Wolfgang Frommel


Wolfgang Frommel (Bron: www.gaynews.nl/article04.php?sid=669)
Frommel, geïnspireerd door de Duitse dichter Stefan George en in zijn opvattingen conservatief en elitair, was in zijn publicaties nauwelijks kritisch ten aanzien van het nationaal socialisme. Nadat Hitler aan de macht was gekomen aanvaardde hij een baan als radiopresentator in Frankfurt (1933-1934). De naam van het programma was 'Vom Schicksal des Deutschen Geistes'. Frommel schreef ook krantenartikelen. Expert Michael Phillip merkt over deze periode op dat Frommels houding tegenover de nazi's een conformerend karakter had. Hij koesterde zijn contacten met de Hitler Jugend (HJ) in Frankfurt en met hoge partijfunctionarissen in Berlijn. Een lokale leider van de HJ, Sven Schacht, was zijn geliefde. Na de Putsch van Röhm in 1934 werd Sven slachtoffer van de anti-homo-maatregelen. Hij stierf in concentratiekamp Mauthausen.

Vlucht
Ook Frommel kwam onder verdenking te staan van de lokale Gestapo die in de gaten had dat hij homoseksueel was. Daarnaast onderhield hij contacten met jongens van de nazi-vriendelijke joodse organisatie Das schwarze Fähnlein, en met name de minderjarige Buri. In 1934 ging hij lesgeven aan de Universiteit van Greifswald en werkte hij voor de radio in Berlijn. Later ging hij naar Zwitserland (Basel), Italië (Florence) en Frankrijk (Parijs). Hij kwam terug naar Duitsland maar vertrok in 1937 weer naar Frankrijk. In 1936 hadden de nazi's zijn meest bekende publicatie 'Der dritte Humanismus' op de zwarte lijst gezet.
Frommel vluchtte in 1939 naar Nederland. Hij besloot te blijven. In die tijd maakte hij deel uit van de kunstenaarskolonie in Bergen. Hij woonde in het huis 'De Zonnebloem' van schilderes Etha Fles. Zij nam hem in huis op voorspraak van de toen landelijk gevierde dichter Adriaan ('Janie') Roland Holst. Frommel kende hem van een bezoek in 1925.

F.W. Buri (exp. Castrum-NIOD)

Bergen
Marita Keilson-Lauritz (2006) merkt op dat Frommel al in Bergen een kring van jonge vrienden om zich verzamelde. Uit Bergen was dat het jonge vriendenpaar Vincent Weyand (Bergen, 31-10-11921), zoon van een kunstschilder, en Chris Dekker (1922-1996). Van de Quakerschool voor met name Duitse vluchtelingen in Ommen waren het twee van zijn vroegere joodse vrienden: William (Billy) Hildesheimer en Adolf Wongtschowski ('Buri') - beiden 14 toen de relatie met Frommel begon. Van Buri staat vast dat hij niet homoseksueel was. Hij had hen met de vlucht naar Nederland geholpen. De huisschilder Buri werkte sinds 1937 als leraar handwerken in Ommen, Billy was er muziekleraar. Billy organiseerde er musical-achtige producties, zoals later ook in het Duitse kamp voor oorlogsgeïnterneerden. Daar overleefde hij de oorlog dank zij zijn eerder verworven Engelse nationaliteit (met dank aan Rien Buter, juli 2010).
In 1941 werd een portret van Roland Holst gemaakt door Gisèle van Waterschoot van der Gracht (Den Haag, 11 sept. 1912), die sinds 1940 met haar ouders in Bergen woonde. Roland Holst vroeg haar of ze een Duitse vriend wilde ontmoeten, Wolfgang Frommel, een protestantse dichter uit Heidelberg. Gisèle maakte kennis met hem, was erg onder de indruk van zijn verschijning en eruditie, en bood hem haar hulp aan, voor als hij die nodig zou hebben. Vanaf 1940 huurde ze een pied-à-terre op de derde verdieping van Herengracht 401 (foto) in Amsterdam. Een paar kamertjes, zonder keuken.

