijn toekomstige vrouw, de tien jaar jongere Maria van Bladel (1930).
Ook Kroes wordt onder protest uitgezonden naar Indonesië en zal daar twee jaar en negen maanden verblijven. Tijdens zijn verblijf in Indonesië huwt hij op 29 maart 1949 Maria van Bladel 'met de handschoen'. Frank Koulen is getuige van dit huwelijk op afstand. Na terugkeer in Nederland wordt in Tilburg het kerkelijk huwelijk ingezegend. Frank Koulen, ook terug uit Indonesië, is opnieuw getuige. Evenals Koulen heeft ook Kroes veel moeite gehad met zijn gedwongen inzet in Indonesië en vrij snel na terugkeer in Nederland verlaat hij het Korps Mariniers. Hij neemt zijn oude beroep als metaalbewerker op en specialiseert zich als fijnmetaalbewerker. Kroes heeft het geweldige voorrecht dat hij begin jaren zeventig op vakantie gaat naar Suriname en na 35 jaar scheiding zijn ouders weer ontmoet.
Hij blijft altijd in Tilburg wonen en werken. Het paar krijgt drie kinderen. André Kroes overlijdt op 11 november 2009 te Goirle op 89-jarige leeftijd.

5. Frans Henri ('Boy') Meeng
(Linggapura, Ned. Indië, 7 dec. 1917-San Mateo, Cal. USA, 10 mei 1962)

Frans wordt geboren in Linggapura op midden-Java, in het toenmalige Nederlands Indië. Zijn vader is de Indische Nederlander Henri Meeng, geboren in Tangjung Pinang (14 november 1898). Deze havenstad ligt ver van Java, op de Riouw-eilanden, onder Singapore. Linggapura hoort bij het district Brebes (midden-Java). Henri sr. werkt in de jaren veertig op een suikerfabriek in dit district, te Bandjaratma. De naam van zijn moeder is Roepiati. Zij wordt op 25 januari 1896 te Dongbang geboren. Een stad met die naam ligt in Thailand, maar er kan ook sprake zijn van een verschrijving. Roepiati overlijdt op 2 november 1960 in Zwolle. Haar man is al eerder gestorven, in 1951 te Jakarta.
Van 'Boy' Meeng is bekend dat hij vijf jaar naar de Technische School gaat, vermoedelijk in midden-Java. In 1941 wordt het ook in Nederlands-Indië oorlog. Als het Japanse leger op 7 december 1941 de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaï) vernietigt, en tegelijkertijd in Thailand en Malakka landt, verklaart Nederland een dag later de oorlog aan Japan en kondigt het een algemene mobilisatie aan. Op 1 januari 1942 moet Frans naar Surabaya. Hij komt er als dienstplichtig ('milicien') stoker 3e klasse in dienst bij de Nederlandse Marine. Vermoedelijk wordt hij op het Marine-etablissement geplaatst. Na de voor de geallieerden rampzalige slag in de Java Zee (27 februari) hoort hij bij de technici die uit Java geëvacueerd worden. Er is geen tijd te verliezen. Op 2 maart vertrekt hij met het m.s. Sloterdijk uit de nog vrije haven Tjilatjap. Goed twee weken later wordt, ondanks zware Japanse aanvallen op de vluchtende Nederlandse schepen, Melbourne in Australië bereikt. Van daaruit reist Frans via Kaapstad naar New York aan boord van de passagiersreus Queen Elizabeth die door de Engelsen tot troepenschip is omgebouwd. Tijdens deze overtocht wordt hij ingedeeld bij het afweergeschut. Op 19 mei komt het schip in New York aan. Hij reist vervolgens naar New Orleans. Meeng komt nu terecht op een 'Higgins'-onderzeebootjager (H-7) die op 26 augustus samen met vier collega-jagers in Curaçao is. Daar wordt hij op de marinebasis Parera gestationeerd. Hij werkt er als stoker en later stoker-olieman bij de Dienst Torpedo-motorboten.


De H-7 en H-8 in New Orleans voor vertrek naar Curaçao. Bron: www.maritiemdigitaal.nl

Als Frans Meeng op 4 juli 1944 in Willemstad scheep gaat voor de reis naar Engeland en het Europese oorlogsgebied is hij 'stoker' ofwel machinist ('fireman') 1ste klasse bij de Koninklijke Marine. Hij wordt direct na aankomst in Engeland door het Marine-hoofdkwartier in Londen aan boord van de vroegere mijnenlegger Hr. Ms. Medusa geplaatst. Het schip doet dan dienst als hulpwachtschip van het Depotschip Hr. Ms. Stuyvesant in de kleine haven Holyhead (Wales). Daar blijft hij vermoedelijk tot eind augustus 1945. Op 2 september wordt Frans de volgende oorlog ingestuurd, die tegen de Indonesische onafhankelijkheid. Hij gaat met mijnenlegger Hr. Ms. Willem van der Zaan vanuit Rotterdam naar Nederlands-Indië. Begin april 1946 wordt hij aan boord van de kruiser Hr. Ms. Jacob van Heemskerck geplaatst en goed twee maanden later van Hr. Ms. Jan van Brakel. Dit is het moederschip van de mijnendienst. Zijn demobilisatie is op 1 maart 1948 in Nederlands Indië (Batavia). Voor zijn rol tijdens de tweede wereldoorlog ontvangt Frans op 12 juli 1947, het Oorlogsherinneringskruis met de gesp voor 'Krijg ter Zee 1940-1944'.
In 1949 is Frans Meeng nog in Surabaya, want hij trouwt er op 9 maart met de 22-jarige Maud Joosten (Surabaya, 11 jan. 1927). Het echtpaar gaat kort daarna naar Nederland en woont enige tijd in Drunen en Amstelveen.
Na afloop van zijn diensttijd gaat Meeng bij de technische dienst van de KLM werken. Op 14 januari 1962 emigreert het echtpaar naar San Mateo, een voorstad van San Francisco, Verenigde Staten. Vier maanden later, op 44-jarige leeftijd, overlijdt Frans Meeng. Hij laat geen kinderen na. Maud Meeng-Joosten keert na zijn dood terug naar Nederland en vestigt zich in Den Haag.

