Nederlands Indië onder Japanse bezetting


Kaart: stuwww.uvt.nl

De capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 maakte een einde aan wat de Tweede Wereldoorlog wordt genoemd. Deze capitulatie werd in Nederland pas in 1970 officieel herdacht, eenmalig. De aandacht was tot dan toe sterk op de gebeurtenissen in het eigen land gericht geweest. Er was alleen in 1950 een urn met Indische aarde bijgezet in het monument op de Dam. Vanaf 1980 wordt de 15-augustus herdenking elk jaar gehouden en sinds 1988 is er een eigen monument voor de Nederlandse slachtoffers van de wereldoorlog in Azië, het Indische monument in Den Haag. Het geld ervoor werd door de slachtoffers zelf bijeengebracht. Ook op andere plaatsen, zoals Arnhem-Bronbeek, Roermond, Amstelveen en Den Helder kwamen monumenten en/of herdenkingen. Tenslotte werd in 1999 de datum van 15 augustus als een historische dag erkend: het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het laatst gestichte monument (Bronbeek, 17 augustus 2004) herdenkt de duizenden slachtoffers van de Japanse gevangenentransporten over zee.

Bezetting
De Japanse capitulatie maakte ook een einde aan de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië. Na de aanval van Japan op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaï) en de daarop volgende Amerikaanse oorlogsverklaring (8 december 1941) breidde de Japanse oorlogsvoering zich van China uit naar de Aziatische gebieden van Engelsen, Amerikanen, Nederlanders en hun bondgenoten. Delen van het Indonesische eilandenrijk werden al in januari en februari 1942 aangevallen. Op 27 februari vond de slag in de Javazee plaats: onder leiding van de Nederlandse admiraal Karel Doorman streden de geallieerden een wanhopige strijd tegen de veel beter uitgeruste en voorbereide Japanners (zie ook Suriname, KNIL). Op 1 maart 1942 begon de verovering van Java, op 8 maart capituleerde het koloniaal gezag.

De bezetting van Nederlands Indië (door ongeveer 300.000 Japanse en Koreaanse militairen en ambtenaren) werd door een deel van de inheemse bevolking toegejuicht. Het nationalistische deel van de elite werkte samen met Japan: het zou onafhankelijkheid van het Nederlandse juk brengen. Inderdaad werd de basis voor een onafhankelijk land en leger (‘Peta’) gelegd. Anderen wantrouwden de motieven en de methodes van de Japanse bezetting en waren minder enthousiast. Vooral Molukkers, Manadonezen (Sulawesi) en Timorezen pleegden actief verzet (zie verhaal Litamahaputty).


Een talisman die door familie, vrienden en kennissen aan een Japanse soldaat werd meegegeven. Het staat vol met de namen, al dan niet voorzien van wensen en aanmoedigingen, van deze mensen. De grote tekst aan de rechterkant van de vlag luidt: "Ter ere van de heer Tirasaki Hiroharu" en daarnaast "Houdt moed". Hem toegewenst door Narita Kinjuro, die wellicht de initiatiefnemer was. De kans is zeer groot dat Tirasaki Hiroharu een kampbewaker is geweest omdat de vlag door een ex-gevangene is meegenomen naar Nederland - www.museumverbindingsdienst.nl/leven3.html

Onderdrukking
Het grootste deel van de 70 miljoen inwoners, ‘het volk’, ‘rakyat’, was ongeletterd, onderging de bezetting en leed er in toenemende mate onder. Bijna alle mannen werden op een of andere manier te werk gesteld, vaak als ‘dwangarbeider’, ‘romusha’, of als hulpsoldaat, ‘heiho’. Honderdduizenden werden daarbij naar andere delen van de Archipel, naar Nieuw Guinea, Birma, Siam, de Filippijnen of Japan gedeporteerd. Veel vrouwen werden gedwongen als prostitué, ‘troostmeisje’ (‘yugun ianfu’) dienst te doen voor de Japanse militairen. Boeren moesten verplicht rijst leveren. De militaire politie, ‘kempetai’, voerde her en der een schrikbewind. De economische situatie werd toenemend slechter. Vanaf 1945 ontstond nijpend gebrek aan voedsel en textiel.