Onderduik in Amsterdam
Toen vanaf 1942 de kustgebieden 'jodenvrij' werden gemaakt - de joodse bewoners van Bergen moesten hun huizen op 22 april verlaten - voelde Frommel zich ook niet veilig en trok hij bij Gisèle in. Hetzelfde gold korte tijd voor de andere Duitse, homoseksuele schrijver, met wie Frommel sinds 1940 contact had op basis van zielsverwantschap, Wolfgang Cordan (zie onder). Marita Keilson-Lauritz neemt aan dat Cordan als eerste onderdak bij Gisèle vond, en vertrok toen Frommel kwam. Buri (Frankfurt, 1919) volgde al gauw. Hij had Ommen in september 1940 verlaten en in Limburg onderdak gevonden bij de kunstenaar Charles Eyck (Houthem St. Gerlach). Toen op 1 mei 1942 de 'jodenster' werd ingevoerd werd het onveilig. Frommel bezocht hem en nodigde hem uit om naar Amsterdam te komen.

Buri
Dat was niet eenvoudig. Vincent Weijand was bereid als taxipassagier langs een afgesproken plek in de buurt van Sittard te komen, op weg naar het station, en in een impuls een lifter mee te laten rijden. De lifter was Buri. Op het station wachtte Wolfgang Frommel, die de twee jongelui meenam naar Amsterdam. Hij maakte daarbij gebruik van een gele band die hij als Duitser in Nederland aan zijn korte militaire dienst bij de Wehrmacht had overgehouden. Het NIOD vermoedt dat Wolfgang Frommel in dienst was geweest bij een niet-strijdend gedeelte van de Wehrmacht. Zij droegen burgerkleding en waren herkenbaar aan een armband. Normaal genomen werd een band met de tekst Deutsche Wehrmacht gebruikt. Het is niet onmogelijk dat Frommel met deze band werkte bij de Luchtbeschermingsdienst (Luftschutz) in Alkmaar. Claus Bock heeft het over de 'Schutztruppe' waar Wolfgang en zijn vriend dr. Späth bij dienden (p.54,141). Intussen had Charles Eyck een brief van Buri gevonden waarin stond dat hij zelfmoord zou gaan plegen. Gisèle verwelkomde de helden met rode rozen. Het gebeurde op 8 juli 1942.

http://www.germanmilitaria.com/Heer/11ClothInsignia2.html

Joseph en Miep
Dankzij onderzoek door zijn Amerikaanse dochter Francesca Rheannon weten we dat Joseph Antonius Hubertus Maria Teunissen (Weert, 1917-1979) en zijn vrouw Miep (Wilhelmina) Benz (1920- ) sinds 1939 op de vierde verdieping van het Huis aan de Herengracht woonden. Toen Buri zich bij Gisèle en Wolfgang voegde, werden zij als buren geïnformeerd over de politieke achtergrond van de twee Duitsers. Guido werkte als fietsbode maar was opgeleid als timmerman. Frommel vroeg hem daarom in het pand slimme onderduikplekken te maken. Guido maakte bijvoorbeeld een schuilplaats in de pianola, door het motortje eruit te halen. Deze plek zou tijdens een razzia Buri's leven redden. Miep werkte in warenhuis 'De Bijenkorf', waarvan de eigenaren joods waren. Het echtpaar bleek betrouwbaar te zijn en werd belangrijk voor het beginnende Castrum-project. Hun verdieping werd ingeschakeld bij de onderduikactiviteiten van de Frommel-kring, en ook als woning. Zoals Maria Keilson schrijft, werd Joseph 'George' genoemd - Engelse uitspraak -, en later (door Percy Gothein) 'Guido', de naam van een intieme vriend van Dante. De eerste twee verdiepingen werden bewoond door mensen die geen relatie met de groep rond Wolfgang Frommel hadden.

Kasteel Eerde en De Esch


Kasteel Eerde en De Esch (inzet)
Tekening van Haro op het Veld uit 1952 (bron: www.haroophetveld.nl)

Wolfgang Frommel had evenals Wolfgang Cordan contact met een kostschool in sprookjeskasteel Eerde, op het landgoed van de familie Van Palland te Ommen. Zij werden er wel voor lezingen uitgenodigd, maar nooit aangesteld.