6. Wulferd Harry van Meerveld
(Paramaribo, 26 dec. 1919 - Barneveld, 21 nov. 2003)

Wulferd wordt geboren als zoon van Antoinette Dolstra (1896-1967) en Otto van Meerveld (1889-1933). Ook hij komt via New York, Engeland en Frankrijk in oktober 1944 in Zeeuws-Vlaanderen terecht, waar hij deelneemt aan de Slag om de Scheldemond.
Na de bevrijding trouwt hij op 11 oktober 1945 te Terneuzen met Wilhelmina Jansen uit Axel. Het huwelijk wordt in 1948 weer ontbonden. In 1956 trouwt hij te Leiden met Catharina Nieuwenhuisen (1920). Zij komt in 1991 te overlijden. Er zijn uit beide huwelijken geen kinderen. Van de carrière van Wulferd van Meerveld is weinig bekend. Hij overlijdt op 21 november 2003 in Barneveld.

7. Christiaan ('Chris') Rijnhard Menig
(Plantage Topibo, Boven Para, 6 jan. 1917 - Middelburg, 28 april 2009)

Chris wordt geboren op de plantage Topibo, huisnummer 5, als zoon van Lucretia Bertholina Menig (18 nov. 1890). De plantage ligt bij de bovenloop van de Para-kreek, ong. 35 km zuidelijk van Paramaribo. Volgens de volkstelling uit 1921 is Lucretia het tweede kind in een gezin met nog twee dochters en drie zonen. Haar ouders zijn Markus Hendrik Menig (plantage Overtoom, 1856) en Anna Klaartje Napoleon (plantage de Drie Gebroeders, 1865). Christiaan komt niet op de lijsten voor.(noot 8).
Als hij leerplichtig is, gaat Chris bij een tante in Paramaribo wonen zodat hij naar school kan gaan, hetgeen op Topibo niet mogelijk is. Zoals zoveel werkzoekenden uit Suriname gaat hij waarschijnlijk in de jaren dertig van de vorige eeuw naar Curaçao. Chris wordt beveiliger bij de raffinaderij van Shell. Daarna tekent hij als vrijwilliger voor het Korps Mariniers.
Net als de andere opvarenden van de 'Cottica' komt Chris Menig via de VS, Engeland en Boulogne-sur-Mer in oktober 1944 in Terneuzen terecht. Hij neemt deel aan de Slag om de Scheldemond. Op 13 maart 1946 trouwt Chris met de dan 21-jarige Pieternella ('Nelly') Schalk uit Terneuzen. Het paar krijgt vijf kinderen. Chris Menig wordt gedwongen ingezet bij de politionele acties in Indonesië en heeft het daar een heel leven moeilijk mee gehad. Hij is wel tot aan zijn pensionering, in de rang van sergeant-majoor, marinier gebleven. Chris overlijdt op 28 april 2009 op 92-jarige leeftijd in Middelburg. Nelly sterft op 6 augustus 2010.

8. Marinus van Niel
(Peperpot, 21 juni 1910 - Rotterdam, 29 maart 1991)

Marinus wordt geboren in Peperpot als zoon van Friderich Charles André van Niel en Bok Midem. De plantage Peperpot, zuidelijk van Meerzorg en schuin tegenover Paramaribo, behoort tot de oudste plantages van het land. Friderich van Niel, in 1903 opzichter van de Cultuurtuin in Paramaribo, en buitengewoon agent van politie in de nabijgelegen wijk Wolffenbuttel, is er dan veldopzichter.(noot 3) Vader had dus een leidinggevende positie.
In 1937 is Marinus al in Nederland waar hij kennis zal hebben gemaakt met zijn toekomstige Rotterdamse bruid. Vanaf september 1939 verblijft hij op Curaçao. Daar is Van Niel in augustus 1940 als Marinier 1e klasse verbonden aan het waldetachement mariniers, dat de kustbatterij bedient. Twee maanden eerder trouwt hij, waarschijnlijk 'met de handschoen' of per volmacht. Zijn vrouw is de elf jaar jongere Johanna Maria Zaanen (1921) uit Rotterdam. Het echtpaar krijgt twee dochters en een zoon.


De Bullenbaai met installaties van de Curacao Oil Terminal. Bron: www.curacao-encyclopedie.com

In de vroege ochtend van 19 april 1942 neemt een Duitse onderzeeboot, de U-130 onder bevel van de Kapitein Luitenant-ter-Zee Ernst Kals, de opslagtanks van de raffinaderij bij Bullenbaai onder vuur. Van Niel, als 31-jarige commandant van de kanonniers bij de baai, wacht geen instructies af en beantwoordt onmiddellijk het vuur. Dit doet Kals besluiten de wateren rond Curaçao snel te verlaten. De beschieting van de U-130 veroorzaakt geen ernstige schade aan de opslagtanks of brand, hetgeen tot een ramp had kunnen leiden, en Van Niel wordt onmiddellijk gepromoveerd tot Korporaal der Mariniers. De promotie zou na een incident zijn teruggedraaid. Als korporaal nog gaat hij, als aanvoerder van zeven Surinaamse en een Antilliaanse marinier, op 4 juli 1944 aan boord van de ss Cottica. Hoewel hij onderofficier is, reist hij met hen samen tweede klasse. Treffend voor de mentaliteit is de bijnaam die Marinus van Niel indertijd vanwege zijn donkere huidskleur bij blanke officieren zou hebben gehad: 'Sneeuwwitje'.(noot 4)
Evenals andere mariniers van de Cottica landt van Niel in september-oktober 1944 bij Boulogne-sur-Mer, Frankrijk, en wordt hij in Zeeuws Vlaanderen ingezet bij de Slag om de Scheldemond. Na de oorlog is hij verbonden aan de Marinierskazernes te Bergen op Zoom, Rotterdam, Uden, Katwijk en Doorn. Marinus blijft marinier tot het bereiken van zijn pensioen. Hij overlijdt te Rotterdam op 29 maart 1991.