Indonesische troostmeisjes
Ruim 20.000 Indonesische, Indo-Europese en ook Nederlandse vrouwen werden tijdens de bezetting van Nederlands-Indië gedwongen tot seksuele dienstverlening aan Japanse militairen. Na de oorlog moesten hun verhalen te lang verborgen blijven. Uit schaamte, vanwege de seksuele beladenheid. Of uit eerbied, in het geval van Indonesische vrouwen, omdat Japan het land hielp bevrijden en onafhankelijkheidsstrijders de Japanse wreedheden niet onder ogen wilden zien. Fotograaf Jan Banning (maakte eerder ‘Sporen van oorlog: overlevenden van de Birma- en de Pakanbaroe-spoorweg’) en journaliste Hilde Janssen startten daarom in 2008 het project ‘Troostmeisjes in Indonesië’, een serie portretten, in foto’s en tekst, van de voormalige dwangprostituees. In Indonesië worden twintig vrouwen intensief geïnterviewd (oral history) en gefotografeerd. De portretten komen samen in een boek en een reizende tentoonstelling (bron: www.v-fonds.nl/pagina_202.html).


Wainem (foto: Jan Banning, tekst: Hilde Janssen)

Wainem, 1925, Mojogedang - Midden-Java, werd weggehaald van huis en tot prostitutie gedwongen, eerst een jaar in Solo en vervolgens in Yogyakarta. Ze moest overdag in een loods met andere vrouwen matten vlechten en eten koken. Ze werden soms ter plekke verkracht, maar meestal door soldaten meegenomen naar hun kamer op het kazerneterrein. "Een Indonesische dokter onderzocht elke week of we zwanger waren, terwijl een Japanner toekeek. Ik ben toen nooit in verwachting geraakt." Na de oorlog liep ze samen met een groep vrouwen zo'n honderd kilometer naar huis. "Onze mensen hebben de Japanners verjaagd met bamboesperen. Ze pikten alles in: onze rijst, ons geld, ons goud. Als 's avonds het luchtalarm ging en wij ons verstopten, gingen de Japanners onze huizen in en haalden ze leeg." Ze wil liever niet meer herinnerd worden aan wat er in die loods gebeurde. "Dat is al zolang geleden. Mijn zoon, die toen nog niet geboren was, heeft nu al kleinkinderen." (bron: http://nos.nl/artikel/152957-niet-mijn-bedoeling-deze-troostmeisjes-als-zielepoten-te-fotograferen.html)

Internering

De 300.000 Nederlanders en andere Europeanen in de kolonie, blanken (‘totoks’) en kleurlingen (‘Indo’s’), zagen de Japanse overheersing in meerderheid als vergelijkbaar met wat de Duitsers in Nederland hadden gedaan. Enkelingen zagen echter dat het koloniale bewind op zijn einde liep of sympathiseerden met het Indonesische streven naar onafhankelijkheid.

Zoals Duitsers in Suriname en de Nederlandse Antillen – vaak anti-nazi’s en joodse vluchtelingen – vanaf mei 1940 in interneringscentra werden opgesloten (zie daar), en zoals Japanse burgers in de Verenigde Staten vanaf 9 december 1941 werden geïnterneerd, zo verging het ook een deel van de hoogopgeleide Europese bovenlaag in de westerse kolonies van Azië. Hun lot was echter beduidend slechter. Ongeveer 16.800 van de 100.000 geïnterneerden haalden het eind van de Japanse bezetting niet, ofwel een zesde van de kampbevolking (zie ook artikel Liesker en Slors).