Quakers
Op 12 oktober 2007 werd bij het NIOD over het ontstaan van de school gesproken. De Quaker-gemeenschappen van de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland en Nederland wilden in het begin van de jaren dertig een internationale school in Duitsland opzetten, op democratische grondslag en met Engels als voertaal. Het diploma was het internationaal erkende Oxford School Certificate. De nazi's wilden zo'n centrum (uiteraard) niet. Zo kwam de school in Nederland. Brodeloos geworden Quaker-docenten uit nazi-Duitsland konden er terecht. Kinderen van gevluchte joden en andere tegenstanders van Hitler werden er leerling; ook enkele Nederlandse en Engelse kinderen kwamen naar Eerde, vanwege de kwaliteit van de school. Op 4 april 1934 werd de school door Quaker-voorman Pieter M. Ariëns Kappers geopend: 'Du kennst keine Völker, Du kennst keine Rasse'. ('God, Gij kent geen volken, Gij kent geen rassen'). Er waren in de bloeitijd 120 pupillen, die door 20 tot 30 stafleden werden onderwezen en gevormd. De school stond in de traditie van het progressieve Duitse 'Landeserziehungsheim'.

Duitse bezetting
Door de Duitse bezetting kwam de Quaker-school van Eerde in gevaar, met name na invoering van de Duitse rassenwetten. Men wilde de school echter niet sluiten. De bezetting leek immers wel mee te vallen en waar moest men met staf en docenten naar toe? Ariëns Kappers nam persoonlijk contact op met de Duitse bezetter en volgde hierbij de Quaker-traditie van stille diplomatie en goed vertrouwen. Een studievriend, SS-er, was Kulturbeauftragter bij Seyss-Inquart. In september 1941 werd het joodse kinderen verboden om nog langer lessen te volgen op niet-joodse scholen. Eerde volgde dit verbod. Veel joodse kinderen waren voor mei 1940 al naar hun familie teruggegaan (als dat mogelijk was), maar 9 van hen verbleven toen nog in Eerde, evenals 3 docenten. Ze werden apart gezet in 'kindertehuis' villa 'De Esch', elders op het landgoed (zie inzet tekening rechtsboven). Dit was hiermee de joodse school van Ommen. Docenten en leerlingen beloofden niet te vluchten of onder te duiken. Tragisch genoeg werden de negen leerlingen die zich aan die belofte hielden slachtoffer van de Holocaust. De drie docenten en de meeste andere leerlingen overleefden. Vier van de overlevenden behoorden tot de vriendenkring van Frommel en Cordan.

Claus Bock
Een van hen was Claus Victor Bock, geboren in Hamburg (1926) en via Brussel in Nederland aangekomen. Zij vader was Tsjechisch, zijn moeder Duits. Op 21 september 1938 ontvluchtte het joodse gezin Duitsland. Net op tijd. De laatste dag van die maand zou het verdrag van München worden gesloten en België liet vanaf 22 september geen Tsjechische paspoorthouders meer toe. Vader Bock was handelaar in chemicaliën en had zakelijk contacten in Brussel. In opdracht van een Belgische firma kon hij voor één jaar - zoals men toen dacht - met zijn vrouw naar Brits-Indië gaan. Het leek beter als de jonge Victor in Europa bleef. Waar? Het speciaal voor Duitse vluchtelingenkinderen opgerichte Quaker-internaat in Eerde was een voor de hand liggende keuze. Huismoeder Josi Warburg was bovendien klasgenoot geweest van moeder Bock.
In het voorjaar van 1941 gaf Frommel een lezing op kasteel Eerde en had er, zoals Marite Keilson formuleert, een onstuimig-erotische ontmoeting met Claus. In zijn terugblik 'Untergetaucht unter Freunden' (1985) beschrijft hij deze ervaring als een 'vonk die verwekkend oversloeg'. Daarmee gebruikte hij de verhullende formulering die bij Castrum voor gedwongen seksuele overgave aan de Meester (Frommel) in zwang was. Het ging bij Bock feitelijk om pedofilie en gedwongen seksualiteit. Frommel zag in hem een nieuwe aanwinst en vond een adres voor hem in Bergen, bij de familie Dekker-Maathuis aan de Guurtjeslaan. Rheannon schrijft dat Frommel Guido vroeg om daar ook een schuilplaats te maken, onder de vloer van de slaapkamer van zoon Chris. De eenvoudige schuilplek bestaat nog. Chris' zoon Vincent vraagt zich af of Guido ervoor nodig was om die te maken. Opvallend is de merkwaardige tekst die op de houten wand werd geschreven, waarschijnlijk door Claus. Nazionalsozialistische Judenhilfe Adolf Hitler. Het was Guido die Claus bij de Dekkers bracht. In februari 1943 voegde Claus Bock zich bij de groep aan de Herengracht. Hij woonde bij Guido en Miep op de vierde verdieping