9. Humphrey Michael Ferdinand Renar (Paramaribo ca. 1923 - 22 jan. 2008)
Humphrey Renar wordt omstreeks 1923 in Paramaribo geboren. Hij is hoogstwaarschijnlijk op Curaao bij het Korps Mariniers gekomen en vervolgens met de andere Surinaamse mariniers van de ss Cottica via de VS, Engeland en Frankrijk in Terneuzen beland. Hij is daar vermoedelijk getrouwd met Elisabeth Maria Johanna de Fouw (1920), afkomstig uit Terneuzen. Ook moet hij enige tijd in Amsterdam gewoond hebben. Humphrey Renar overlijdt op 22 januari 2008 in Paramaribo.

10. George Albert Donald Wijngaarde (Paramaribo, 27 febr. 1923 - Vlaardingen, 2005)


Huwelijksfoto George Wijngaarde en Pieternella van Boven (1945). Coll. Mariniersmuseum (marinedigitaal.nl)

George wordt geboren in de hoofdstad van Suriname als zoon van Betsy Pauline Wijngaarde. Evenals zijn collega-mariniers van de ss Cottica komt hij in september-oktober 1944 aan land in Boulogne-sur-Mer en wordt vanuit Terneuzen betrokken bij de gevechten om de Scheldemond. In december 1945 treedt hij in Terneuzen in het huwelijk met Pieternella van Boven (1926). Zij krijgen twee zonen en twee dochters.


George Wijngaarde (l) richt de afdeling op de marinierskazerne in Bergen op Zoom (1945) Coll. Mariniersmuseum (marinedigitaal.nl)

Wijngaarde blijft in Nederland en werkt als korporaal onder meer op de marinierskazerne van Bergen op Zoom (1945, zie foto). Hij wordt ingezet bij de politionele acties in Indonesië. Zijn Nederlandse paspoort krijgt hij op 3 mei 1947 in Surabaya, als korporaal. In de periode 1958-1962 neemt hij deel aan de strijd om Nieuw Guinea. George Wijngaarde blijft tot aan zijn pensionering bij het korps.


Adjudant der Mariniers George Wijngaarde op bureau Oostplein in Rotterdam (1970). Coll. Marinemuseum marinedigitaal.nl

Wijngaarde wordt uiteindelijk adjudant. Hij overlijdt in 2005 te Vlaardingen.

11. Cornelis Macarius [Cornelio Macario] de Windt (Willemstad, 1926)
Als enige Antilliaan en de jongste van de Cottica-mariniersgroep reist Cornelio met zijn collega's via New York, Engeland en Boulogne-sur-Mer naar Terneuzen. Van zijn latere carrière is weinig bekend. Hij is mogelijk teruggekeerd naar Curaçao en zou daar dienst hebben genomen bij de politie. Hij is waarschijnlijk dezelfde persoon als de Cornelio Macario de Windt, die genoemd wordt in het boek van Liesbeth van der Horst, Oorlog in de West (Verloren, 2004, p. 64).

N.B. Hennij Adolf Arlaud (17 februari 1919- 30 augustus 2000)
Deze Luitenant ter Zee der Mariniers komt voor op een foto uit 1970, samen met vier andere personen van Surinaamse of Antilliaanse afkomst die in de Koninklijke Marine hebben gediend. Twee van hen waren op de ss Cottica, H.E.D. Dissels en G.A.D. Wijngaarde.
Hennij Arlaud is een zoon van Nicolaas Jean Arlaud (Boven Commewijne, 15 dec 1871) en Catharina Leentje Doornkamp (Boven Commewijne, 19 nov 1881).(noot 10). N.J. Arlaud was in 1910 eigenaar van de plantage Hazard aan de bovenloop van de rivier de Commewijne. Zuidelijk ervan ligt momenteel nationaal park Copi. De familie Doornkamp woonde in de slaventijd, 19e eeuw, op deze plantage. Hennij was getrouwd met Johanna Beatrice Rozenblad (Paramaribo, 1920). Arlaud overlijdt in Voorschoten in 2000.


V.l.n.r. luitenant ter zee der 2e klasse Hennij Adolf Arlaud, een burger, luitenant ter zee 2e klasse Hedwig E.D. Dissels, een burger, adjudant der mariniers George A.D. Wijngaarde. Collectie www.marinedigitaal.nl

Noten
1. De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, deel III: De strijd in de Caraïbische wateren, hfdst.7, p.20. Den Haag, Bureau Maritieme Historie, 1955 (afgekort: Marinemonografie Curaçao en Suriname)
2. Zie http://www.convoyweb.org
3. Zie De Almanak voor Suriname 1904, 1915 en 1916 op www.dbnl.org en 'Onze West' (22 aug. 1903) in: Nieuwsblad Uit en Voor Suriname, 62.41.28.253/cgi-bin/imageserver/imageserver.pl
4. C.J. van Asbeck, destijds de 'Oudst Aanwezend Zeeofficier' te Curaçao, suggereert dit voor de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 (1956)
5. http://sges.heritagesuriname.org
6. www.go2war2.nl; www.netherlandsnavy.nl
7. http://www.prinsesirenebrigade.nl/engelandvaarders.htm
8. http://www.pinasroots.nl/plantages/plantage topibo - bewoners 1921.html 9. Was er op 22 mei 1950 een eerder huwelijk, met Mavis Irene Kross? www.kross.biz/page4.php
10. Adresboek Suriname 1910 zie www.dbnl.org; over Doornkamp zie www.docstoc.com

Zeevarenden Nederlandse Koopvaardij genoemd op de plaquette van het oorlogsmonument te Paramaribo


KNSM-monument te Amsterdam (foto: www.geocities.com)

Op het KNSM-monument in Amsterdam, KNSM-laan 311, bij de entree naar de Kompaszaal, staan 247 namen. Van de 29 Surinaamse namen die de plaquette in Paramaribo noemt, staan er 25 ook op dit monument.

De Nederlandse regering had al in de jaren dertig bij wet geregeld dat in geval van oorlog de Nederlandse scheepsruimte opgeëist kon worden. De Shipping, een regeringscommissie in Londen, hield toezicht op de reis en lading. Zo pendelde Gerbrand Broeder als lid van de merchant navy jarenlang tussen Groot-Brittannië en Afrika; munitie op de heenweg en palmolie op de terugweg. In totaal hadden de geallieerden 600 zeeschepen en 200 kustvaarders, varend onder Nederlandse vlag, tot hun beschikking. Ruim 18.000 bemanningsleden bevolkten deze schepen. Van hen hadden 12.000 de Nederlandse nationaliteit.