In vergelijking met de bezette Engelse en Franse koloniën werd in Nederlands-Indië het grootste aantal burgers geïnterneerd: ongeveer 100.000. Van hen waren 35.000 jonger dan zeventien. Er waren aparte vrouwenkampen, waar ook de jongere kinderen bleven; daarnaast waren er jongenskampen.

Subkampen voor religieuzen op Borneo

Minder bekend is misschien dat er ook subkampen met religieuzen waren, zoals bijvoorbeeld in het kamp Blitar op Oost-Java en in het kamp Kuching in het Maleisische deel (Serawak) van Borneo. Hier kwamen religieuzen uit West-Borneo terecht. Hoe begon de oorlog hier?

De Broeders van Huijbergen

West-Borneo in 1941
In december 1941 krijgt de Westerafdeling van Borneo een nieuwe resident: A.S.L. Spoor. Deze heeft vooral met twee moeilijke zaken te maken. Ten eerste: voortdurende conflicten met de militairen en de bestuursambtenaren.


De eerste broeders vertrekken met stoomschip Patria naar Nederlands Indië (1921) Vooraan zit mgr. Bos met naast hem vijf Zusters van Veghel. Achter hem staan (met hoed en onder de pijltjes) de broeders Leo Geers, Maternus Brouwers, Canisius van de Ven, Longinus van Spreeuwel en Serafinus van Tilborg (Bron: Huijbergen en de uiteinden der aarde)

Ten tweede is er een conflict met de missie, die vanaf het eind van de 19de eeuw onder moeilijke omstandigheden goed werk op medisch en onderwijsgebied tot stand heeft gebracht. Dit gebeurt vanaf 1919 in opdracht van paus Benedictus XV, die schrijft dat men zich niet langer tot kerstening mag beperken maar dat missieposten, behalve een inheemse kerkgemeenschap, ook scholen en een hospitaaltje moeten omvatten. Veel bestuursambtenaren zien dit echter als een staat in een staat en proberen haar macht te breken.

Oorlog onwaarschijnlijk
Bij zijn inauguratie krijgt Spoor van de plaatselijke legercommandant Ter Poorten te horen dat hij zich in een rustig gewest bevindt en het zeer onwaarschijnlijk is dat Pontianak (Kalimantan) in het gebied der oorlogshandelingen komt te liggen. Men voelt zich veilig met zo'n 50 brigades, waarvan het grootste deel naar het 'geheime' vliegveld van Singkawang II in het noorden (bij de grens met Brits Borneo) is gezonden en waar een grote voorraad bommen, vliegtuigbenzine en levensmiddelen ligt opgeslagen.
De aanval van de Japanners op Java begint op 1 maart 1942. Andere eilanden, zoals Borneo, worden al veel eerder aangevallen, sommige regio's vlak na het bombardement van 8 december 1941 op Pearl Harbour.

Pontianak gebombardeerd
Het eerste luchtalarm in Pontianak vindt op 11 december 1941 plaats; iets dat men voor onmogelijk heeft gehouden. Op 19 december neemt bisschop Van Valenberg afscheid van de vertegenwoordigers van de missie die hij, in verband met het uitbreken van de oorlog, bij elkaar had geroepen. Zij keren naar hun standplaatsen terug.

Uit het in steno geschreven dagboek van broeder Bernulfus Bosman van de Broeders van Huijbergen:
“19 december 1941. De oorlog begint hier (Pontianak) verwoestend. Terwijl we over de galerij van de school lopen, horen we vliegtuigen. Er is geen luchtalarm. Een bombardement op de Chinese wijken volgt. De Hollands-Chinese school krijgt een voltreffer: de lagere klassen liggen in puin (de kinderen waren al naar huis gestuurd) en onder de oudere leerlingen zijn 15 doden te betreuren. In de stad zijn honderden slachtoffers en grote branden. Alle broeders werken dag en nacht om hulp te bieden. Pontianak wordt een dode stad."
Dr. A. Heilbrunn, een Duits-joodse arts, die als hoofd van het missieziekenhuis is aangesteld, maakt een schatting van ongeveer 150 doden, opgenomen gewonden 180, lichtgewonden 50 tot 75, in het ziekenhuis overleden ongeveer 50.
Broeder Emmanuel Compiet die in Singkawang als onderwijzer werkzaam is, schrijft dat het nieuws zich razendsnel heeft verspreid en nagenoeg alle ouders van de interne leerlingen hun jongens weghalen. Op een tiental jongens na is het internaat nu vrijwel leeg. De broeder reist naar Pontianak om poolshoogte te nemen en treft daar totaal uitgeputte mede-broeders aan.