Schuilplek bij de fam. Dekker-Maathuis in Bergen. Foto: Chris Dekker

Cordan
Wolfgang Cordan gaf, in maart 1941, eveneens een lezing in Ommen. Hier is het, zoals Keilson beschrijft, een andere leerling die grote indruk maakt: de 17-jarige Johannes Piron (vadersnaam: Kohn). Uit de ontmoeting ontstaat een levenslange relatie. Een tweede 'onverwacht volgelingschap' (Cordan) doet zich voor door de vriendschap met Thomas Maretzki, een net geslaagde joodse leerling van de school, die geen andere plek had gevonden. Cordan haalt hem na de invoering van de jodenster (mei 1942) over om kasteel Eerde te verlaten en met hem naar Bergen te gaan. Daar vinden beiden eerst onderdak bij een oude vriend van Wolfgang, Theo van der Wal (zie onder), en vervolgens bij de moeder van Chris Dekker, die tot de vriendenkring van Frommel behoorde.

Polderhof in Bergen

Chris Dekker door Haro op het Veld
Bron: R. van Rossum du Chatel (2005)


Chris huurde vervolgens een huis aan de rand van Bergen, waar Wolfgang Cordan met zijn beschermelingen kon wonen. Johannes Piron ('Angelo') kwam er heen, evenals de ook Duits-joodse Ommen-leerlinge Liselotte Brinitzer. Eva Kohn, een zus van Johannes, had haar bij Frommel in Bergen gebracht. Cordan noemde het huis de 'Polderhof'. Ook Claus Bock woonde tussen zijn verblijf bij de moeder van Chris Dekker en de verhuizing naar de Herengracht kort op de 'Polderhof'. Vanwege de dreigende evacuatie van Bergen sluit het huis in februari 1943.

De kring rond Frommel
Manuel en Peter (1923-1987) Goldschmidt, 'half-joden' volgens de nazi-wetten, waren ook leerlingen uit Eerde. Zij hoorden tot de kring rond Frommel. Hun niet-joodse moeder zorgde voor veilige papieren. Ook hun niet-joodse uiterlijk maakte het mogelijk dat zij Ommen zonder onder te duiken konden verlaten. Manuel woonde in een pension aan de Singel en was een regelmatig bezoeker van Herengracht 401, net als zijn broer. Andere huisvrienden waren Reinout van Rossum du Chatel en, uit Bergen, Chris Dekker en Vincent Weyand. Toen de literator Percy Gothein in november 1943 op bezoek kwam, de voormalige oogappel van Stefan George, die Wolfgang Frommel tot meester en minnaar diende, werd in de keuken van Miep en Guido Theunissen een bijzondere foto van de mannen uit de Frommel-kring genomen (Keilson-Lauritz 2006; foto zie onder). De foto toont feitelijk een sekteleider, Wolfgang Frommel, en zijn meester Gothein, omringd door discipelen. In 1944 kwam Gothein voor langere tijd terug. Vanwege de zwijgcultuur die Frommel schiep, kon Reinout pas in 1996 schrijven dat Percy Gothein zich 'plotseling in een jongensbordeel waande' (Annet Mooij, p.201).

Bovenste rij (van links naar rechts): Vincent Weyand, Peter Goldschmidt
Middelste rij: Reinout van Rossum du Chatel, Manuel Goldschmidt, Chris Dekker
Onderste rij: Friedrich W. Buri, Wolfgang Frommel, Percy Gothein, Guido Teunissen
(Bron: www.castrumperegrini.nl en Peter Elzinga)

De Esch-leerling Clemens Brühl tenslotte zocht zijn eigen onderduikplekken, en werd actief in het Nederlandse verzet. Hij hield wel contact met Wolfgang Frommel en zijn kring. Dat gold niet voor een andere joodse leerling, die ook zelfstandig onderdook. Hij achtte de contacten van Frommel en Cordan in Ommen te zeer gekenmerkt door een homoseksuele sfeer om erbij te willen horen.