Omgekomen Surinaamse zeevarenden Nederlandse Koopvaardij - klik op de foto om te vergroten (foto: Volkert Laurens Laan).

De verliezen waren groot. Bijna de helft van de schepen ging verloren en ruim 3.000 opvarenden lieten het leven.' (De Volkskrant, Bart Jungmann, 3 mei 2006).
K.W.L. Bezemer, auteur van een standaardwerk over de koopvaardij in WOII, schrijft dat 387 Nederlandse schepen verloren gingen, waarbij ongeveer 2.100 bemanningsleden omkwamen. Het aandeel van de Nederlandse koopvaardij bij de bevoorrading van Engeland en de verschillende fronten was zee belangrijk (Geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog, Agon 1990 - zie www.dynamicdeezign.be/forum).

Hieronder volgen de namen van de 30 zeelieden die op het monument in Paramaribo staan, met aanvullende informatie. A. Alie, C.E.L. Boldewijn, J.A. Olff en W.A. Vrieze worden niet op het KNSM-monument vermeld. Ook is Max Chateau opgenomen, opvarende van de ss Hobbema, maar niet vermeld op de twee genoemde monumenten.

A.J.H. van Aksel (oorlogsmonument Paramaribo: Askel, KNSM-monument Aksel)

ss Simon Bolivar (Bron: wrecksite.eu)
Alfred Johan Hendrik van Aksel (Paramaribo, 26-10-1903) was matroos op de ss Simon Bolivar (1927, KNSM). Hij stierf op 18 november 1939 aan boord van dit passagiersschip, of verdronk in Het Kanaal. De luxe oceaanstomer, met 400 mensen aan boord, van wie 129 bemanningsleden, was op weg van Amsterdam naar Paramaribo.
Het schip, dat een veilige route volgde, liep ter hoogte van Harwich op twee zeemijnen. Engeland was sinds 1 september in oorlog met Duitsland en de mijnen waren door de Duitsers in de monding van de Theems gelegd. Door de explosies, tien minuten na elkaar, kwamen veel mensen direct om het leven, ook kapitein H. Voorspuiy. Daarnaast raakten reddingsboten en sos-apparatuur onklaar. Korte tijd na de explosies zonk het schip. 84 mensen stierven, of zelfs 102 (volgens wrecksite.eu). Onder hen waren 24 kinderen. Van de bemanning kwamen minstens 22 personen om, onder wie Alfred van Aksel (36). H.M. Mecidi was het tweede Surinaamse slachtoffer (zie onder). De ramp maakte grote indruk in het neutrale vaderland.
Bronnen:
www.kroonvaarders.nl/bolivar/simon-bolivar.htm
www.wrecksite.eu/wreck.aspx?1865
www.ogs.nl (van Aksel)

A. Alie (niet op KNSM-monument)

ss Van Riebeeck (Bron: www.maritiemdigitaal.nl)
Van de heer A. Alie is weinig bekend. Hij was een van de 12 of 13 bemanningsleden van het koopvaardijschip Van Riebeeck dat op 8 januari 1942 onverhoeds door een Japanse onderzeeër werd aangevallen. Zijn rang was 2de mandoer, opzichter. Het ss Van Riebeeck (Koninklijke Pakket Maatschappij, KPM, 1902) was op weg van Pasuruan, bij Surabaya, naar Singapore. Het schip voor langs de zuidkust van Java.
Ten zuidwesten van Ciacap (Tjilatjap) werd het schip met geschutsvuur aangevallen door de I-56 (Ohashi), en tot zinken gebracht. Het gebeurde op 8 januari 's avonds. Er zijn geen overlevenden bekend. Nederland had Japan op 8 december van het jaar ervoor de oorlog verklaard. De eerste grote aanval op Nederlands-Indië zou op 10 januari plaatsvinden, te land, op Tarakan in Celebes. De actie tegen de Van Riebeeck, en 's morgens in dezelfde omgeving al op het ss Van Rees, ging daaraan vooraf. Van de tien opvarenden die op de site van de Oorlogsgravenstichting vermeld staan, is alleen bij de heer Alie de geboorteplaats bekend: Suriname.
Bronnen:
scheepvaartnieuws.blogspot.nl/2013_01_08_archive.html
www.combinedfleet.com/I-156.htm
www.ogs.nl
beeldbank.amsterdam.nl/beeldbank/weergave/record/?id=010179000009

W.H. Beeldstroo (oorlogsmonument Paramaribo: Beelds)

ss Telamon (Bron: www.wrecksite.eu)
Wilfred Hugo Beeldstroo (Paramaribo, 20-8-1922) was bediende op het vrachtschip Telamon. Het ss Telamon (KNSM, 1928) was op 24 juli 1942 onder kapitein C.G. Niemann en 36 andere bemanningsleden op weg van Brits Guyana naar Trinidad.
Rond het midden van de af te leggen reis werd het schip aangevallen door de Duitse onderzeeër U-160. Het werd om kwart voor twee 's morgens vooraan, stuurboord, getroffen door een torpedo. Binnen drie minuten brak de Telamon in tweeën en zonk. Een deel van de bemanning, 14 personen, kon zich op vlotten in veiligheid brengen en werd later door een Brits vrachtschip gered. De andere 23 opvarenden, de kapitein inbegrepen, verdronken. Bij hen was Wilfred Beeldstroo, de jongste van de bemanning (19). Onder de andere verdronken bemanningsleden bevonden zich nog zes Surinamers: H.H. van Exel, E.G. Muller, Naarendorp, A.C.A. Parisius, R.C. Rolador en A.G. Woiski. Humphrey van Exel en Reinier Rolador waren nog geen twintig. Zie meer over hen hieronder.
Bronnen:
www.uboat.net/allies/merchants/crews/ship1961.html
www.ogs.nl
www.wrecksite.eu/wreck.aspx?59138