Kuching en Pemangkat
Op 23 en 24 december landen de Japanners bij Kuching in Serawak en komt de dreiging snel dichterbij. Ook op 23 december wordt het vliegveld gebombardeerd. En op 25 december wordt Kuching door de Japanners bezet.
In de nacht van 26 op 27 januari komt het bericht dat Japanse schepen zijn gesignaleerd langs de kust bij Pemangkat. Er zijn vernielingsploegen ingesteld om ervoor te zorgen dat er geen bruikbare zaken in handen van de Japanners kunnen vallen. Von Uslar (zie ook verder bij de Zusters van Etten) is commandant van de vernielingsploeg. De voorraden rijst worden onder de bevolking uitgedeeld en Von Uslar begint met de vernieling van de rubberfabrieken, auto's en de bier- en benzinevoorraad. Dit is waarschijnlijk de werkelijke reden waarom hij later door de Japanners zal worden geëxecuteerd.
Alle Europeanen, waaronder broeder Juvenalis van de missiepost in Sambas, en Von Uslar, worden gevangen genomen.

Pontianak
Broeder Compiet noteert in Singkawang dat de assistent-resident het voorstel doet om als Roode Kruis-vertegenwoordiging de Japanners tegemoet te treden en zo als groep te worden benaderd, hopende op die manier een betere behandeling te krijgen. De groep bestaat uit nonnen, broeders, enkele burgers en twee bestuursambtenaren met rodekruisbanden. Zij worden gevangen genomen, maar de nonnen en een broeder worden naar hun missiepost teruggestuurd. Later worden bij de groep nog de gevangenen uit Pemangkat en Sambas gevoegd.
"Op 27 januari 1942 bezetten de Japanners Singkawang (ongeveer 100 km ten noorden van Pontianak). Twee dagen later is Pontianak aan de beurt. De broeders krijgen huisarrest en prikkeldraad vlak langs het huis. We kunnen niet eens in de tuin komen. Steeds staat er een man of vijf op wacht. Het broederhuis in Pontianak wordt steeds voller, omdat alle gevangengenomen ambtenaren in het binnenland hier worden afgeleverd. Na een paar maanden zijn er meer dan 100 bewoners in een broederhuis dat vroeger al te klein was voor 15 man.”

Kuching (toenmalig Engels Borneo, Serawak)


Kamp Kuching (Bron: Huijbergen en de uiteinden der aarde)

In juli 1942 worden de broeders uit Singkawang en Pontianak (Kalimantan) ondergebracht in een interneringskamp bij Kuching (ruim 200 km ten noordoosten van Singkawang). Het kamp heeft bijna 3000 inwoners, waarvan de helft in de loop der jaren overlijdt. Het kamp bestaat uit 10 onderafdelingen waaronder een afdeling van zo’n 100 religieuzen (waaronder ook missionarissen). De zusters zijn, niet apart, in de vrouwenafdeling ondergebracht. De kampbewoners moeten hard werken: ze moeten het vliegveld uitbreiden en wegen aanleggen, terwijl ze steeds minder te eten krijgen. Vooral in 1945 sterven veel gevangenen aan uitputting, dysenterie en hongeroedeem.