Westerbork
Op 10 april 1943 werd De Esch leeggehaald. De overgebleven bewoners gingen, zoals afgesproken door Ariëns Kappers, 'vrijwillig' met het openbaar vervoer naar kamp Vught. Vandaar kwam de groep in Westerbork terecht. Men las er samen Latijnse schrijvers als Tacitus en Sallustius en boeken van Fichte, Goethe en Tolstoj. Drie van hen werden op 24 september van dat jaar in Auschwitz vermoord. De laatste van hen, Hermann Isaac, stierf er bij de ontruiming, op 21 januari 1945 (zie: www.joodsmonument.nl onder Eerde, negen namen).

Twee kringen
Rheannon beschrijft hoe de Duitsers Claus en Manuel samen met Buri tot de binnenste kring rond de charismatische leider Frommel behoorden. In de tweede kring was de jonge Nederlander Vincent Weyand (of Weijand) de primus inter pares - Frommels favoriet. Maar hij woonde niet aan de Herengracht. Hij woonde in Bergen en later in een kamer aan het Singel. Hij was de zoon van de schilder Jaap Weijand en diens joodse echtgenote en daarmee voor de nazi's half-joods. Gisèle was de 'moeder' van de kring, ook in haar hoedanigheid van kunstenares. Daarnaast was zij onontbeerlijk vanwege haar hulp en (geld)middelen. Gisèle was de onderduikgever. Collega-kunstenaars die zich niet bij de Kulturkammer hadden aangesloten, zoals Mari Andriessen en Adriaan Roland Holst - Roland Holst heeft zich onder druk later toch bij de Kulturkammer moeten aansluiten - , ondersteunden haar met etensbonnen; zo ook Adriaans broer Eep.

'Pedagogische eros'
Maar het was Gisèle noch Miep Benz, als vrouwen, toegestaan om deel te nemen aan de zo wezenlijke nachtelijke poëzie-bijeenkomsten. Deze bijeenkomsten waren de belangrijkste sociale activiteit van de Castrum-groep. Leidraad was de opvoedkundige erotiek tussen de oudere en de jongere man, 'der Pädagogischer Eros', zoals onder andere Stefan George het noemde. De erotiek kon platonisch zijn, maar ging bij Castrum verder. Leden van zijn kring, hetero of homo, later ook: man of vrouw, moesten de meester ter wille zijn. Guido, die geen intellectueel was, nam als man wel deel aan deze lezingen. Frommel onderrichtte de groep van joodse en niet-joodse, Duitse en Nederlandse jongelingen over de werken van Goethe, Hölderlin, en George. Of, zoals Gisèle het zelf in een radio-uitzending verwoordde: "Als een vriend, vader en professor onderricht hij ze over de Griekse cultuur". Manuel Goldschmidt vergelijkt het in dezelfde uitzending met een 'jodenschool', en beschrijft zijn ervaring als volgt: "Als we poëzie lazen waren we onzichtbaar". Beide uitspraken typeren opnieuw de zwijgcultuur wat betreft onvrijwillige en vaak strafbare seksualiteit. In de oorlog was het zwijgen extra urgent. De straf op een homoseksuele relatie met een man onder 21 jaar was hoger geworden. Buiten zijn er razzia's en ook het huis wordt doorzocht. Maar er zijn onderduikplekken, zoals de holle pianola van Buri en de liftschacht die naar de zolderkamer en verder leidt.

Huiszoeking 1944
De doorzoeking van 15 oktober 1944 zou volgens Claus Bock het gevolg zijn geweest van een zenuwachtige reactie van de Grüne Polizei die op straat meende het geluid van een zender te horen. Het was de typemachine waarop Buri bezig was. Francesca Rheannon sprak hierover met Miep Benz en zij kon haar de ware toedracht vertellen. Miep liet een briefje zien dat oud-burgemeester Voute haar na de oorlog had gegeven: "er zijn onderduikers op Herengracht 401". Het briefje kwam uit de mappen van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat en was geschreven door een verre verwante van Miep. Zij verbleef in het Schillerhotel aan het Rembrandtplein, dat in eigendom was van een gemeenschappelijk familielid. Miep en Guido mochten er wekelijks komen voor een goede maaltijd en ontmoetten de vrouw daar. Deze raakte verliefd op Guido en wilde dat hij met haar sliep, wat hij weigerde. Zij was op de hoogte van het feit dat de twee onderduikers hielpen en stuurde het briefje naar de SD (Bron: e-mail Francesca Rheannon, 10-1-2008).