M.P. Bijnaar

s.s. Amazone (Bron: www.arendnet.nl)
Marius Petrus Bijnaar (vermoedelijk Paramaribo, 25-5-1906) was matroos op het ss Amazone. Het KNSM-schip (1922) onder kapitein J.P. Giltay was eind april 1942 met een lading van voornamelijk koffie en olie van Curaçao onderweg gegaan naar New York. Er waren 25 personeelsleden aan boord, onder wie één bewapende marinier. De reis ging via Haïti (29 april) naar Key West.
Op 6 mei 1942, 9.35 uur, langs de kust van Florida ter hoogte van St. Lucie, werd het schip aan bakboordzijde getroffen door een torpedo. De aanval kwam van een Duitse onderzeeër, de U-333. De Amazone zonk binnen twee minuten. 11 mensen werden opgepikt door de Amerikaanse onderzeebootjager PC-484 en naar Miami gebracht. De 14 anderen, onder wie Marius Bijnaar, verdronken. Nog twee andere slachtoffers kwamen uit Suriname: Eduard Moore en Edwin Stelk (zie onder). Zes overledenen kwamen uit Curaçao, drie uit Bonaire. Daarnaast kwamen een matroos uit Venezuela en een marinier uit Nederland (Dordrecht) om het leven; de marinier Jan Kip. Voor de negen Antilliaanse slachtoffers zie onder de Antillen.

C.E.L. Boldewijn (niet op KNSM-monument, evenmin op uboat.net of op ogs.nl)

Max Chateau (niet op monumenten Paramaribo en KNSM)

ss Hobbema (Bron: www.uboat.net)
Max Chateau (Paramaribo, 27-12-1913) was 4de machinist aan boord van het ss Hobbema. Dit van oorsprong Amerikaanse schip (1918) was in mei 1942 door het Britse Oorlogstransport aan de Nederlandse regering geschonken en kreeg toen zijn schildersnaam. met een bemanning van 44 leden vervoerde het onder kapitein Arie van Duijn eind oktober begin november 1942 zevenduizend ton algemene vracht en munitie van Newport News (Virginia) via New York naar Belfast. De Hobbema voer in konvooi (SC-107).
Even na middernacht, op 4 november, deed de Duitse duikboot U-132 een aanval op het konvooi, dat ruim 600 km onder Groenland voer. Hierbij werden drie schepen geraakt: de Hobbema, de Empire Lynx en de Hatimura. Een torpedo trof de Hobbema in de machinekamer. De motor viel stil, het licht ging uit en het schip begon te zinken. 16 bemanningsleden lukte het op reddingsboten en -vlotten van het schip te komen. Zij werden later opgepikt door de Amerikaanse sleepboten Uncas en Pessacus en overleefden.
De kapitein en 27 andere opvarenden gingen met het schip onder. Onder hen was Max Chateau (28). Een ander Surinaams bemanningslid dat een zeemansgraf kreeg was Hugo Kerster (zie onder). Ook acht Engelsen en één Canadees waren onder de doden.
Een neef van Max was Eddy Herman Chateau (zie militairen).
Bronnen:
www.uboat.net/allies/merchants/crews/person/63112.html
www.ogs.nl

R.C. Colader - zie Rolador

J.D. Cruden

ss Poseidon (Bron: www.geni.com)
Julian Désiré Cruden (Distr. Coronie, 2-11-1913) was bediende ('waiter') op het koopvaardijschip Poseidon. De KNSM-bemanningslijst noemt hem 'klerk'. Evenals de ongeveer 30 andere bemanningsleden verdronk hij, na een Duitse torpedotreffer, in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 28 mei 1942 (28 jaar). Over het schip en de aanval is het volgende bekend.
Dit KNSM-schip, 2000 ton, bouwjaar 1921, voer eind mei 1942 onder de van oorsprong Terschellingse kapitein Willem Klijn (1893) met een lading ballast van Trinidad naar New York. In de ochtend van 28 mei waren ze ruim 250 km noordelijk van Barbados. Bootsman Arend Bakker (ook van Terschelling) werkte al sinds 1929 op de Poseidon. Er waren naast deze twee nog 15 Nederlandse burgers aan boord, de meesten in de hogere rangen: stuurlui, machinisten, marconist of hofmeester. Er was bovendien een kanonnier van de Marine bij, de jonge Cornelis Langerhorst uit Baarn. De Poseidon had geen escorte. Het schip telde daarnaast 11 Nederlandse 'onderdanen'. Ze waren afkomstig uit Suriname (5), Bonaire (3) en Cura çao (3). De Surinamers werkten in verschillende functies, de Bonairianen hoofdzakelijk als matroos en de Curaçaoenaren leverden de kok.
Op de bemanningslijst van de Kroonvaarders-site staan nog drie matrozen. C.B. Rafael is bekend van een ander schip, het ss San Nicolas. C. Millan kwam uit Curaçao of Bonaire. A. Basden was een Britse onderdaan, uit Bermuda. De laatste twee namen ontbreken in de andere bronnen. Met deze drie erbij komt de bemanning van het ss Poseidon uit op maximaal 31 personen. De door mij (ed.) geraadpleegde bronnen gaan uit van 32. Ik kan maar 28 bemanningsleden vinden.
Op 28 mei 1942 rond 5 uur 's morgens werd het schip aangevallen door de Duitse onderzeeër U-155 onder bevel van Adolf Cornelius Piening (1910), maar de torpedo's misten. Om half zes ondernam de Leutnant-Kapitän een tweede aanval. De kanonnier kon niets uitrichten. De Poseidon werd bij de mast geraakt. Kort hierop explodeerde de ketel en begon het schip bij de achtersteven te zinken. Alle bemanningsleden kwamen om het leven. Andere Surinaamse slachtoffers waren C.L. Emnes, J.P. Flu, E.M. Klooster en L.C. Smiet (zie onder). Voor de zes slachtoffers uit Bonaire en Curaçao zie het hoofdstuk Antillen.
Bronnen:
www.kroonvaarders.nl/oorlog/poseidon.html (bemanningslijst KNSM)
www.uboat.net/allies/merchants/crews/ship1714.html (bemanningslijst 2)
www.ogs.nl (slachtoffersite Oorlogsgravenstichting) www.4en5mei.nl/herinneren/oorlogsmonumenten/monumenten_zoeken/oorlogsmonument/1510 (namen KNSM-monument)
Jan Rozenburg, Herdenking Curaçao 70 jaar in oorlog, Amigoe (18-2-2012) www.amigoe.com (namen van 150 Antilliaanse slachtoffers)
Johan van der Wal. 'We vieren het pas als iedereen terug is': Terschelling in de Tweede Wereldoorlog (2007). Bijlage 1. dissertations.ub.rug.nl