Boven: Tekening van Kamp Kuching door broeder Cornelis. Op de tekening staat geschreven: "23 Huijbergse broeders. Verbinding tussen twee barakken. Hier stonden we met 106 religieuzen in de rij om ons bordje te laten vullen". Onder: Kamp Kuching met zwaaiende mannen vlak voor de bevrijding  (Bron: Huijbergen en de uiteinden der aarde)

Op 25 maart 1945 komt een eerste teken van hoop: tijdens de mis komen hoog in de lucht twee blinkende Amerikaanse bommenwerpers overvliegen. Iedereen duikt de loopgraven in maar de bommenwerpers werpen pamfletten uit. Het kampleven in Kuching duurt echter nog bijna een half jaar. Op 11 september 1945 worden de overlevenden bevrijd. Daarna kunnen de overlevenden een paar maanden aansterken op het eiland Labuan voor de kust van Brunei. De broeders bivakkeren op het strand, 10 meter van de zee. Degenen die het meest hebben geleden, liggen in een veldhospitaal om aan te sterken.
Al in december 1945 kan de Handelsschool in Pontianak weer starten (dankzij de hulp van veel oud-leerlingen) en in januari begint het lager onderwijs weer.

Het verhaal van Broeder Angelus van der Zanden over zijn oorlogservaringen in de gevangenis in Kediri, het mannenkamp Tjimahi en het kamp Blitar (Java) is elders op deze website opgenomen.

1 dode, 1 ernstig gewonde
Uiteindelijk zal nog in 1946 broeder Claudius Sommen vanwege de geleden ontberingen in het kamp aan dysenterie overlijden. Broeder Ireneus van de Avoird heeft het de rest van zijn leven erg moeilijk gehad met de mensonterende behandeling die hij steeds kreeg omdat hij het altijd voor zijn medebroeders in het kamp opnam.


Indonesisch paspoort van broeder Petrus (Emmanuel) Compiet, 1951
(Bron: Huijbergen en de uiteinden der aarde)

Na 15 augustus 1945
Na de bevrijding van de Japanse bezetting stevent het koloniale Nederlands-Indië op zijn ondergang af. De onafhankelijkheidsstrijd wordt vooral op Java uitgevochten. De Broeders van Huijbergen op zuidelijk Borneo merken er vrijwel niets van. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 krijgen ze te maken met nieuwe verhoudingen. De voertaal wordt Bahasa Indonesia en er komen andere schoolboeken. Tenslotte moeten ze in december 1951 kiezen of ze de Indonesische nationaliteit willen hebben. Degenen die Nederlands staatsburger blijven, zullen na 1960 formeel geen les meer mogen geven. De bisschop van Pontianak, mgr. Van Valenberg, adviseert alle religieuzen om ‘zich aan te passen aan het volk’, maar laat iedereen vrij in zijn beslissing. Uiteindelijk neemt de helft van de Broeders van Huijbergen het Indonesisch staatsburgerschap aan.

Noot: De congregatie van de Broeders van Huijbergen
De congregatie van ‘De Broeders van Huijbergen’ is in 1854 in het Brabantse dorp Huijbergen gesticht. Vanaf 1888 kwam voor de Orde de nadruk op ‘goed onderwijs’ te liggen en er ontstonden binnen de kortste tijd broederscholen voor lager en voortgezet onderwijs. Al in 1892 zette men een eigen onderwijzersopleiding op.
In 1921 vertrokken de eerste broeders naar Nederlands-Indië, waarbij het zwaartepunt van de missie opnieuw bij het onderwijs kwam te liggen. De orde is nog steeds werkzaam in Indonesië (2017).

Bronnen
Huijbergen en de uiteinden der aarde – De broeders van Huijbergen 1854-2004, Rob Wolf, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 2004 De Broeders van Huijbergen een halve eeuw werkzaam in Indonesia – 1920-1970, eigen uitgave van de Broeders van Huijbergen 1970.
Rode zon boven Borneo, C. van Heekeren, 1968<

© 2023 Bevrijding Intercultureel