De holle pianola (Bron: Francesca Rheannon)
Claus beschreef op 12 oktober 2007 bij het NIOD de actie als volgt: "De Duitse agenten liepen naar boven. Op de vierde verdieping deed Miep Benz open, in roze nachthemd en duidelijk zwanger. Ze lieten die woning voor wat het was en gingen naar de derde verdieping. Gisèle deed open en werd door zes agenten onder schot gehouden. Haar moeder was Oostenrijkse, dat zat dus goed. Intussen kon Buri zich in de pianola verstoppen. In huis was, op de achterkant van een afbeelding van Stefan George, een portret van Hitler geplakt. Het werd tijdig omgedraaid. Een van de agenten zei: 'Nichts los also', en Buri kroop uit de pianola; zag wie het bezoek was en sloop ijlings en op tijd weer terug. In de 'keuken' zat Wolfgang Frommel, Rijksduitser. Hij verklaarde - geheel naar waarheid - dat ze in huis net een Nietzsche-kring hielden. Het was immers op drie dagen na de verjaardag van de denker. Manuel Goldschmidt was (behalve half-joods) ook Rijksduitser. Reinout van Rossum had een goed vervalste vrijstelling van de arbeidsdienst. Toen was Claus Bock aan de beurt. Hij werd om zijn papieren gevraagd. Die bestonden uit een verlopen Tsjechisch paspoort. Frommel verklaarde dat Bock een gevluchte Sudeten-Duitser was. 'Met papieren?' 'Nee'. De Duitse politieman viel stil maar was blijkbaar onder de indruk van de scène en gaf Frommel de raad voor Claus een 'Fallschirm' te regelen, valse papieren. Vervolgens vroeg hij wie onder hen woonde. 'Alsema? Daarheen dan!'"
De website van het huidige Castrum Peregrini beschrijft wat de leden als kern zagen van de illegale woongemeenschap: een leven met poëzie en beeldende kunst en de diepgaande studie van het werk van Stefan George. Het begrip 'pedagogische eros' wordt niet genoemd, laat staan de termen 'seksueel misbruik', 'pedofilie' of 'medeplichtigheid van Gisèle'. Na de oorlog zou dit zo blijven.

Contact met Max en Quappi Beckmann
              

Max Beckmann, Triptiek Schauspieler  (Bron: www.artarchive.com) Max Beckmann, Les Artistes  (Bron: Kemper Artmuseum, St. Louis)  Max Beckmann, Gisèle, (1946) (Bron: Castrum)

Wolfgang Frommel en Gisèle van Waterschoot van de Gracht bezochten in de oorlogsjaren geregeld de gevluchte Duitse schilder Max Beckmann en zijn vrouw ‘Quappi’ Kaulbach. Het echtpaar woonde op het Rokin (nr. 85). Het is mogelijk dat Beckmann in 1941 de expositie van Gisèle bezocht bij Kunsthandel van Lier, de galerie waar hij zelf in 1938 een solotentoonstelling had.

Frommel op doek
Frommel komt op twee van Beckmann’s schilderijen voor. Eerst op het linkerpaneel van het drieluik Schauspieler/Toneelspelers (1941-1942), vervolgens op het doek Les Artistes mit Gemüse/Les Artistes met groente (1943). In beide gevallen bekleedt Frommel tegenover de anderen met wie hij is afgebeeld een bijna priesterlijke functie. Op de Schauspieler heft hij zijn vinger op tegen een middeleeuws uitgedoste krijgsman, die hem lijkt te willen arresteren. Een vrouw staat biddend tussen hen in.
Op het andere schilderij zit hij met Max zelf en twee andere balling-schilders, Friedrich Vordemberge-Gildewart en Herbert Fiedler aan tafel. Allen hebben een voorwerp in de hand. Wolfgang Frommel heeft een brood dat hij, als Jezus voor zijn leerlingen, lijkt te breken. Beckmann schreef op 16 februari 1943 over Frommel in zijn sobere dagboek: ‘Fr. was hier, toch iemand die een werkelijke relatie heeft tot mijn schilderijen’. Er is door Beckmann in 1945 zowel van Gisèle als van Wolfgang een tekening gemaakt.

© 2023 Bevrijding Intercultureel