M. Elmont

ss Triton (Bron: www.maritiemdigitaal.nl)
De kapitein volgde tijdens zijn route de instructies van de Britse Marine-autoriteiten. Toen op 1 juni in het oosten een lichtkogel werd waargenomen, onmiddellijk gevolgd door kanonvuur, wijzigde hij de koers 180 graden om de vermoedelijke onderzeeër te ontwijken. Maar op 2 juni om 2.55 uur werd de Triton aangevallen door de Duitse onderzeeboot U-558. Deze had vanaf de vorige avond gewacht tot het donkerste uur, omdat er op de achtersteven boordgeschut was gezien. Het vol getroffen schip vloog in brand. De kapitein probeerde alsnog op volle snelheid te ontsnappen en riep per radio hulp in. Het boordgeschut vuurde intussen terug, maar werd snel uitgeschakeld. De Duitsers wisten door de storing ook het radioverkeer onmogelijk te maken. In deze situatie besloot de kapitein alle verzet te staken en beval de opvarenden om de Triton in de drie overgebleven reddingsboten te verlaten. Vier bemanningsleden, onder wie de kanonnier, werden vermist en waren vermoedelijk door brand of kogels omgekomen. Kapitein Krech van de U-558 liet het vuren nu hervatten en rond 4 uur verdween de Triton brandend in de golven. Het gebeurde op 470 km ten zuidwesten van de Bermuda's.
Hierna naderde de onderzeeër de reddingsboten. Kapitein van Dijk en de aanspreekbare bemanningsleden werden ondervraagd, aanvankelijk in het Engels. Toen bleek dat Van Dijk ook Duits sprak werd het contact beter. Van Dijk vroeg hulp voor de gewonden. Toen bleek dat het boordgeschut niet in zijn opdracht op de U-558 had geschoten, verleenden de Duitsers inderdaad hulp. Ze zochten mee naar overlevenden. Het lijk van 1ste machinist J.P.J. Lensorf werd gevonden, bij een vernield vlot. Ook gaven ze aanwijzingen om aan land te komen, in Puerto Rico. Tijdens de tocht daarheen stierf de 2de machinist J. de Graaf - hij kreeg een zeemansgraf. Na drie dagen, op 5 juni, werden de overlevende bemanningsleden en de kapitein opgepikt door het Amerikaanse koopvaardijschip Mormack Port. Het bracht hen naar New York waar ze op 9 juni aankwamen. De gewonden werden naar het Marine Hospital op Staten Island vervoerd.
Het dodental kwam uit op 6. Allen Nederlanders of onderdaan, behalve de Portugese matroos J. da Silva. Voor hen allen geldt als sterfdatum 2 juni. Max Elmont was het enige Surinaamse slachtoffer (19 jaar).
Bronnen
www.uboat.net/allies/merchants/crews/ship1714.html
www.kroonvaarders.nl/oorlog/triton.htm
www.ogs.nl


C.L. Emnes
Cornelius Leonard Emnes (Distr. Beneden Para, 28-3-1916) was stoker op het ss Poseidon (KNSM). De KNSM-bemanningslijst noemt hem matroos, 'able seaman' zegt de uboat-lijst. Evenals de ongeveer 30 andere bemanningsleden verdronk hij, na een Duitse torpedotreffer, in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 28 mei 1942 (26 jaar).
Zie bij J.D. Cruden voor meer bijzonderheden.

H.H. van Exel (Exzel op KNSM-monument)
Humphrey Hartwich van Exel (Paramaribo, 28-3-1916) was dekjongen aan boord van het stoomschip Telamon (KNSM) toen dit op 24 juli 1942 op weg naar Trinidad werd getroffen door een Duitse torpedo. Hij hoort bij de 17 verdronken bemanningsleden van wie de namen bekend zijn. Humphrey was de jongste (18 jaar).
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.

J.P. Flu
Johan Philip Flu (Paramaribo, 7-5-1912) was stoker op het ss Poseidon (KNSM). Evenals de ongeveer 30 andere bemanningsleden verdronk hij, na een Duitse torpedotreffer, in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 28 mei 1942 (30 jaar).
Zie boven bij J.D. Cruden voor meer bijzonderheden.
In het Nederlandse verzet speelden de medici P.C. Flu en zijn zoon Henri Flu een belangrijke rol (zie onder).

H.H.W. Gesser

ss Bodegraven (foto: www.dynamicdeezign.be)
Harry Hugo Walther Gesser (Paramaribo, 31-1-1898) was olieman op het ss Bodegraven (KNSM). Op dit schip vluchtte op 16 mei 1940 kunsthandelaar Jacques Goudstikker uit IJmuiden naar Engeland, met bestemming Zuid-Amerika; hij stierf op het schip door een val in het ruim. In juli 1944 ging het schip onder kapitein B.A. Molenaar vanuit Beira (Mozambique) via Durban in Zuid-Afrika naar Engeland. Het vervoerde onder andere voedsel en koper. Op 2 juli om 1.30 uur, 200 mijl ten zuiden van Monrovia (Liberia) werd de Bodegraven door een torpedo van de Duitse onderzeeboot U-547 bij de machinekamer geraakt. Het schip begon na 12 minuten te zinken. De 63 bemanningsleden en de 48 passagiers wisten zich in de drie onbeschadigde reddingsboten te zetten. De Duitsers ondervroegen hen en namen de kapitein mee als gijzelaar. Eén reddingsboot kwam terecht bij Grand Bassa in Liberia, de inzittenden van de andere twee werden door marinevaartuigen opgepikt. In Freetown (Sierra Leone) werden de 102 overlevende geteld. Men miste 6 passagiers en 3 bemanningsleden. De 4de machinist (NL), de brandweerman (Brits) en de olieman Harry Gesser, hadden op het moment van de aanval benedendeks dienst gedaan. De datum van hun overlijden is vastgesteld op 2 juni 1944. De passagiers waren op een Britse na, Zuid-Afrikanen.
Bronnen:
www.uboat.net/allies/merchants/crews/ship3278.html
www.ogs.nl
nl.wikipedia.org
www.wivonet.nl/knsmwarp1.htm

H.W.M. Kerster
Hugo Willem Marinus Kerster (Beneden Commewijne, 8-12-1912) was 'tremmer', kolensjouwer en hulpstoker, op het ss Hobbema. Met een bemanning van 44 leden vervoerde het onder kapitein Arie van Duijn eind oktober begin november 1942 zevenduizend ton algemene vracht en munitie van Newport News (Virginia) via New York naar Belfast. Even na middernacht, op 4 november, deed de Duitse duikboot U-132 een aanval op het konvooi, dat ruim 600 km onder Groenland voer. Hierbij werd ook de Hobbema geraakt. Hugo Kerster (29) was een van de 28 vermisten.
Zie bij Max Chateau voor meer bijzonderheden.

E.M. Klooster
Eduard Marius Klooster (Paramaribo, 2-10-1894) was olieman, 'greaser', op het ss Poseidon (KNSM). Evenals de ongeveer 30 andere bemanningsleden verdronk hij, na een Duitse torpedotreffer, in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 28 mei 1942 (47 jaar).
Zie bij J.D. Cruden voor meer bijzonderheden.

J.E. Markiet

ss Ceres (foto: www.dynamicdeezign.be)
John E. Markiet was 'messroom'-bediende aan boord van het stoomschip Ceres van de KNSM dat op 4 maart 1943 in konvooi uit New York vertrok naar Curaçao. Op 2½ dag van de bestemming maakte men uit seinen van een ander schip in het konvooi op dat een aanval dreigde. Die vond inderdaad op 13 maart plaats. Stuurhuis, kaartenkamer en radioseinhut werden getroffen en de Ceres begon te zinken. Bemanning en passagiers gingen in reddingsboten en op vlotten. Daarbij kwam een aantal personen in het water. Van hen werden John Markiet, evenals een collega, niet meer gevonden. De overigen werden door een oorlogsschip opgepikt en op dezelfde dag nog op Curaçao afgezet. De site van uboat.net kent alleen de naam van de kapitein, H.C. Elderenbosch.
Bron:
www.kroonvaarders.com/oorlog/ceres.htm

A.J. Mecidi
Anton Johan Mecidi (Paramaribo, 19-10-1903) was volgens oude gegevens olieman op een koopvaardijschip. Dit blijkt de oceaanstomer ss Simon Bolivar te zijn geweest. Hij was stoker en een van de 129 bemanningsleden. Het schip liep op 18 november 1939 op twee Duitse zeemijnen, in de monding van de Theems. De explosies veroorzaakten enorme schade en het schip zonk. Ook Anton Mecidi (36), onder in het schip, overleefde het niet. Zijn naam staat niet bij de 21 opvarenden die de site van de Oorlogsgravenstichting noemt. In totaal kwamen 84 of 105 mensen om het leven.
Zie bij A.J.H. van Aksel voor meer bijzonderheden.
Bron:
www.ogs.nl


E.E. Moore
Eduard Eugene Moore (Paramaribo, 21-3-1920) was bediende op het ss Amazone. Het KNSM-schip (1922) was eind april 1942 van Curaçao onderweg naar New York. Op 6 mei 1942, werd het schip aan bakboordzijde getroffen door een torpedo. De aanval kwam van een Duitse onderzeeër, de U-333. De Amazone zonk binnen twee minuten. Eduard (22) verdronk, evenals 13 andere bemanningsleden.
Zie bij M.P. Bijnaar voor meer bijzonderheden.

E.G. Muller
Erik Gordon Muller (Paramaribo, 19-10-1913) was klerk aan boord van het ss Telamon (KNSM), toen dit op 24 juli 1942 op weg naar Trinidad werd getroffen door een Duitse torpedo. Hij hoort bij de 17 verdronken bemanningsleden van wie de namen bekend zijn. Hij werd 28 jaar.
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.

A.W.I. Naarendorp (oorlogsmonument Paramaribo: Naardendorp
Anton William Isidor Naarendorp (Distr. Cottica, 20-6-1910) was 'tremmer' ofwel kolensjouwer en hulpstoker, aan boord van het ss Telamon (KNSM), toen dit op 24 juli 1942 op weg naar Trinidad werd getroffen door een Duitse torpedo. Hij hoort bij de 17 verdronken bemanningsleden van wie de namen bekend zijn. Anton werd 32 jaar.
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.

J.A. Olff (niet op KNSM-monument, evenmin op uboat.net en ogs.nl)

R.R. Oostburg

Graf van R.R. Oostburg (foto: www.ogs.nl)
Reinhard Richard Oostburg (Paramaribo, 2 oktober 1912) was stoker op een koopvaardijschip. Hij kwam op 2 april 1942 in of nabij Durban, Zuid-Afrika, om het leven. Zijn lichaam werd aldaar begraven; zijn graf ligt op het Stellawood Cemetery.
Bron:
www.ogs.nl


A.C.A. Parisius

ss Telamon (foto: www.dynamicdeezign.be)
Alexander Charles Ascanus Parisius (Paramaribo, 30 januari 1897) was stoker aan boord van het ss Telamon (KNSM). Hij vond een zeemansgraf op 24 juli 1942 (45 jaar). Het koopvaardijschip werd toen ten oosten van Trinidad getorpedeerd door een Duitse onderzeeër, de U-160. 23 opvarenden kwamen om het leven, onder hen Alexander Parisius.
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.
Een mogelijk familielid, Lodewijk Rudolf Arthur Parisius (1911-1963), was tijdens de oorlog jazz-musicus in Amsterdam (zie paragraaf jazz-musici).

W.M. Pools (niet op de sites van uboat.net en ogs.nl)

R.C. Rolador (oorlogsmonument Paramaribo: Colader, KNSM-monument: Rolader)
Reinier Cornelis Rolador (Paramaribo, 30-11-1922) was matroos aan boord van het stoomschip Telamon (KNSM) toen dit op 24 juli 1942 op weg naar Trinidad werd getroffen door een Duitse torpedo. Hij hoort bij de 17 verdronken bemanningsleden van wie de namen bekend zijn. Reinier hoorde bij de jongsten (19).
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.

F.F. de Rooy


ss Beemsterdijk (foto: www.arendnet.nl)
Frederik Ferdinand de Rooy (Paramaribo, 20-12-1906) was stoker op het ss Beemsterdijk. Deze was op 26 januari 1941 op weg van Greenock naar Cardiff in het kanaal van Bristol. De Beemsterdijk werd door een geallieerde mijn ernstig beschadigd. De bemanning ging de reddingsboten in, maar omdat het schip bleef drijven ging men weer aan boord. De dag erna, op 27 januari, ging het schip plotseling hellen. Het zonk snel. 39 opvarenden verdronken, onder hen Frederik van Rooy (34).
Bronnen:
www.ogs.nl
www.arendnet.com
www.rijswijk.nl

H.A. Slagtand

ss Medea (Bron: www.wrecksite.eu)
Harris Archibald Slagtand (Paramaribo, 4-3-1917) was stoker op het ss Medea (KNSM, 1917). Het schip, 28 bemanningsleden en geladen met onder meer 220 kisten dynamiet, was op 24 juli 1942 vertrokken uit New York en via Key West op weg naar Venezuela en Curaçao. Het voer in konvooi, WAT-13.
De vroege ochtend van 13 augustus (5.07 uur) viel een Duitse duikboot het konvooi aan. Men was ter hoogte van Guantanamo (Cuba). Eerst vuurde de U-658 twee salvo's van twee torpedo's af, daarna één torpedo vanuit de achtersteven. Drie uur later, 8.05 uur, viel de duikboot opnieuw aan. De Duitse kapitein dacht twee schepen te hebben geraakt, maar alleen de Media was getroffen, al direct om 5 uur. De torpedo kwam binnen aan bakboord en veroorzaakte een grote brand. De machines vielen uit en het stoomschip zonk binnen 5 minuten.
Het Amerikaanse escorteschip pikte 24 mannen op en bracht hen naar Guantanamo. Van de vijf doden zijn er vier bij naam bekend: twee matrozen en een stoker uit Curaçao (zie Antillen) en Harris Slagtand uit Paramaribo (25). Een van de vijf stierf in Guantanamo, de anderen staan te boek als vermist.
Bronnen:
www.uboat.net/allies/merchants/crews/person/62997.html
www.ogs.nl

L.E. Smiet (KNSM-monument L.C.)

Leonard Eduard Smiet (Paramaribo, 3-8-1918) was bediende, 'waiter', op het ss Poseidon (KNSM). Evenals de ongeveer 30 andere bemanningsleden verdronk hij, na een Duitse torpedotreffer, in de Atlantische Oceaan bij Barbados, op 18 mei 1942 (23 jaar).
Zie bij J.D. Cruden voor meer informatie.

E.A.J. Stelk

Edwin Arthur James Stelk (Paramaribo, 24-11-1912) was stoker op het ss Amazone. Het KNSM-schip (1922) was eind april 1942 van Curaçao onderweg naar New York. Op 6 mei 1942 werd het schip aan bakboordzijde getroffen door een torpedo. De aanval kwam van een Duitse onderzeeër, de U-333. De Amazone zonk binnen twee minuten. Edwin (29) verdronk, evenals 13 andere bemanningsleden.
Zie bij M.P. Bijnaar voor meer bijzonderheden.

W.A. Vrieze (niet op het KNSM-monument)

J.D.L. Wikkeling (oorlogsmonument Paramaribo: J.L.D.

ss Tjileboet (foto: www.dynamicdeezign.be)
Johan Ludwig Daniel Wikkeling (Paramaribo, 10 december 1920) was stoker aan boord van het ss Tjileboet, van de Koninklijke Java-China Paketvaart Lijnen (KJCPL). Dit koopvaardijschip, in geallieerd konvooi varend (ON-145) van Belfast naar Bahia (Brazilië) werd op 29 november 1942 midden op de Atlantische Oceaan, 600 mijl van Sierra Leone, door de Duitse onderzeeër U-161 getorpedeerd (0.37 uur).
De aanval was de dag ervoor om 9.00 uur begonnen en eerst afgeslagen. Kapitein J.W. Kroese was met artillerievuur op de duikboot afgevaren en had deze gedwongen onder te duiken. Er waren liefst 6 kanonniers aan boord. Maar de daadwerkelijke ontsnapping, in zware regenbuien, buiten het konvoor en traceerbaar door de sos-signalen, mislukte even na middernacht. De twee torpedo's van de U-161 lieten de Tjileboet exploderen. De brokstukken vielen een kilometer rond het schip.
De hele bemanning, 62 personen, verdween met het schip in zee. Er waren negen Britten en een Australiër aan boord; ze waren allen, op een oudere matroos en Wikkeling (21) na, tussen de 16 en 18 jaar oud. Wikkeling was de enige Surinamer.
Bronnen:
www.ogs.nl; e-mail van 15 juni 2006
www.wivonet.nl/war%20kjcpl.htm
www.uboat.net/allies/merchants/2478.html


A.G. Woiski (monumenten Paramaribo en KNSM: Woisky)
Adalbert Gustav Woiski (Paramaribo, 7-9-1908) was stoker aan boord van het stoomschip Telamon (KNSM), toen dit op 24 juli 1942 op weg naar Trinidad werd getroffen door een Duitse torpedo. Hij hoort bij de 17 verdronken bemanningsleden van wie de namen bekend zijn. Adalbert was 33 jaar.
Zie bij W. Beeldstroo voor meer bijzonderheden.
Adalbert Woiski was een oudere broer van Max Woiski sr. (1911-1981), die tijdens de oorlog jazz-musicus in Amsterdam was (zie paragraaf jazz-musici). Het gezin van Franz Woiski en Albertina Woiski-Wenner Gerdeman telde acht kinderen. Naast Adalbert en Max waren dat Daisy, Hélène, Alkma, René, Ewald en Franzje.

© 2023 Bevrijding Intercultureel